Niels ’t Hooft
Een significant verschil
05-11-2007

Ik ben vertaald naar het Japans en het Duits.

Naar het Japans – toen ik eens vragen stelde aan een videogame-ontwerper die
zelf geen Engels sprak. Zelfs mijn huis-tuin-en-keuken-Engels niet. Een tolk nam
deze taak voor zijn rekening, in realtime. Het was snel voorbij, maar het viel niet
te ontkennen: ik was vertaald.

Naar het Duits – met een heel boek tegelijk, toen mijn debuut ‘Toiletten’ net uit
was in Nederland. Ik heb dit altijd gezien als een cadeautje, want ik hoefde er niks
voor te doen. Niemand terugbellen, geen verkooppraatje houden, geen teksten
nakijken. Ineens was daar een groen-met-roze boekje met harde kaft – mooier
uitgevoerd dan het origineel – en stond er extra geld op mijn bankrekening.
Vaag herinner ik me een kopje thee gedronken te hebben met de vertaler. De
zon scheen, het was warm en ik hoefde alleen wat vragen te beantwoorden. Wat
ik nou bedoelde met dat rare grapje. Zulke dingen. Over de titel was nooit enige
discussie: ook in het Duits werd het ‘Toiletten’. Je sprak het alleen iets anders uit.

In Duitsland verkocht mijn boek beter en, zo lijkt het soms, had het ook meer
effect. Nog steeds krijg ik mailtjes van meisjes – altijd meisjes – die melden dat
mijn boekje ze aan het huilen heeft gebracht. Van Nederlanders heb ik zoiets
geks nog nooit gehoord. Misschien omdat Nederlanders minder vaak huilen of het
liever niet toegeven. Misschien zijn er zoveel Duitsers dat er altijd wel een paar
ontroerd raken. Of misschien is de vertaling beter dan het origineel.

Naar het Engels ben ik nooit vertaald, tot nu. (Op moment van schrijven loop ik
even vooruit op de feiten.)

Wel schreef ik ooit een Engels verhaal. Ik werkte tijdelijk in Frankfurt en had
bier gedronken met een collega – een Japanse Brit. Zo zie je dat alle talen in deze
column samenkomen alsof het niets is: een Nederlandse jongen in een Duitse
stad die bier drinkt met een Engelsman met Japanse ouders. Prachtig. Anyway,
als je een tijdje intensief Engels spreekt, krijg je het idee dat je zelfs in het Engels
denkt. Dus ik kwam thuis, aangeschoten, en besloot ook eens in het Engels te
schrijven. Geen succes. Daarvoor zijn mijn woordenschat en taalgevoel te klein.

Andersom geldt hetzelfde. Volgens mij denken veel Nederlandse jongeren dat
ze prima Engels kunnen. Vertalingen vinden ze stom, want Nederlands klinkt
kinderachtig en Engels stoer. Zelf maak ik me hier ook schuldig aan. Boeken
van Engelsschrijvende auteurs lees ik het liefst in de brontaal. Toch kan het niet
anders of ik krijg maar een deel van de nuance mee. Als ik een Nederlands boek
lees, dringt misschien 90% van de betekenis tot me door. Als ik een Engels boek
lees, schat ik, 70-80%. Behalve als de auteur James Joyce heet. Dan mag je er twee
nullen afhalen.

Laatst ondervond ik dit aan den lijve, dankzij ‘Guts’, van de Amerikaan Chuck
Palahniuk. Zo’n beetje het smerigste verhaal ooit geschreven. Er wordt gezegd
dat als Palahniuk dit verhaal voorleest, er altijd wel iemand flauwvalt. Maar toen
ik het een paar jaar terug las, dacht ik alleen: ja, het is smerig, maar toch niet zó
smerig?

