Heleen Oomen
4. Voortzetting gezocht
DOOR Laia Jufresa
17-11-2014

In Amsterdam heb ik de tentoonstelling over Vivian Maier bezocht. Ook ben ik naar het Van Gogh-museum geweest. Na de eerste roes van enthousiasme (waarin ik mijn denkbeeldige kinderen Vivian en Vincent had genoemd) drongen vragen over erkenning zich onvermijdelijk op. Onvermijdelijk omdat beide kunstenaars – grootheden, en vandaag de dag alom bewonderd – stierven zonder bij leven ooit de waardering te hebben gekregen die ze verdienden.

De hele treinreis van Amsterdam naar Den Haag vroeg ik het me af: hoe belangrijk is erkenning voor mij, en waarom, en wat voor erkenning, wat zou erkend worden voor mij inhouden in een ideale wereld? En in de echte wereld?

Altijd als ik hierover nadenk, al sinds ik vijftien jaar geleden begon met schrijven, kom ik tot dezelfde nuchtere conclusie: het is belangrijk, natuurlijk, maar blijven schrijven is veel belangrijker.

Vivian Maier overleed aan een val op haar hoofd. Ze gleed uit over een bevroren stoep. Tragisch is dat niet. Integendeel: op haar 83ste liep ze ondanks het ijs in de straten nog rond om – zo stel ik het me graag voor, al kan ik het niet bewijzen – nog één extra foto te maken. Nog eentje. Altijd nog eentje. Voor mij is dat het belangrijkste: niet op je lauweren rusten, de teugels niet laten vieren. Doorgaan, polijsten, opnieuw beginnen.

En toch, ik weet het niet, maar ik geloof niet dat ik zou kunnen leven zoals zij, met al mijn werk in een grote doos die ik nooit aan iemand liet zien. Ik bewonder haar, maar die neiging om alles wat je maakt voor jezelf te houden deel ik niet. Delen is veel te leuk, dat hebben we gisteren maar weer eens kunnen vaststellen.

Op een van haar filmpjes die ze hebben gevonden, zegt Maier: ‘We moeten plaats maken voor de rest. Zie het als een is een rad dat ronddraait: je stapt in en uiteindelijk weer uit, iemand anders krijgt dezelfde kans als jij en neemt jouw plaats in, tot het einde, en nog een keer, steeds weer hetzelfde. Niets nieuws onder de zon.’

Het rad van The Chronicles zal als alle raderen blijven draaien zonder ons. Anderen zullen onze plaats innemen er zullen andere talen klinken in de merkwaardige ondergrondse gangen die de twee theaters met elkaar verbinden. Dialecten en misverstanden, r’en die anders rollen, hardere of zachtere g’s al naar gelang de breedtegraad, tildes die in andere talen onbekend zijn, onvertaalbare zinswendingen, ingewikkelde toespelingen, inclinaties, declinaties, veronderstellingen. Wij gaan nu naar huis met nieuwe vriendschappen, Nederlandse woorden die we proberen te onthouden (hagelslag!) en de fijne ervaring om een aantal teksten en een podium met elkaar gedeeld te hebben.

Gisteren hebben we, de zeven vertalers en vier schrijvers, een presentatie gegeven en vragen beantwoord in een zaaltje genaamd Heaven. Dat bevindt zich op de zevende en hoogste verdieping van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Een uur lang was het een kleine toren van Babel. Daarna, toen ons optreden afgelopen was, hadden we het podium nog niet verlaten of er werd alweer een drumstel klaargezet voor het concert dat erna kwam. (Een mooi beeld om dit festival te omschrijven, vind ik: de manier waarop literatuur en muziek het podium delen, elkaar opvolgen in een duizelingwekkende estafette.)

Wat ik gisteren beleefd heb valt zonder twijfel onder het soort erkenning waarnaar ik wél verlang. Het geeft voldoening om werk van mensen zoals jij te zien en te voelen hoe je vervuld raakt van respect voor hen. Mij overkwam het met zowel de schrijvers als de vertalers. Ik was verrast door het krachtige proza van Bregje Hofstede, de scherpe humor van Vea Kaiser, het feilloze ritme van Guillaume Vissac.

