Bregje Hofstede
epiloog
28-11-2014

Drie dagen festival, tien uur slaap. Toch blijf ik wakker in de trein naar huis: het is nog niet voorbij, er moet eerst veel worden opgeschreven in het kleine boekje met de harde kaft.

Vorige zomer, toen ik tijdens de biënnale in Venetië zat te schrijven aan de rand van een kanaal, heb ik een voorloper van dit boekje in het water laten vallen. Ik greep het meteen weer, schudde het uit en droogde het af aan mijn jurk, maar de blauwe inkt waarmee ik schreef was weggewassen door het water.

Ik was ontroostbaar. Toen het boekje droog was, heb ik nog urenlang geprobeerd de zinnen te reconstrueren, en te zien of de druk van mijn pen misschien sporen had getrokken die bij strijklicht… Ik had het paniekerige gevoel dat ik iets belangrijks kwijt was: alles wat ik de afgelopen tijd had meegemaakt, leek niet langer gebeurd. Uiteindelijk gaf ik het op, maar niet zonder dat ik tot laat in de nacht op mijn hotelkamer had zitten typen, vijftigduizend woorden ineens die mijn herinnering van de voorgaande weken compleet herschreven. De oude weken was ik nog altijd kwijt; nu had ik nieuwe. Sinds die nacht begrijp ik veel beter waarom ik schrijf.

Wat ik ook merkte, is hoe een ervaring – als je er na een week of twee op terugblikt – mettertijd verandert. Als ik nu terugblader naar de festivaldagen, zijn ze als een bergketen: hoekig, grillig, met indrukwekkende pieken die je het uitzicht benemen. Ik maak korte notities die abrupt weer afbreken en schrijf niet over wat er buiten Den Haag gebeurt: mijn baan, Brussel, toekomstplannen. Midden in een intens beleefde ervaring is het heden je horizon. Pas als je je van de herinnering verwijdert, raakt ze afgeplat en wordt overzichtelijk, een glooiend geheel dat je van een afstand kunt gadeslaan.

Aan de muur van mijn Brusselse boekhandel hangt het volgende citaat van David Mitchell: “Style is not what you excel in, it is actually everything you get wrong.” Als dit waar is, is mijn makke wellicht mijn metafoorgebruik. Nederland verlaten, en het gevoel hebben dat je wegrijdt uit een berglandschap? Kom nu.

Het leuke van een festival, en met name van The Chronicles, is dat je het samen met anderen beleeft. Als ik mijn dagboek nu in een plas gooi, bestaan er nog talloze verslagen van, die parallel lopen aan het mijne en er nieuwe lagen aan toevoegen. Zo doken er de afgelopen weken steeds nieuwe foto’s op; recensies in kranten; Facebookberichtjes van (nieuwe) vrienden. Ook las ik Sjisjkin en Wortel – Waters, Debroey en Boström staan nog op mijn lijstje – en draaide ik de CD grijs die ik op Crossing Border kocht. In plaats van af te vlakken, groeien de bergen door sedimentatie.

In een café waar ik soms zit te schrijven, liep ik Wide Vercnocke tegen het lijf. Ik had zojuist zijn graphic novel Wildvlees gelezen – ook meegenomen uit Den Haag – waarin een bronstig hert over de Anspachlaan stormt. Ik dacht weer aan de graphic novelists in het rossige licht van het Heartbeat Hotel, en hun danspassen op de afterparty, en ineens torende er een noordwand boven de daken van de Vlaamsesteenweg.

Ik voorspel trouwens dat de bergketen van Crossing Border nog een lange uitloper krijgt. Vea drukte me op het hart dat ik straks de Duitse vertaling van mijn roman bij haar in Wenen moet komen presenteren. En Alice, Laia, Guillaume, en de andere Chronicles: als jullie ooit in de buurt zijn…? Kom de bergen dan naar Brussel brengen.

All stories from Bregje Hofstede
epiloog
28-11-14

Drie dagen festival, tien uur slaap. Toch blijf ik wakker in de trein naar huis: het is nog niet voorbij, er moet eerst veel worden opgeschreven in het kleine boekje met de harde kaft.