Een tijd later kwam ik in contact met Palahniuks Nederlandse vertaler. Die wilde
mijn mening over zijn Guts-vertaling voordat het gedrukt zou worden en gaf
het me te lezen. Ik kan je vertellen, het sloeg in als een bom. Zorgvuldig naar
het Nederlands vertaald was Guts meer dan smerig: zelfs ik, met mijn maag
van staal, werd er misselijk van. Dat was dus die 10-20% extra woordenschat en
taalgevoel: het verschil tussen knal en KABOOOOOOM!!!!
Als iedereen elkaar net zo goed begrijpt als ik het Palahniuk-verhaal na
tussenkomst van een vakman, ligt wereldvrede binnen handbereik. Vandaar dat
ik wil voorstellen alle Engels-Nederlandse en Nederlands-Engelse communicatie
tijdens ons verblijf in Londen en Den Haag via geschreven briefjes en vaardige
vertalers te laten verlopen. Het verschil zal significant zijn.

Alle verhalen van Niels ’t Hooft
Epiloog
07-12-07

Op de website van Hassan las ik een reactie. Die luidde als volgt:

“Ik val niet graag collega’s af, maar wat een saaie stukken van die lui op dat CB-log, zeg. Allemachtig. Knal daar wat speed en mdma en coke en champagne of wat dan ook maar vooral talent in.”

Was geschreven door Niels Carels, blogger en romancier.

Ten eerste een opmerking over ‘talent’. Dat vind ik zo’n rotwoord. Talent is, zegt het woordenboek, een ‘aangeboren begaafdheid’. Door op een gebrek aan talent te zinspelen, suggereer je dat het niet meer te redden valt. Eigenlijk zeg je: wat ‘die lui’ op ‘dat CB-log’ ook doen, ze zullen nooit iets van waarde produceren.

Ik geloof niet in talent. Hoogstens in aanleg. Als in: statistisch gezien maakt een lange zwarte jongen een grotere kans om zich te ontwikkelen tot meisterbasketballer. Zo was ik, als stille grote broer van drie kwebbelende zusjes, waarschijnlijk eerder geneigd om op mijn kamer verhaaltjes te schrijven dan andere jongens van mijn generatie.

Wat we verstaan onder ‘talent’ is volgens mij de vaardigheid die we opdoen in onschuld. Voordat we het op school moeten leren – of terwijl we op school andere dingen zouden moeten doen. Zoals de krabbeltjes in de schoolschriftkantlijn van Crossing Border-illustrator Matthijs Sluiter.

Was dat saai? Mijn excuses. Ik heb de neiging de dingen een beetje te analyseren. Met nadruk op ‘een beetje’. Liefst met prettig voortkabbelende zinnetjes. Het spijt me als u daarvan in slaap valt.

Eerlijk gezegd vermoed ik dat Niels Carels gelijk heeft als hij zegt dat de stukken op het CB-log saai zijn. Ik heb me afgevraagd hoe dit komt en ik denk dat het te maken heeft met de opzet van het project. Picture this: je zet een groepje schrijvers en vertalers bij elkaar, laat ze enkele dagen brainstormen over een breed en abstract onderwerp als vertalen, en vraagt ze vervolgens hun diepste gedachten neer te pennen. Wat krijg je? Teksten die kolken van geestdrift en verdovende middelen? Of iets dat een groot deel van de buitenstaanders ontgaat?

Toen we optraden in de Poetry Society in Londen, gebeurde er iets bijzonders: we slaagden erin het publiek enthousiast te maken over ons onderwerp. Wellicht door de wijn die we eerder hadden gedronken of door de energie die vrijkomt bij het smeden van vriendschappen. Wellicht doordat mensen speciaal voor ons waren gekomen – de toegang was gratis, maar door op te dagen hadden ze in feite al in ons geïnvesteerd. Het voelde alsof we mensen voor het eerst echt lieten nadenken over een onderwerp dat ze normaal voor lief nemen. Er werd geluisterd en gelachen; er werden zelfs vragen gesteld. Maar goed, men kon geen kant op, want het was warm, krap en de uitgang werd versperd door een man met één been.

