Hester Tollenaar
COLUMN III
DOOR Abdellah Taïa
21-11-2008

Donderdag 20 november. 00.45 uur
Mercure Hotel. Kamer 606

Hij stond op. Eigenlijk was hij best groot. Ik had me hem klein voorgesteld. Hij kwam de trap van de aula afgelopen. Ging naast de piano staan. Nu was hij niet ver van ons, van mij. Zijn aanvankelijke verlegenheid verdween meteen toen hij begon te lezen. Toen hij de literatuur binnenging. Toen hij de zijne, heel jong nog, overbracht. Hij trilde niet meer. De vastberadenheid overwon. Evenals de poëzie. De woorden die hij had geschreven en nu voorlas bereikten ons, duidelijk, snel. Ik hoorde ze; ik begreep ze niet. Waren ze in het Engels? Ik geloof van wel, maar dat deed er niet toe. Ik, een meter of twee bij hem vandaan, was overrompeld. Door hem. Een jongen tussen de jongeren van de International School of The Hague, die we vanmorgen bezochten om met hen te praten over schrijven, over boeken en over talen die zich vermengen, binnenin je en buiten je.

Hij was deel van de groep. Nu was hij alleen. Zichzelf. Rechtopstaand gaf hij zich vorm. Hij liet zien wie hij was. Met de woorden van zijn leeftijd. Zijn woorden, vervuld van wat hem eigen maakte, van zijn ontluiking, van wat hij op een dag zal worden, wat hij op een dag zal begrijpen. Morgen… morgen al. Hij verwoordde zichzelf openlijk. Tegenover de rechters die wij verondersteld werden te zijn.

Ik was geen rechter. Ik was, ik herhaal het, overrompeld. Door hem en door degenen die ik in hem herkende. De gekwelde charme van de adolescentie: dat was wat ik in hem zag; dat was waar hij me aan deed denken. Ik, op zijn leeftijd, ongelofelijk warrig, op blote voeten, al te vaak met een lege buik. Ik, degene die ik graag had willen zijn, hem. Op zijn leeftijd droomde ik, net als hij en anders dan hij. Vagelijk ontwaarde ik een jongen die op hem leek: mezelf en mijn dubbelgangers. In een andere taal, vooral niet in het Arabisch, de taal van de controle, van mijn analfabetische moeder. Die droom is deze ochtend waarheid geworden. Ik ben geen jongen meer. Ik ben nog een jongen.

Ik ben Engels. Ik draag geen naam. Ik ben zonder naam, zonder voornaam. Ik ben die Engelse jongen die naar Den Haag geëmigreerd is. Onbewust. Ruwe materie. Lijnen volgen. Liefde vinden. Van binnen. Naar buiten. Miskende charme. Onbezorgde charme deze ochtend. Rebel? Ziener? Dichter? Arthur Rimbaud?

Gus van Sant interesseert zich voor jongeren en hij heeft groot gelijk. Ik ga zijn films weer eens kijken: My own private Idaho, Gerry en Paranoid Park.

Natuurlijk heb ik niet met hem gepraat. Wat zou ik moeten zeggen? Zou ik hem raad moeten geven? Wat voor raad? Hij had mij niet nodig. Hij is op weg, zijn weg. Ik benijd hem.
Ik vond het leuk op de International School of The Hague. Heel even dacht ik dat ik er wilde blijven, er wilde werken, als docent, als meester. Overstappen naar de andere kant. Overdragen op een andere manier.

Weer droom ik. Ik doe niets anders. Het schrijven, in mijn hoofd en vooral mijn hart, van mijn verhalen. Mijn liefdes. De aanbidding.

Ik val in slaap. Ik schrijf slapend. In bed, onder de deken. Ik denk weer aan de Engelse jongen. En opeens heb ik zin om Oscar Wilde te zijn. Ik graaf in mijn geheugen. Ik zoek en vind dit moment: het Engelse mannetje dat me aankeek. Even voor het middaguur. Het duurde twee seconden. Dat is snel. Dat is voldoende voor de inspiratie.
Abdellah Taïa

PS. De vertaalsters die bij ons zijn praten onderling erg veel over hun werk, vergelijken zonder enige schroom hun technieken. Ze zijn niet bang. Dat verbaast me enorm. De schrijvers die ik ken, mezelf inbegrepen, houden vast aan hun zwijgen en hun bijgeloof.

PPS. Heel jammer: ik heb vanavond het optreden gemist van de geweldige zangeres Alela Diane.

PPPS. In het restaurant van het hotel heb ik een fles mineraalwater van Sourcy gestolen die ik prachtig van vorm vind.