Vorige zomer, toen ik tijdens de biënnale in Venetië zat te schrijven aan de rand van een kanaal, heb ik een voorloper van dit boekje in het water laten vallen. Ik greep het meteen weer, schudde het uit en droogde het af aan mijn jurk, maar de blauwe inkt waarmee ik schreef was weggewassen door het water.

Ik was ontroostbaar. Toen het boekje droog was, heb ik nog urenlang geprobeerd de zinnen te reconstrueren, en te zien of de druk van mijn pen misschien sporen had getrokken die bij strijklicht… Ik had het paniekerige gevoel dat ik iets belangrijks kwijt was: alles wat ik de afgelopen tijd had meegemaakt, leek niet langer gebeurd. Uiteindelijk gaf ik het op, maar niet zonder dat ik tot laat in de nacht op mijn hotelkamer had zitten typen, vijftigduizend woorden ineens die mijn herinnering van de voorgaande weken compleet herschreven. De oude weken was ik nog altijd kwijt; nu had ik nieuwe. Sinds die nacht begrijp ik veel beter waarom ik schrijf.

Wat ik ook merkte, is hoe een ervaring – als je er na een week of twee op terugblikt – mettertijd verandert. Als ik nu terugblader naar de festivaldagen, zijn ze als een bergketen: hoekig, grillig, met indrukwekkende pieken die je het uitzicht benemen. Ik maak korte notities die abrupt weer afbreken en schrijf niet over wat er buiten Den Haag gebeurt: mijn baan, Brussel, toekomstplannen. Midden in een intens beleefde ervaring is het heden je horizon. Pas als je je van de herinnering verwijdert, raakt ze afgeplat en wordt overzichtelijk, een glooiend geheel dat je van een afstand kunt gadeslaan.

Aan de muur van mijn Brusselse boekhandel hangt het volgende citaat van David Mitchell: “Style is not what you excel in, it is actually everything you get wrong.” Als dit waar is, is mijn makke wellicht mijn metafoorgebruik. Nederland verlaten, en het gevoel hebben dat je wegrijdt uit een berglandschap? Kom nu.

Het leuke van een festival, en met name van The Chronicles, is dat je het samen met anderen beleeft. Als ik mijn dagboek nu in een plas gooi, bestaan er nog talloze verslagen van, die parallel lopen aan het mijne en er nieuwe lagen aan toevoegen. Zo doken er de afgelopen weken steeds nieuwe foto’s op; recensies in kranten; Facebookberichtjes van (nieuwe) vrienden. Ook las ik Sjisjkin en Wortel – Waters, Debroey en Boström staan nog op mijn lijstje – en draaide ik de CD grijs die ik op Crossing Border kocht. In plaats van af te vlakken, groeien de bergen door sedimentatie.

In een café waar ik soms zit te schrijven, liep ik Wide Vercnocke tegen het lijf. Ik had zojuist zijn graphic novel Wildvlees gelezen – ook meegenomen uit Den Haag – waarin een bronstig hert over de Anspachlaan stormt. Ik dacht weer aan de graphic novelists in het rossige licht van het Heartbeat Hotel, en hun danspassen op de afterparty, en ineens torende er een noordwand boven de daken van de Vlaamsesteenweg.

Ik voorspel trouwens dat de bergketen van Crossing Border nog een lange uitloper krijgt. Vea drukte me op het hart dat ik straks de Duitse vertaling van mijn roman bij haar in Wenen moet komen presenteren. En Alice, Laia, Guillaume, en de andere Chronicles: als jullie ooit in de buurt zijn…? Kom de bergen dan naar Brussel brengen.

17-11-14

“Dat boek kan ik ook voor je signeren, hoor.”

Ik liet het boek van de Russische schrijver zakken en keek naar de jonge vrouw die me had aangesproken. Ze stond handtekeningen uit te delen bij de book ’n’ bar in de foyer van de Koninklijke Schouwburg. Ik herkende haar vaag ergens van.

“En dit boek?” Ik hield een kopie van mijn eigen debuutroman omhoog, waarvan er een stapel op dezelfde tafel lag.

“Die heb ik niet gelezen, daar kan ik niks over zeggen.”

Ze draaide zich weer om. Een professionele muze.

Ik bleef met de boeken in mijn handen staan en stelde me voor dat ik me ook zo vanzelfsprekend thuis voelde in de schijnwerpers.