Terwijl ik hen zag voorlezen uit hun werk dacht ik aan de woorden die ik ergens in de loop van deze lange week heb opgevangen: One remarkable image taken by the mothership Rosetta shows Philae as a tiny speck, headed for history. ‘Daar gaan ze dan,’ zeiden mijn innerlijke oma en ik, onder de indruk, ontroerd.

Ik wens jullie een goede reis en nog vele pagina’s, lieve vrienden, en laten we elkaar niet uit het oog verliezen: voortzetting gezocht.

All translations from Heleen Oomen
5. Uitnodiging gezocht
01-12-14

Er gaat weleens iets mis als je in dit tempo schrijft. Je zegt Powerpoint waar je Excel bedoelde. Schrijft bare in plaats van bear. Komt erachter dat je aan het slot van al je columns een Nederlands woord gebruikt dat je nooit hebt uitgelegd aan je Spaanstalige en Engelstalige lezers. (Vrienden, sorry dat ik er nu pas mee kom, maar gezocht betekent deseado.)

Maar het pakt ook weleens boven verwachting goed uit. Je legt sommige verbanden alleen doordat je improviseert en je bent vrijer omdat er geen tijd is voor gêne. Snel schrijven benadert de ervaring die je hebt op een podium, die kwetsbaarheid waar ik het ook over had in een andere column, maar vooral die directheid. Op het podium, net als vlak voor een deadline, ben je waar je bent. In een onverbiddelijk hier en nu.

Op dit punt weet mijn innerlijke oma (die gêne net zoiets onbenulligs vindt als bij elkaar passende sokken) me over te halen tot een anekdote.

Het gebeurde vier jaar geleden. We lagen te slapen en werden wakker van een lach. Mijn lach, besefte ik verbaasd. Een lachaanval die zo onbedaarlijk was, dat hij al snel omsloeg in een huilbui. Ik stond op uit bed, waar mijn man half in zijn slaap nog nagrinnikte om mijn aanstekelijk gelach, en liep naar de badkamer om uit te huilen. (Zoiets raars – en ik zeg dit met het kleine beetje gêne dat zelfs oma me toestaat – overkomt me normaal nooit.) Daarna zat ik nog lang op de badrand de droom te overdenken waaruit ik zojuist was ontwaakt, en er werd me iets duidelijk.

(Iets wat misschien niet waar was, maar wel zeer verhelderend op die manier waarop alleen fictie ons kan verlichten.)

In mijn droom bezocht ik met vier onbekenden een appartement dat te huur stond, onder leiding van een makelaar. Opeens flitste overal licht aan en iemand riep dat het pauze was. De enige die zich verbaasde was ik. De zogenaamd onbekenden liepen gezamenlijk naar buiten om te roken en ik ontdekte dat er zich voor mij lange rijen pluche stoelen bevonden. Het appartement was maar een decor. De bezichtiging een toneelrepetitie. Toen ik dat begreep barstte ik zo hard in lachen uit dat ik er wakker van werd.

Na die catharsis, nog steeds in de badkamer, legde ik voor het eerst het verband woningen-theater en telde de jaren. Op mijn vingers. En ik begreep: ik ben verslaafd aan huizen kijken sinds ik stopte met toneel.

Als kind en als jongvolwassene draaide mijn hele leven om het schrijven en opvoeren van toneelstukken. Dat zou ik altijd blijven doen, zeker te weten. Maar aan die overtuiging kwam een eind nadat ik het proza eenmaal ontdekt had. Ik schreef een verhaal en was meteen verkocht: ik was niet langer afhankelijk van repetities, regisseurs, andermans ego’s… ik kon alles zelf! Compleet nieuwe werelden scheppen. In mijn eentje.