Alle vertalingen van Hester Tollenaar
COLUMN III
21-11-08

Donderdag 20 november. 00.45 uur
Mercure Hotel. Kamer 606

Hij stond op. Eigenlijk was hij best groot. Ik had me hem klein voorgesteld. Hij kwam de trap van de aula afgelopen. Ging naast de piano staan. Nu was hij niet ver van ons, van mij. Zijn aanvankelijke verlegenheid verdween meteen toen hij begon te lezen. Toen hij de literatuur binnenging. Toen hij de zijne, heel jong nog, overbracht. Hij trilde niet meer. De vastberadenheid overwon. Evenals de poëzie. De woorden die hij had geschreven en nu voorlas bereikten ons, duidelijk, snel. Ik hoorde ze; ik begreep ze niet. Waren ze in het Engels? Ik geloof van wel, maar dat deed er niet toe. Ik, een meter of twee bij hem vandaan, was overrompeld. Door hem. Een jongen tussen de jongeren van de International School of The Hague, die we vanmorgen bezochten om met hen te praten over schrijven, over boeken en over talen die zich vermengen, binnenin je en buiten je.

Hij was deel van de groep. Nu was hij alleen. Zichzelf. Rechtopstaand gaf hij zich vorm. Hij liet zien wie hij was. Met de woorden van zijn leeftijd. Zijn woorden, vervuld van wat hem eigen maakte, van zijn ontluiking, van wat hij op een dag zal worden, wat hij op een dag zal begrijpen. Morgen… morgen al. Hij verwoordde zichzelf openlijk. Tegenover de rechters die wij verondersteld werden te zijn.

Ik was geen rechter. Ik was, ik herhaal het, overrompeld. Door hem en door degenen die ik in hem herkende. De gekwelde charme van de adolescentie: dat was wat ik in hem zag; dat was waar hij me aan deed denken. Ik, op zijn leeftijd, ongelofelijk warrig, op blote voeten, al te vaak met een lege buik. Ik, degene die ik graag had willen zijn, hem. Op zijn leeftijd droomde ik, net als hij en anders dan hij. Vagelijk ontwaarde ik een jongen die op hem leek: mezelf en mijn dubbelgangers. In een andere taal, vooral niet in het Arabisch, de taal van de controle, van mijn analfabetische moeder. Die droom is deze ochtend waarheid geworden. Ik ben geen jongen meer. Ik ben nog een jongen.

Ik ben Engels. Ik draag geen naam. Ik ben zonder naam, zonder voornaam. Ik ben die Engelse jongen die naar Den Haag geëmigreerd is. Onbewust. Ruwe materie. Lijnen volgen. Liefde vinden. Van binnen. Naar buiten. Miskende charme. Onbezorgde charme deze ochtend. Rebel? Ziener? Dichter? Arthur Rimbaud?

Gus van Sant interesseert zich voor jongeren en hij heeft groot gelijk. Ik ga zijn films weer eens kijken: My own private Idaho, Gerry en Paranoid Park.

Natuurlijk heb ik niet met hem gepraat. Wat zou ik moeten zeggen? Zou ik hem raad moeten geven? Wat voor raad? Hij had mij niet nodig. Hij is op weg, zijn weg. Ik benijd hem.
Ik vond het leuk op de International School of The Hague. Heel even dacht ik dat ik er wilde blijven, er wilde werken, als docent, als meester. Overstappen naar de andere kant. Overdragen op een andere manier.

Weer droom ik. Ik doe niets anders. Het schrijven, in mijn hoofd en vooral mijn hart, van mijn verhalen. Mijn liefdes. De aanbidding.

Ik val in slaap. Ik schrijf slapend. In bed, onder de deken. Ik denk weer aan de Engelse jongen. En opeens heb ik zin om Oscar Wilde te zijn. Ik graaf in mijn geheugen. Ik zoek en vind dit moment: het Engelse mannetje dat me aankeek. Even voor het middaguur. Het duurde twee seconden. Dat is snel. Dat is voldoende voor de inspiratie.
Abdellah Taïa

PS. De vertaalsters die bij ons zijn praten onderling erg veel over hun werk, vergelijken zonder enige schroom hun technieken. Ze zijn niet bang. Dat verbaast me enorm. De schrijvers die ik ken, mezelf inbegrepen, houden vast aan hun zwijgen en hun bijgeloof.

PPS. Heel jammer: ik heb vanavond het optreden gemist van de geweldige zangeres Alela Diane.

PPPS. In het restaurant van het hotel heb ik een fles mineraalwater van Sourcy gestolen die ik prachtig van vorm vind.

COLUMN II
20-11-08

Woensdag 19 november. 22.07 uur
Mercure Hotel, Kamer 606

Ik zit op bed. Alleen. Ik schrijf. Het rode polsbandje van de eerste dag, dat me toegang geeft tot alle plaatsen van het festival, zelfs backstage, heb ik zojuist afgedaan. Eindelijk voel ik me vrij. Vrij? Ja, vrij.