Contrasteer dat met Niels Carels, die met pilsje in de hand en piemel uit de broek ’s avonds laat van achter zijn pc nog even wat Crossing Border-blogjes meepikte. Hij plaatste onze blogjes in de context van alle dingen die hij op dat moment met zijn leven had kunnen doen. Een goede film kijken. Zich aankleden en de stad in gaan. Door zijn nieuwe boek bladeren.

Als internationale chroniqueurs hadden we de opdracht om te praten, na te denken, te schrijven en op te treden. Vooral dat laatste was spannend, maar we stonden niet alleen. In korte tijd kwamen we nader tot elkaar – maar misschien niet tot de gemiddelde bezoeker. In elk geval niet tot Niels Carels.

Het is tekenend dat ik Chronicles intuïtief blijf beschouwen als een sociaal experiment. En dus niet als fraaie kunst, boeiende wetenschap of onderhoudend entertainment. Zou dat anders kunnen? Is het mogelijk om een project als dit – in a nutshell: groep jonge writers in residence doet verslag van Crossing Border – interessant te maken voor een breed publiek? Dat is een interessante open vraag die ik met liefde doorgeef aan mijn opvolgers.

Althans, ík vind het een interessante vraag. Mocht Niels Carels hem saai vinden, dan heeft hij misschien wat speed, mdma, coke en champagne nodig. Of talent. Talent schijnt heel goed te werken.

Een goed vervolg
24-11-07

In The Empire Strikes Back maken we opnieuw kennis met Luke Skywalker, Han Solo, prinses Leia en al die andere bekende gezichten. De helden blijven zich ontwikkelen en beleven nóg spectaculairdere intergalactische avonturen.

Tegelijk heeft de toch wat frivole sfeer van de eerste Star Wars plaatsgemaakt voor iets duisterders. We ontmoeten de wijze Yoda en de kwaadaardige keizer laat zien dat Darth Vader niet de übervijand is, maar slechts een hulpje.

De film is dus vertrouwd, maar voegt ook extra lagen toe – ik ben niet de enige die het misschien wel het beste vervolg in de filmgeschiedenis vindt.

Crossing Border was dit jaar ook een vervolg, althans voor mij, en het deed me deugd dat ik er enkele vertrouwde personages tegenkwam. Om te beginnen natuurlijk de mensen van de organisatie – en de schrijver Hassan Bahara, die me gister in een mindbending twist toevertrouwde geen romans meer te willen schrijven. Het ding met Hassan is dat je nooit zeker weet of hij zo’n boude uitspraak meent. En dat waardeer ik, want zo ken ik hem, zoals ik ervan geniet als Han Solo weer eens eigenwijs uit de hoek komt.

Ook was daar het meisje dat – sorry, lang verhaal – vorig jaar op een foto tussen twee bedden gevallen bleek te zijn. Waarover ik een column schreef, waarna haar moeder me mailde – het meisje bleek lid van het Haagse bandje Mellow Yellow. Dit jaar zei zij “hallo” en merkte ik op dat ze minder haar had dan toen. How’s that for character development. Het meisje onthulde ook nog dat de vriendin die op de foto ogenschijnlijk een helpende hand toestak, haar in feite tussen de bedden duwde. Ze voegde een extra laag toe alsof het niets was. Nog een terugkerend personage: de enthousiaste jongen uit de havoklas waaraan ik vorig jaar tijdens Crossing Border vertelde over mijn schrijfwerk – waar ik óók een column over schreef. Hij vertelde dat hij al zes pagina’s van mijn boek had gelezen – en dwong me tot tweemaal toe een hippe handdruk met hem uit te wisselen. Dat soort dingen onderga ik gelaten.

Wat het verschil in sfeer betreft: dit jaar was inhoudelijker. Leerzamer. Door de workshops in Londen. Door de gesprekken over cultuurverschillen met Priya, Crista en Rhian. Door de discussiemiddag over literatuur in het onderwijs. Door de ontmoetingen met Jamilla, de vertaler Arabisch-Nederlands die afluisterwerk afwisselt met tolken bij de dokter, en Hetty, de tolkencoördinator bij de immigratiedienst.