Wie schrijft is de hele dag een personage. (In elk geval gedurende de uren dat je erin slaagt je af te sluiten voor internet en je te concentreren op het leven van andere levens.) En dit is, naar mijn bescheiden mening, het allerleukste beroep ter wereld. Er kleven wel een paar ernstige nadelen aan. Je krijgt er zo goed als niet voor betaald, om maar iets te noemen. Bovendien werk je zonder een tweetal zaken die bij toneel juist centraal staan. Het ene is je lichaam. En samenwerking, een teamverband, is het tweede.

Als ik hierover nadenk besef ik dat een project als The Chronicles niet alleen waardevol is vanwege het plezier van het festivalbezoek, maar ook omdat het tijdelijk voorziet in wat wij (en dan bedoel ik óók de vertalers, evengoed schrijvers, al willen ze daar zelf niet van horen) als beroepsgroep normaal het hardst missen: salaris, ja, maar ook een lichaam – je verplaatst je, je bent ergens, je danst samen – en vooral: een team.

Op een podium staan betekent attent zijn op de aanwezigheid van de ander. Zien wat er gebeurt aan randen van je blikveld. Afgelopen weken heb ik op die manier geschreven: met een schuin oog op Annie McDermott en Heleen Oomen. Bedankt allebei, dat jullie net zo obsessief bezig zijn met de verschillende betekenislagen van elk woord als ik.

En door dit alles ben ik iets gaan vermoeden.

(Iets wat misschien niet waar is, maar wel zeer verleidelijk op die manier waarop alleen verlangens ons kunnen prikkelen.)

Ik ben gaan vermoeden dat meer vertalingen van mijn werk en meer uitnodigingen voor festivals misschien het middel zijn om mijn huizenverslaving eindelijk te overwinnen.

Attentie! Mijn oma en ik doen de volgende oproep: uitnodiging gezocht.

4. Voortzetting gezocht
17-11-14

In Amsterdam heb ik de tentoonstelling over Vivian Maier bezocht. Ook ben ik naar het Van Gogh-museum geweest. Na de eerste roes van enthousiasme (waarin ik mijn denkbeeldige kinderen Vivian en Vincent had genoemd) drongen vragen over erkenning zich onvermijdelijk op. Onvermijdelijk omdat beide kunstenaars – grootheden, en vandaag de dag alom bewonderd – stierven zonder bij leven ooit de waardering te hebben gekregen die ze verdienden.

De hele treinreis van Amsterdam naar Den Haag vroeg ik het me af: hoe belangrijk is erkenning voor mij, en waarom, en wat voor erkenning, wat zou erkend worden voor mij inhouden in een ideale wereld? En in de echte wereld?

Altijd als ik hierover nadenk, al sinds ik vijftien jaar geleden begon met schrijven, kom ik tot dezelfde nuchtere conclusie: het is belangrijk, natuurlijk, maar blijven schrijven is veel belangrijker.

Vivian Maier overleed aan een val op haar hoofd. Ze gleed uit over een bevroren stoep. Tragisch is dat niet. Integendeel: op haar 83ste liep ze ondanks het ijs in de straten nog rond om – zo stel ik het me graag voor, al kan ik het niet bewijzen – nog één extra foto te maken. Nog eentje. Altijd nog eentje. Voor mij is dat het belangrijkste: niet op je lauweren rusten, de teugels niet laten vieren. Doorgaan, polijsten, opnieuw beginnen.

En toch, ik weet het niet, maar ik geloof niet dat ik zou kunnen leven zoals zij, met al mijn werk in een grote doos die ik nooit aan iemand liet zien. Ik bewonder haar, maar die neiging om alles wat je maakt voor jezelf te houden deel ik niet. Delen is veel te leuk, dat hebben we gisteren maar weer eens kunnen vaststellen.

Op een van haar filmpjes die ze hebben gevonden, zegt Maier: ‘We moeten plaats maken voor de rest. Zie het als een is een rad dat ronddraait: je stapt in en uiteindelijk weer uit, iemand anders krijgt dezelfde kans als jij en neemt jouw plaats in, tot het einde, en nog een keer, steeds weer hetzelfde. Niets nieuws onder de zon.’