Een paar dagen geleden kocht ik het themanummer van de Britse Elle, over feminisme. Ik mijd glossy’s al jaren vanwege de acute zelfhaat die ze kunnen opwekken (“Ik eet nooit meer iets!”, schreeuw ik terwijl ik de laatste bladzij omsla, en ren naar de koektrommel.) Dus een feministische glossy…?

Ik werd niet teleurgesteld. Reportages uit verschillende landen, veel vrouwelijke romanschrijvers aan het woord. Het enige dat me dwars zat, was een twee pagina’s grote advertentie voor iets dat Modern Muse heette. De foto: een vrouw in zachtroze licht schrijdt op stiletto’s door een Parijse straat. De slogan: “Be an inspiration.”

Het deed me denken aan die keer dat een beroemde Nederlandse auteur een boek voor me signeerde, en erin schreef: “Voor Bregje, iemands muze.” Geamuseerd nam ik het boek in ontvangst. Ik héb een muze, dacht ik tevreden. Be an inspiration? Be inspired!

Een muze hebben is heerlijk. Een hele mooie, die smoezelig en warm in bed blijft liggen terwijl jij in een grote wollen trui achter je bureau kruipt om te schrijven. Maar als je op een podium staat, en wellicht vooral als je een vrouw bent die op een podium staat, liggen de zaken anders.

In een zaal genaamd De Hemel lezen wij, Chronicles, op zaterdagavond een voor een fragmenten uit ons werk voor. De verleiding om zelf muze te gaan spelen is plotseling veel groter. Zit mijn haar goed? Kun je zien dat ik nerveus ben?

Ook de tekst verandert. Normaalgesproken redt die zich prima zonder mij, en nu ben ik er plotseling zelf deel van: hoe truttig of stoer ik er vandaag toevallig uitzie, mijn stem, of ik wiebel, of ik me niet verspreek. Een ware muze zou melodieus declameren terwijl ze heupwiegend over het podium schreed, roze parfumwolken uitwasemend. Als ik wegloop van de microfoon, stel ik vast dat ik nog altijd geen muze ben, maar er wel een héb. En die ga ik nu weer snel opzoeken, in Brussel.

 

 

 

 

15-11-14

In een bepaald soort restaurant – ik heb het van horen zeggen – serveert men tussen de gangen een sorbet om het palet te neutraliseren. Weg met de oude smaak, klaar voor de nieuwe. Smaken geven immers op elkaar af, met goed of slecht gevolg. En met de ervaringen die je in een dag opdoet gaat het eigenlijk net zo.

In het donker van de schouwburgzaal zwiept een vlecht langs mijn wang. Ik schrik op uit de muziek en breng een hand naar mijn gezicht. Het meisje dat er langs moest is al weg, maar even meen ik de meeuw af te moeten weren die zich een paar uur eerder op me stortte, toen ik een broodje haring at bij het kraampje aan de Hofvijver. Ik had het staartje nog, de rest had hij, en ik voelde zijn poot op mijn voorhoofd. Nu, in de schouwburg, wrijf ik erover en probeer de meeuw de zaal uit te jagen. Op het podium staat een bebaarde man heel mooi te zingen. “Say today and she may look your way and lead you home.” Terug in het hotel zoek ik het liedje op, nog steeds heel mooi, maar minder magisch. Het is moeilijk om zo op te gaan in Youtube.
Als je me vraagt wat het verschil is tussen thuis met een boek of cd op de bank zitten, en diezelfde muziek of literatuur live meemaken op een festival, is het misschien dit verschijnsel: het sterk samenvloeien van indrukken in een uitgerekt hier en nu.
Voorafgaand aan het festival fietste ik naar de tentoonstelling van Rothko. Ik kende zijn werk alleen nog maar van reproducties: grote kleurvlakken boven elkaar, leuk voor op een poster. En ik kende de theorie: het zou gaan om de lijfelijke ervaring van die kleur, om het “zo direct mogelijk communiceren met de toeschouwer.” Enigszins sceptisch stap ik binnen. Erg direct heb ik nog nooit gecommuniceerd met een poster van Rothko; erin opgenomen ben ik ook niet.
Het is druk in de museumzalen. Ik schuifel van doek naar doek totdat ik bij een enorm canvas kom dat, net zoals de andere, geen titel heeft. Voor dit werk blijf ik staan. Ik bekijk de manshoge kleurvlakken. Achter het omber gloeit kobaltblauw. Het doek is zo groot dat ik mijn grip erop verlies: aan de rand van mijn blik beginnen de kleuren te vloeien, en ik merk dat ik naar voren hel. Zo werkt het dus, denk ik. Je verdwijnt in zo’n doek – hoe lang heb ik hier eigenlijk gestaan?
’s Avonds op het festival zoek ik een plekje aan de rand van het zaaltje waar de eerste artiest begint te spelen. Naast mij, in de hoek, staan ongebruikte cymbalen, die meetrillen met de bas. Ook mijn borstbeen zoemt zachtjes mee. Ik kijk naar de toneellampen die gekleurde banen door het donker trekken, en denk aan Rothko. Langzaam drijf ik weg. Op een bepaald moment zijn kleur en klank maar moeilijk uit elkaar te houden.
Zou er een ideale voorbereiding bestaan op een concert? Minder meeuwen, en meer Rothko. Sorbets tussendoor. En misschien dat aromatherapie nog interessant is voor de complete synaesthetische ervaring.