Ik ben met mezelf, in de avond. De kamer is donker. Ik ben niet bang: de uit Parijs meegebrachte amberkaars van Diptyque brandt. Ik ga de strijd aan met mijn angst. De angst die me achtervolgt sinds ik in Den Haag ben aangekomen (gisterenmiddag): mijn eerste kroniek voor Crossing Border te schrijven. Wat moet ik vertellen? Tja, wat zal ik eens vertellen?
Toe maar Abdellah, toe maar, vind maar iets gevoeligs, iets intelligents te zeggen, te delen. Niet zo verlegen doen.

Ik ben niet verlegen. Ik heb niets te vertellen.

Heeft dan niets van het festivalprogramma van vandaag indruk op je gemaakt?

Niets… Niets bijzonders! Echt!

Kom op, kom op, niet zo nukkig. Vertel. Niet teveel de bangerik uithangen die twijfelt, die huivert. Vertel. En niet weer alleen over jezelf. Van Abdellah T. hebben we echt genoeg. Abdellah hier, Abdellah daar. Hem kennen we nu wel. Zijn autobiografische romans hebben we allemaal gelezen. Tijd voor iets nieuws. Move on, man.

Maar dit is het enige dat ik kan: Abdellah blootgeven, dag na dag, jaar na jaar, boek na boek. Gekke Abdellah.

Vanavond heb ik geen zin om te luisteren naar het gejammer van die jongen die denkt dat hij een held is omdat hij in zijn moederland, Marokko, als eerste openlijk sprak over zijn homoseksualiteit.

Waar moet ik het dan over hebben?

Over de anderen. De andere mensen die je hier gisteren hebt ontmoet. De nieuwe gezichten. De onbekenden met wie je opeens vertrouwd bent.

Als dat is wat je wilt.

Dat is wat ik wil. Toe nou maar !

***

Helen Preston lijkt op de Amerikaanse actrice Sissy Spacek. Ze is er voor ons, de vier kroniekschrijvers. Voortdurend met een glimlach. Een mooie glimlach waarin haar wezen besloten ligt. Een glimlach die ik de hele dag door steeds weer zocht wanneer ik verdwaalde in het doolhof van gangen op het festival. Die brede, oprechte, misschien wel verlegen glimlach die nooit ver weg was. Die mij/ons de weg wees. Meer niet. Meer dan genoeg.

Helen is de heldin van het prachtige Badlands, de eerste film van de Amerikaanse regisseur Terrence Malick.

De vertaalsters. Alleen vrouwen. Alleen vrouwen! Shailoh. Rhian. Hester. An. Liesbeth. Anna. Met elkaar spreken we Engels. Ik spreek Engels, naar men zegt vrij goed. Maar ik heb het gevoel, in die taal, dat ik het niet ben die praat. Ik word een andere ik, een vreemde, geheel nieuwe ik: een acteur in een banale Amerikaanse film, een schreeuwerige uitslover. Dat maakt me allesbehalve trots. De complexen (minderwaardigheid, enz.) en neuroses (paniekaanvallen, tientallen keren per dag mijn handen wassen…) zijn er nog steeds: iedere keer dat ik in het Engels moet praten (geen keuze: er dient gepraat te worden), moet ik ze overwinnen, een opgave waarin ik echter nooit slaag. Slopend is het. Ik ben niet op mijn plek. Ik ben als een operazanger die op het podium staat en geen adem meer krijgt, maar ik moet blijven zingen. Anders blijven schrijven.

Mijn collega-kroniekschrijvers

Laia Fabregás, de Spaanse, maakt indruk. Toen ze tien jaar geleden in Nederland aankwam, sprak ze geen woord Nederlands. Nu spreekt ze de taal niet alleen vloeiend, maar heeft ze er zelfs haar eerste boek in geschreven, met de intrigerende, poëtische titel Het meisje met de negen vingers. Binnenkort verschijnt de Franse vertaling. Ik weet zeker dat ik het goed zal vinden, dat ik het zal verslinden. Ik ben jaloers op haar.

Federica Manzon komt uit Italië. Haar zwarte haar is prachtig. Zowel gisteren als vandaag had ik een paar keer ontzettende zin om het te strelen, ermee te spelen… Zou ik vóór het eind van het festival durven?

Chris Killen, de Engelsman uit Manchester, heeft een grote kwaliteit: zijn voornaam is dezelfde als die van een jongen op wie ik nu verliefd ben. Binnenkort zal hij een onbeschrijfelijk geluk kennen: de publicatie van zijn eerste roman, The Bird Room.

Ik: Abdellah Taïa, de Marokkaan. De oudste van het stel: 35 jaar. En ook de moslim.
In een eigen vorm. Die ik me toe-eigen.