Het rad van The Chronicles zal als alle raderen blijven draaien zonder ons. Anderen zullen onze plaats innemen er zullen andere talen klinken in de merkwaardige ondergrondse gangen die de twee theaters met elkaar verbinden. Dialecten en misverstanden, r’en die anders rollen, hardere of zachtere g’s al naar gelang de breedtegraad, tildes die in andere talen onbekend zijn, onvertaalbare zinswendingen, ingewikkelde toespelingen, inclinaties, declinaties, veronderstellingen. Wij gaan nu naar huis met nieuwe vriendschappen, Nederlandse woorden die we proberen te onthouden (hagelslag!) en de fijne ervaring om een aantal teksten en een podium met elkaar gedeeld te hebben.

Gisteren hebben we, de zeven vertalers en vier schrijvers, een presentatie gegeven en vragen beantwoord in een zaaltje genaamd Heaven. Dat bevindt zich op de zevende en hoogste verdieping van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Een uur lang was het een kleine toren van Babel. Daarna, toen ons optreden afgelopen was, hadden we het podium nog niet verlaten of er werd alweer een drumstel klaargezet voor het concert dat erna kwam. (Een mooi beeld om dit festival te omschrijven, vind ik: de manier waarop literatuur en muziek het podium delen, elkaar opvolgen in een duizelingwekkende estafette.)

Wat ik gisteren beleefd heb valt zonder twijfel onder het soort erkenning waarnaar ik wél verlang. Het geeft voldoening om werk van mensen zoals jij te zien en te voelen hoe je vervuld raakt van respect voor hen. Mij overkwam het met zowel de schrijvers als de vertalers. Ik was verrast door het krachtige proza van Bregje Hofstede, de scherpe humor van Vea Kaiser, het feilloze ritme van Guillaume Vissac.

Terwijl ik hen zag voorlezen uit hun werk dacht ik aan de woorden die ik ergens in de loop van deze lange week heb opgevangen: One remarkable image taken by the mothership Rosetta shows Philae as a tiny speck, headed for history. ‘Daar gaan ze dan,’ zeiden mijn innerlijke oma en ik, onder de indruk, ontroerd.

Ik wens jullie een goede reis en nog vele pagina’s, lieve vrienden, en laten we elkaar niet uit het oog verliezen: voortzetting gezocht.

3. Stem gezocht
15-11-14

Gisterenavond vond ik een briefje waarmee je ontbijt kunt bestellen op je kamer. Ik zette een kruisje bij ‘koffie’ en uit nieuwsgierigheid ook eentje bij ‘nieuws’. Klokslag zeven uur werd er een dienblad gebracht. Naast het eten lag een blaadje papier waarop het ‘nieuws’ was afgedrukt, aan de ene kant in het Engels en aan de andere kant in het Spaans. Dat A-viertje alleen al zou prima materiaal zijn voor het interview over vertalen dat vandaag op het programma staat, maar laat ik hier voorlopig alleen de meest opzienbarende kop citeren (of in elk geval, de minst deprimerende): ‘Philae heeft een boring verricht op de komeet maar heeft nog maar weinig energie.’

Dat Philae doodgaat is niet iets om depressief van te worden. Maar een beetje verdrietig is het wel. Ik stel voor dat we afscheid van haar nemen met een van de vele mooie nummers die ik gisterenavond gehoord heb.

Van Stu Larsen:

Darling I should’ve said goodbye
Before you even caught my eye
Now I can’t bear to see this die

Thirteen sad farewells my darling
Thirteen sad farewells

I will see you no more darling
You have used all your farewells
You have used all your farewells

Hm.

Hoe groot mijn liefde voor het geschreven woord ook is, het is ontgoochelend om dit zo zwart op wit te zien staan, zonder noten, spotlights of snaren, zonder dat ene dat gisteren zo voelbaar aanwezig was: ‘de macht van de muziek’, zou ik bijna zeggen, als daarbij niet alle bellen van mijn anti-clichéalarm begonnen te rinkelen.