14-11-14

Altijd wanneer ik de Nederlands-Belgische grens oversteek, van mijn woonplaats Brussel naar mijn geboorteland of terug, krijg ik berichtjes op een van mijn twee telefoons.‘Welkom in het buitenland.’ De andere telefoon heeft plotseling weer verbinding. Zo ben ik altijd half thuis, half in het buitenland.

In Brussel ben ik één van de velen die half thuis zijn. In de metro hangen bordjes: “Heeft u last van heimwee? Bel…” Wie pendelt tussen een oude, labyrintische volkswijk, waar de mannen vanaf tien uur ’s ochtends schaken in een bruin café, en de rijzige glazen raketten in het centrum, gelooft ineens in de kwantumtheorie: heden en verleden zijn tegelijk aanwezig, afstand en tijd zijn relatief.

Zo voelt het ook om in Den Haag te zijn. Je hebt de stationsbuurt, waar de treinen en trams onder-en bovenlangs tussen de bestuurstorens door schieten, de verstandige versie van een futuristische stad. En iets verderop de geruststellende bakstenen geveltjes, het viskraampje, en eenden op de grachten. Om de grens tussen deze twee werelden over te steken hoef je nauwelijks te reizen; je voelt alleen een lichte schok, als een hobbel in de weg.

Wanneer ik veel te vroeg bij het hotel kom, waarschuwt de jongen van de balie me. ‘Als u nu al incheckt, krijgt u wel een kamer met een bad.’ Ik antwoord beduusd dat ik later wel terug kom, en vraag me af waarom een bad zorgwekkend zou zijn. Misschien vanwege de ontwenningsverschijnselen bij thuiskomst?

Op straat word ik aangesproken door een magere man die me om geld vraagt. Hij trilt en komt veel te dichtbij. ‘Sorry, ik heb niks’, probeer ik. ‘Ik loop wel even mee naar de pinautomaat,’ zegt hij met grote ogen. Die automaat, dat is de magische poort naar een andere wereld, en ik heb het codewoord. Hij vloekt als ik niet mee wil. Ik laat hem achter op het plein.

Een van de attracties van een festival is het groepsgevoel. Geen hobbels in de weg: je bent onder gelijkgestemden. ’s Avonds in de lobby begroeten de andere Chronicles, vertalers en schrijvers, me met een discussie over de vertaling van het woord ‘gezellig’. Al snel wordt vastgesteld

  • dat het een groepsactiviteit beschrijft.

Een voor een komen de anderen naar beneden. Onderweg naar de festivalborrel, en later in het restaurant, vormen zich wisselende groepjes al naar gelang de taal die iedereen beheerst: ik zit in de Duitse hoek, spreek dan weer Frans of Nederlands, en steek bij twijfel over naar een Engels niemandsland.

  • dat je onderling op je gemak bent bij ‘gezelligheid’.

‘Dus hoe hebben jullie elkaar leren kennen?’

‘Eerst meer wijn!’

‘Je hebt genoeg gehad. Vertel.’

  • dat ‘gezellig’ ongeordend is; dat je de tijd vergeet.