Vorig jaar schreef ik dat iedereen op de laatste dag sprak in termen van, “Het was goed hè?” “Ja het was goed.” Ondanks dat we nog een heel avondprogramma voor de boeg hadden. Dat doe ik nu weer: het was een goed vervolg.

De machinetaal van het menselijk brein
23-11-07

Priya heeft er al over geschreven, maar: vertalen is uiteindelijk het essentiële, alledaagse proces dat plaatsvindt tussen taal, in welke vorm dan ook, en het menselijk brein. Ook als er geen overschakeling gemaakt hoeft te worden tussen, zeg, het Dinka en het West-Vlaams. Wie een boek leest verwerkt het geschreven woord naar zijn of haar persoonlijke beleving. Wat literaire vertalers doen is een ‘harde’ interpretatie aan het papier toevertrouwen, zodat andere lezers daar hun eigen interpretatie weer op los kunnen laten.

De Amerikaanse sciencefictionschrijver Neal Stephenson ontvouwt in zijn boek Snow Crash – naast een kick-ass actieverhaal – een aardige theorie over moderne talen als een soort hogere programmeertaal bovenop de universele machinetaal van het menselijk brein.

Voor de niet-programmeurs: zo werken computers. Programmeertalen als C++ stellen programmeurs in staat programma’s te schrijven met abstracte, maar nog enigszins als taal herkenbare, kreten. Een zogenaamde compiler werkt de code vervolgens om naar de basale commando’s waar een computerchip iets mee kan: instructies als optellen, aftrekken, bits een plekje geven, insteken, omslaan, doorhalen en af laten gaan.

Zo zou volgens Stephenson, of althans de linguist die een hoofdrol speelt in zijn boek, het menselijk brein ook werken. Hij haalt er zelfs de toren van Babel bij. Vóór dat bouwwerk vertrouwden de mensen op de oorspronkelijke breintaal. Ná de toren kwamen de verschillende ‘hogere’ talen er bovenop, van het Farsi tot het Antwerps.

Niemand kon elkaar meer verstaan, maar de overschakeling had ook voordelen. Volgens Stephenson – en hier wordt het pas écht sciencefiction – had de breintaal namelijk aanzienlijke beperkingen. Je kon er namelijk alleen commando’s mee geven. Weer een computerparallel: flarden programmeercode zouden als een virus rondzingen en ervoor zorgen dat de oude Soemeriërs braaf werkten op het land, broden bakten en ga zo maar door.

Natuurlijk is er in Snow Crash een bad guy die misbruik maakt van de breintaal. Door zich de eeuwenoude menselijke machinetaal eigen te maken, kan hij mensen als het ware herprogrammeren. Hij houdt ze in zijn greep en gebruikt ze om de wereld te veroveren. Held Hiro Protagonist steekt hier gelukkig een stokje voor – als ik het me goed herinner met behulp van vliegende skateboards en een flinke dosis explosieven.

Persoonlijk zie ik de machinetaal van het menselijk brein liever niet als een reeks commando’s. Eerder als een dynamisch landschap van emoties. Dat zou verklaren waarom een Duitser, die de vertaling van mijn boek op zich laat inwerken, net zoiets voelt als een Nederlandse lezer. De hogere programmeertaal is misschien anders, maar de machinetaal komt overeen. De emoties van de machinetaal zijn universeel.

Natuurlijk moeten er ook commando’s uitgestuurd worden, maar dat vergelijk ik liever met de accountancy-afdeling. Sure, ze doen hun werk vlijtig en zorgvuldig, en ik zou niet zonder ze kunnen. Maar om ze nou de touwtjes in handen te geven…

Windmill ophalen
22-11-07

Kunnen alle liefhebbers van de band Windmill hun hand opsteken? Ik weet dat jullie hier komen voor de band Windmill en niet voor de schrijver Niels ’t Hooft. Maar ik ga jullie toch voorlezen. En om te beginnen voorzie ik jullie van wat broodnodige context.