Wat we zagen was pure présence. Concentratie en perfect beheerste ademsteun. Norma Jean Martine, Trampled by Turtles, Iron and Wine, Stu Larsen. Allemaal gaven ze zich helemaal op het podium. We waren getuige van iets wat je maar zelden ziet: dat kwetsbare proces waarbij muziek voor je ogen kristalliseert.

Die kwetsbaarheid is een voorwaarde, je kunt niets waardevols maken zonder je een beetje naakt te voelen. Zelf bestrijd ik dat gevoel met dekens en mutsen. Door me stevig in te pakken zorgt mijn innerlijke oma er op haar manier voor dat ik niet opgeef.

Maar een zanger kan zich niet bedekken. Of wel, maar met andere maskers, en als het mislukt ziet iedereen dat. Urenlang herschrijven is voor hem niet weggelegd, zijn ego moet flexibeler zijn.

Als schrijfster kan ik van zangers leren. Van hun precisie. Van hun stem als een oeroude octopus: met zijn tentakels kietelend in de nek van het publiek, of drukkend op hun borstbeen tot de tranen hen in de ogen springen.

Bij twee optredens moest ik huilen. Het ene was dat van Stu Larsen. Hij zingt als een brave koorknaap die op een dag de kerk uitliep, de wijde wereld in ging, nieuwe registers opentrok en zijn baard liet staan. Normaal zit ik er met dit soort dingen altijd naast, maar Google wijst uit dat mijn intuïtie dit keer juist was: religie en rugzak. Hij leeft nu on the road, zonder vaste verblijfplaats maar met steeds meer concerten. Zijn octopusstem dringt (net als die van Iron and Wine) door tot diep in je borst en kan je breken of verlichten zoals het hem uitkomt.

Ook de schrijver Akhil Sharma ontroerde me. Hij presenteerde zijn autobiografische roman Family Life, waaraan hij twaalf en een half jaar had gewerkt.

Was het de moeite waard geweest, werd hem gevraagd.

Hij antwoordde onomwonden: ‘Nee, o nee, natuurlijk niet.’

Ik begrijp zijn frustratie. Het ergste was niet het zoeken naar de juiste stem voor zijn verhaal en ook niet de hoeveelheid werk die in de prullenbak verdween (7000 pagina’s, zei hij). Het ergste was dat hij niet aan iets nieuws kon beginnen. Want zoeken en weggooien is normaal: dat is nu eenmaal wat we doen. Voor deze column van 600 woorden heb ik er 4000 geschrapt. Ik heb mensen weggelaten, anekdotes, plekken (en de mammoetkaak die in Den Haag te koop is en die ik er morgen echt hoop in te krijgen).

Als je schrijft hak je steenlagen weg tot je op een ader stuit die je besluit aan te boren. Je zet je muts op. Je spreekt jezelf moed in. Je gooit al het andere weg.

Die ader is je stem en daar draait het om in mijn vak: stem gezocht.

 

2. In-zicht gezocht
14-11-14

Na mijn laatste column belde mijn moeder om te zeggen dat het een grap was. Dat van dat koffertje. Een grap. Verder ben ik vertrokken uit Madrid en voor het eerst in twaalf jaar wakker geworden in Amsterdam. Toen ik wilde gaan ontbijten heb ik gegoogeld op best coffeeshops in Amsterdam. Een beginnersfout. De fietsers heb ik overleefd. Dat is niet niks, wanneer je rondloopt zonder uit te kijken omdat je blik blijft hangen bij ieder raam, huis na huis na huis.

Maar mijn voyeurisme (net als dat van jullie allemaal) is niets vergeleken bij de miljoenen dollars kostende glimp die miljoenen mensen vandaag hoopten op te vangen van komeet P67, dankzij robot Philae, die daar gisteren geland is: meer dan vijfhonderd miljoen kilometer hiervandaan. Ze zeggen dat hij drie keer stuiterde voor hij bleef steken achter een rots.