‘Jullie stukjes moeten om 12:15 binnen zijn.’

‘Ik dacht 12:30!’

‘…’

‘Maar ik heb dat kwartier nódig!’

‘Welterusten.’

  • dat voorpret heel gezellig is.

In mijn hotelkamer bekijk ik het festivalprogramma. Ik strooi mijn spullen rond, open mijn schrift te midden van de rommel, en voel me thuis.

Proloog
04-11-14

Het was een genot om iets uit te doen. Ik begon met mijn gympen waar mijn voeten wit en klef uit tevoorschijn kwamen. Sandalentijd was over, vond mijn moeder. Maar eind oktober heerste er een zonderlinge warmte, die maar half van de laagstaande zon leek te komen, en half lag opgeslagen in het gloeiende zand waarop ik mijn kledingstukken een voor een liet vallen. Het koffertje waar mijn trompet in zat verstopte ik zo goed als het ging in het droge waaigras aan de voet van de naaldbomen.

De les was weer een ramp geweest. Mijn muziekleraar staarde me aan terwijl ik de trompet aan mijn mond zette en de druk liet oplopen achter opeengeknepen lippen.
‘Ik wacht wel. Neem vooral je tijd.’
Geen noot.
‘Hoe kan dit nou moeilijk zijn? Improviseren! Maakt niet uit wat.’
Hij was een roze, gedrongen man met lippen als postelastiek. Ik had al vier jaar les van hem, de laatste tijd zelfs elke dag, omdat de uitvoering van het schoolorkest aanstaande was.
Met mijn ogen dicht speelde ik een paar noten. Ik koos ze niet eens zelf, dat deden mijn vingers, die over de toetsen stommelden. Ze kenden de route half-half, als slaapwandelaars op zoek naar het toilet. Wat als ze in hun slaap geheimen prevelden?
‘Stop maar. Dat is ‘Round Midnight. Ik wil jou horen, niet Thelonious Monk.’
Hij spande zijn elastieken lippen en spoot een confettiregen van klanken door de kamer.

We hadden onze fietsen als richtingaanwijzers bij het hek laten staan. Twee damesfietsen, op de groei gekocht, met plastic bloemen om het stuur gewonden. Nu kwamen er twee jongens het zandpad afgelopen. Mijn vriendin kruiste haar armen en trok in één beweging haar volle bikini tevoorschijn.
In een half jaar tijd was ze zacht geworden aan de buitenkant van haar botten. In haar benen zag ik de naden van haar spijkerbroek en de ribbels van haar sokken staan. En nu begon ook mijn vlees als croissantdeeg te rijzen. Nog even en ik mocht me nergens meer aan stoten. Alle volwassen vrouwen waren zacht en voorzichtig.
Voor de jongens de waterkant bereikten, was ik het meertje ingelopen. Mijn knieën zag je al niet meer. Als ik bewoog, plooide het water zich als groen fluweel om mijn bovenbenen. Onder dat groene gordijn was het donker, koel, en stil. Met ingehouden adem liet ik me door de waterspiegel zakken. Het stof, de horzels en de jongens bleven achter.
Een tijd lang dreef ik in het midden van het meer, met mijn gezicht in de zon en mijn lijf in het donker. Onder water luisterde ik naar de trompetmelodie die ik instudeerde, en die afbrak bij het stuk dat ik straks voor een volle zaal moest improviseren.
Ik trapte met mijn voeten. Het water spetterde hoog op, parelend in de zon, als de blinkende tonen van een koperblazer. Een ogenblik hingen de muzieknoten stil in de lucht.
En plotseling voelde ik hoe het zijn moest. Ik zag de muziek en was de koningin van het bosmeer. Zo licht en vrij ging ik het straks spelen. Mijn muziek zou als een brief zijn, onleesbaar voor mijn roze muziekleraar maar gericht aan alle vrienden die mij nog niet gevonden hadden.
Toen ik begon te rillen zwom ik terug naar de kant. Het slib drukte zich tussen mijn tenen door. Mijn badpak was groen van de algen. Ik moest de blikken van de jongens verdragen, en ook dat ze meteen weer wegkeken.
Ik kleedde me aan, omslachtig achter een handdoek, en legde mijn handen op de gloeiende trompetkoffer. Over twee weken was de opvoering.