Ik doe mee aan een project genaamd Chronicles. Dat gaat over schrijven en vertalen. Vorig jaar was er ook al zo’n project. Met vier schrijvers – de zogenaamde chroniquers – banjerden we door Den Haag en over Crossing Border. We moesten columns schrijven en die columns voorlezen op het festival.

Vorig jaar suggereerde ik na afloop dat de chroniquers maar eens bands moesten gaan volgen. Op die suggestie reageerde Crossing Border head honcho Cees Debets als een vleermeisje op een begrafenisondernemer in trenchcoat – gillend en stuiterend. Dus nam ik me voor om de band Windmill op te gaan halen op Schiphol.

Dat zit zo. Het stond – en staat – in mijn geheugen gegrift hoe schrijfster Aukelien Weverling stond voor een enorme zaal vol liefhebbers van de band Razorlight en voorlas uit eigen werk. Dat deed ze prima, maar weinig mensen luisterden en er schijnt zelfs iemand “Stoppen, stoppen!” geroepen te hebben.

Mijn briljante ingeving was dat Aukelien die dag op had moeten trekken met Razorlight en daar een column over had moeten schrijven. Zo had ze al die liefhebbers kunnen vertellen dat de drummer nogal vaak – en diep – in zijn neus peutert.

Vandaag sta ik geprogrammeerd voor de band Windmill. Ik weet op moment van schrijven niet hoe groot de zaal is en hoe fanatiek en talrijk de liefhebbers van de band Windmill zijn, maar het leek me desondanks een goed idee om mijn idee in praktijk te brengen. Al was het vanwege het enthousiasme van Cees.

Helaas vernam ik vanochtend dat de band helemaal niet naar Schiphol kwam, maar per eigen vervoer zou arriveren. Daar ging mijn mooie plan. Ik kon nog wel de soundcheck bijwonen, maar dat is, I don’t know, gewoon niet waterdicht genoeg. Ik ben niet iemand die makkelijk een praatje maakt met nieuwe mensen, maar in het Crossing Border-busje, dat heen en weer rijdt naar de luchthaven, zou het me wel gaan lukken. Daar zouden de Windmillers toch niks anders te doen hebben dan vertellen over hún neuspeuterende drummer. Maar bij de soundcheck zou ik besluiteloos aan de zijlijn staan, onzeker of ik nou moest toehappen of niet.

Op het moment van schrijven is de soundcheck in volle gang. Het is een steenworp verwijderd van het café waar ik op mijn MacBook zit te typen. Maar ik geloof niet dat het me gaat lukken. Bovendien, mijn column is toch al af.

Het oog van de storm
21-11-07

Dit is het oog van de storm. Ik denk terug aan de vertaalavonturen in Londen en tegelijk probeer ik me iets voor te stellen bij wat komen gaat, op Crossing Border in Den Haag. Uit alle bovenborrelende flarden probeer ik een verrassend inzicht of een goeie grap te destilleren. Maar het wil niet echt vlotten.

Buiten wandelt iemand. Aan een tak van een boom bungelen wat dorre blaadjes – één flinke windvlaag en daar gaan ze.

Londen was mooi. Vooraf wist ik niet echt wat ik moest verwachten en het begin verliep stroef, maar het optreden in de Poetry Society op de laatste avond, de bonte avond zo je wilt, maakte veel goed.

Er gebeurt iets wonderbaarlijks als je mensen met gedeelde interesses een paar dagen bij elkaar zet en ze dwingt interactie te plegen: er ontstaat een band, kennis wordt overgedragen, processen worden in werking gezet. Misschien is dit voor veel mensen volstrekt vanzelfsprekend, maar ondergetekende houdt niet zo van clubs en verenigingen. Tot mijn verbazing ging ik zowaar een beetje houden van die mensen.