Wetenschappers zijn niet blij met die rots, want hij zorgt voor schaduw, waardoor de foto’s minder scherp zijn. Maar misschien voelt Philae zich wel prettiger zo. Als ik de rest van mijn dagen zou moeten slijten op vijfhonderd miljoen kilometer van de aarde, zou ik ook liever een beetje beschut zitten, in plaats van in die open vlakte, blootgesteld aan al dat sterrenstof. Vooral nu ik vandaag bij de Border Sessions heb geleerd dat het stof dat in de ruimte rondzweeft spiky and vicious is.

De Border Sessions is een tweedaags symposium met lezingen over technologie, voorafgaand aan het Crossing Borderfestival. Ik heb er drie van de vijftig kunnen bijwonen. Eentje over het nieuwe ruimtepak van de NASA. Een tweede over in-vitrovlees. En dan nog een over de hedendaagse renaissancemens (of zoiets).

Op een video zien we hoe een astronaut op de maan halsbrekende toeren uithaalt. Hij doet zijn best om overeind te blijven, stuitert in het rond en ziet er erg onhandig uit. Eindelijk legt de spreker uit: hij heeft iets laten vallen. Dat is alles. Hij heeft een tas laten vallen en is minutenlang bezig om die op te rapen. En dat voor een astronaut die lichamelijk in topconditie is. Drie keer raapt hij die tas op om hem vervolgens weer kwijt te raken. Beweeglijkheid, dat is waar het de ruimtepakken van de Apollo 16 aan ontbrak. Om dat te verbeteren worden nieuwe materialen ontwikkeld, veerkrachtiger en lichter. Minder gewicht, dat is het streven. Voor elke kilo die je de ruimte inschiet moet je er eerst twintig in een baan om de aarde brengen en bovendien vele duizenden dollars investeren. Elke uitgespaarde gram telt.

Maar voor het geval ruimtevaart je niet interesseert: dat in-vitrovlees. Het wordt al gemaakt. Op biefstuk lijkt het nog niet, maar het smaakt al meer naar beest dan naar tofu. En ook hier kost iedere gram een fortuin. De eerste hamburger vergde twee jaar en 250.000 euro. Gisteren presenteerde Koert van Mensvoort zijn ingenieuze The In Vitro Cook Book, met 45 gerechten die je vooralsnog niet kunt maken.

Van de renaissancesessie zijn me deze woorden van Auke Ferwerda bijgebleven: The only sensible outcome of data is insight. Mijn innerlijke oma vond het prachtig. Wat een verstandige jongen, zei ze. En ze zei ook: ‘Zou jij zo’n regel niet ook eens moeten instellen bij jouw werk?’

Nee. Ik weet niet. Ik hoop van niet. Of misschien toch? Het zou verlammend werken, als je alleen schrijft om iets aan het licht te brengen.

Er is geen Spaans woord voor insight. In het Nederlands is het inzicht. In-zicht, naar binnen kijken. Ja, dan misschien wel, oma, als je het zo bekijkt. Schrijven uit voyeurisme. Met als enige doel een stel ramen in den vreemde te schetsen voor de lezer, ramen zonder vitrage, zodat je wel naar binnen móét gluren.

De NASA-deskundige verzekerde ons dat we geen mensen de ruimte in sturen om te werken, maar om ons begrip van wat mogelijk is te verruimen. Dat kan zijn. Maar zijn we niet ook gewoon een stelletje roddelkousen? We willen gewoon een selfie van Philae. Iedereen wil naar binnen kijken, bespieden, vergelijken. We willen zien. Méér zien. We zouden het best kunnen laten tatoeëren: in-zicht gezocht.

 

 

1. Huis gezocht
04-11-14

Terwijl ik dit schrijf in Madrid, staan er in Amsterdam tweehonderdtwintig appartementen te huur met een badkamer voorzien van ligbad. Tweeëndertig met open haard. Vierentwintig met ligbad en open haard. Dertien appartementen zelfs op goede plekken, met ligbad, open haard en balkon. Die laatste zijn helaas voor een schrijver niet te betalen.