Het is 00.30 uur. Ik ga er een punt achter zetten. Slapen. Dromen. De dag herbeleven. Eindelijk Den Haag goed bekijken. Het Arabisch terugvinden. Mezelf, in primitieve vorm. Terug naar de strijd, de oorlog van de talen in mij. Denken aan Marcel Proust en de raadselachtige zin uit Op zoek naar die door mijn hoofd spookt, uitgesproken door de hertogin De Guermantes tijdens een mondain diner: « China verontrust me! » Verontrust de stad Den Haag me? Nog niet. En Crossing Border? Voorlopig ben ik verdwaald in diens oneindige gangen. De schok moet nog komen. Ik lach niet. Ik ben serieus.

Tijd om te slapen! Welterusten! Sweet dreams!

Abdellah Taïa

P.S. Morgen brengen we een bezoek aan The International School of the Hague. Waarom weet ik niet, maar ik stel me die voor als de school in Elephant van Gus van Sant.

DUIZELEND
13-11-08

Ik schrijf mijn boeken in de Franse taal. Maar nooit, nooit, heb ik gevoeld dat die taal de mijne is. Hij behoort me niet toe. Ik ‘beheers’ hem niet. Hij komt niet natuurlijk, als vanzelf, in me op (en uit me). Ik spreek hem, schrijf hem, iedere dag in Parijs waar ik sinds tien jaar woon. Anderen zeggen dat ik een goed niveau heb. Ze prijzen me. Ik word er niet door geraakt. In mijn hoofd is het moeilijker, onduidelijker.

Ik huiver ten aanzien van de Franse taal. Sinds het begin, sinds de kindertijd, in Marokko, naakt, arm, niets te eten, geweld op dagelijkse basis, opgesloten in een lotsbestemming die de mijne niet was, die ik dubbel verloochende door mijn homoseksualiteit. Nee, het Frans, de koloniale, kille, intellectuele, mooie taal, is voorbehouden (nu nog steeds) aan de rijken van mijn eerste land. Lang geleden hebben ze me mijn ondergeschiktheid in die taal overduidelijk gemaakt. Mijn eeuwige vernedering. Ik kreeg er duizelingen van. En vreselijke complexen: steeds als ik begin te schrijven, duiken ze weer op. Steeds als ik schrijf, huiver ik van binnen, diep van binnen, daar waar ik mezelf niet ken. Maar toch blijf ik schrijven. Schrijven terwijl ik niet op mijn plek ben, triest, verliefd zonder te weten waarom, in strijd. Altijd in strijd. Schrijven, autobiografisch, vanuit mezelf. Mezelf, mijn ‘ik’. Ik, alleen, in paniek en dan in extase. Ik in de mensengekte, stil, hoorbaar. Ik naar de mensen toe, in mijn gekte, met mijn moeder en haar dictatuur waar ik niets aan kan doen.

Ik schrijf in het Frans. Het doet me pijn. Het geeft me afstand: ben ik dit nog wel? Ik gebruik segmenten van mijn leven, mijn levens, in Marokko, in Parijs. Ik reconstrueer ze, geef ze een nieuwe vorm. En ik hoop (biddend) dit: veranderen.

Ik schrijf in het Frans met een Arabische inslag die in mij zit. Ik schrijf Arabisch Frans. De taal en cultuur van Marokko. Dat wat ik heb meegekregen. Wat ik zonder het te weten, zonder het te willen, heb geleerd. Ik ben mijn eigen vertaler. Bewust en onbewust. Ik ben in overschrijding: ik geef me over, naakt, seksueel, ruw, teder zelfs tegen mijn wil, een kleine Marokkaanse Jean Genet. Steeds weer in de chaos. Die van de talen. Twee vijandige talen. De een niet voor mij, de ander heilig, te heilig. Iedere keer vertolk ik mijn leven opnieuw. Ik speel met mijn leven. Ik ben in de Toren van Babel tijdens diens val. Ik ben er ondersteboven van, letterlijk. Stomverbaasd. Verbouwereerd.

Schrijven helpt me niet om te leven, noch om mijn complexen te overwinnen, noch om van mijn neuroses af te komen. Schrijven betekent voor mij waarnemen hoe veelzijdig ik ben. Ambivalent. Bezeten. Overwonnen. Laatste mens. Eerste mens. In het bloed.

Met die instelling kom ik naar Crossing Border. Aan de slag met die denkbeelden in een andere taal. Onder invloed van andere ervaringen. Me overgeven aan een andere vertaler (vertaalster) dan ikzelf, een andere ‘overschrijder’. Die bij me binnen zien komen. Ik ben op voorhand gegrepen. Klaar om me te laten verslinden. Om mijn weg door de chaos voort te zetten. In volledige naaktheid. Ik ben niet bang om kou te vatten.