Dat weet ik allemaal omdat ik al een paar uur op zoek ben naar een huis in Amsterdam. In die korte tijd heb ik wat Nederlands leren spreken, of in elk geval leren schrijven: te huur, ligbad, open haard, balkon. Woorden die ik niet kan uitspreken en over tien minuten weer vergeten ben, niet alleen omdat het blindvaren op Google Translate ons gemakzuchtig maakt, maar ook, en dat vooral, omdat ik ze verder niet nodig heb.

Want ik wil niets huren in Amsterdam. Ik ga er alleen de twee dagen heen vóór het Crossing Borderfestival in Den Haag en een hotel heb ik al, dank je. Ik heb er gewoon weer eens aan toegegeven. Aan mijn grote zwakte: compulsief huizenkijken. Dat doe ik als ik niet schrijf. En vooral als ik wel zou moeten schrijven. Zo ga ik mijn verantwoordelijkheden uit de weg. Uitstelgedrag noemen ze dat. Zelf houd ik het erop dat anderen, nou ja, candycrushen.

Dit keer duurt het tot ik opsta om koffie te gaan zetten. Een stem die ik mijn innerlijke oma noem, maakt van dat moment gebruik om me – vriendelijk en opgeruimd zoals alleen oma’s dat kunnen – wijze raad te geven: ‘En als je nou in plaats van die appartementen eens je reis ging plannen?’

Hm…

Die suggestie is voor mij lichtelijk revolutionair, want al mijn organisatietalent stop ik normaalgesproken in onrealistische of onmogelijke zaken. Ik schrijf fictie, daar begint het al mee. En als ik op reis ga, ga ik zonder Lonely Planet. ‘Met de stroom mee,’ zei ik als puber en een betere uitdrukking heb ik er nog steeds niet voor. (Mijn moeder wel: ‘Laia reist als een koffertje.’)

Toch heb ik de laatste jaren beetje bij beetje, door osmose, geleerd dat het best leuk kan zijn om een plan te hebben. Ik ben namelijk met een Amerikaan getrouwd en dan weet je het wel. Twee weken geleden maakten we een reisje naar Lissabon. Hij wilde fado’s horen in buurt zus en weet-ik-veel-wat-voor likeur drinken in kroeg zo. Ik wilde ‘wat rondlopen’. Mijn man reist zoals ik schrijf: wetend dat zodra je afdwaalt van het concrete, het literaire gehalte onvermijdelijk afneemt. Omgekeerd reis ik zoals ik uitstel: vastberaden richtingloos.

Als ik terugkom uit de keuken ben ik er heilig van overtuigd dat ik dit keer een ander mens ben. Iemand die bij aankomst in Nederland prompt uitroept: ‘Ik wil graskaas eten!’ Ja, spreek ik mezelf toe: genoeg met dat gestroom. Ik ga precies plannen wat ik allemaal wil zien op het festival en in Amsterdam, ik zal niet te vermurwen zijn, ik maak een powerpoint. Nou oké, hoe powerpoint werkt weet ik niet, maar ik schrijf alles wel op in een boekje.

Tijdens Crossing Border staan er vijfenzestig literaire activiteiten op het programma. Achtentwintig muzikale optredens. Tien specials (waarom ze specials heten weet ik niet, want sommigen ervan hebben net als de rest ook met muziek of boeken te maken). Daarnaast zullen er in de wandelgangen scholieren hun gedichten voordragen en sneltekenaars portretten maken, polaroids in potlood. En alsof dat nog niet genoeg is, zal tattooshop TUIG ‘tijdelijke literaire tattoos’ zetten.

Dat weet ik allemaal omdat ik al twee uur lang de festivalwebsite afstruin en alles opschrijf in mijn boekje. Innerlijke oma spint tevreden. Ze voelt zich nuttig. Zelf ben ik zowat hysterisch. Al die schrijvers, en al die goeie muziek! En dan heb ik het nog niet eens over de twaalf vertalers en drie andere auteurs die meedoen aan The Chronicles. Het wordt een feest.

Tot dan, beste mensen! Jullie zullen me wel herkennen aan mijn tijdelijke literaire tatoeage. Ik neem er een in het Nederlands: huis gezocht.