Maar goed, dit is dus het oog van de storm, en ik probeer mezelf deze column te laten schrijven. Maar de urgentie ontbreekt. Deze column is een van de vele klusjes op mijn lijst. Die allemaal écht moeten gebeuren, omdat er anders iemand boos wordt, althans in theorie. In de praktijk kan het allemaal ook morgen nog wel.

Misschien twijfel ik ook of ik het wel kán. Of ik de soort persoon ben die columns produceert. Vanochtend heb ik een stopcontact aangesloten in de badkamer, wat lijm tussen tegeltjes weggeschraapt (zodat ik binnenkort kan voegen), gestofzuigd en muurverf gekocht bij de Gamma. Ik ben vandaag van alles: electricien, lijmschraper, stofzuiger, verfkoper. Maar duidelijk geen schrijver. Logisch eigenlijk, want vandaag ben ik ook niet gesubsidieerd door fondsen die het woord ‘talentontwikkeling’ prettig vinden klinken.

Hoe anders was dat in Londen. Daar was ik een schrijver die schrijverdingen deed. Ik was er door al het gepraat over vertalen van overtuigd geraakt dat er zoiets bestaat als een waarheid over vertalen. Het was als een spijker in je voet – niets anders telt nog dan de pijn daar beneden. Het vertaalprobleem had zich in mijn rekenkamer genesteld en dwong me een column te schrijven waarin ik vol overtuiging wat manieren uiteenzette waarop een vertaling beter kan zijn dan het origineel. Met wiskundige precisie. Nou ja, een beetje.

Er was eigenlijk maar één probleem: na al het praten (en denken. En dromen) in het Engels vond ik het moeilijk om überhaupt nog in het Nederlands te schrijven. Juist omdat ik wist dat mijn tekst meteen vertaald zou worden. Mijn column begon daarom oorspronkelijk met het voorstel om het Nederlands maar gewoon op te heffen. Ik schrapte het alleen om gesubsidieerd over vertalen na te kunnen blijven denken.

Betere vertalingen
13-11-07

Ik ben in Londen om te praten over vertalen en vertaald worden. En niet alleen om te praten, kennelijk, want vooraf aan de groepsgesprekken kregen we gisteren allemaal een chique zwart Hema-schrift met harde kaft. Het ding is, ik heb er al die uren maar één zinnetje in geschreven.

Nu moet je weten dat ik iemand ben die de neiging heeft zich zorgen te maken over de vraag of wat hij doet wel netjes, wel correct is. En dus vreesde ik dat één zinnetje in zo’n mooi schrift te weinig zou zijn – een gegeven paard in de bek kijken, zoiets. Vervolgens wierp ik een blik op de overkant van de tafel en zag ik Priya en Crista naarstig pennen. Ze hadden al bijna een pagina vol. O jee.

Het kwam toch nog goed, denk ik. ’s Avonds, terug op mijn hotelkamer, tuurde ik in mijn schrift, naar dat ene zinnetje. Het drong tot me door dat, als ik juist dát had opgeschreven, het wel eens van belang kon zijn. Het waren de volgende woorden: “Ways in which a translation can be better than the original.” In het Engels, want na zo’n dag praten en denken in een andere taal, ga je het kennelijk ook schrijven.

Ik begon te mijmeren over manieren waarop een vertaling beter kan zijn dan het origineel. Iemand vertelde me eens dat Harry Potter beter is in het Nederlands dan in het Engels. J.K. Rowling zou leuke verhaaltjes kunnen verzinnen, maar die met weinig gevoel voor stijl aan het papier toevertrouwen. Vervolgens wist de Nederlandse vertaler van de sprookjesboeken er iets fraaiers van te brouwen. Da’s dus manier één, de stilistisch betere vertaling.

Manier twee is praktisch van aard. Stel de vertaler ontdekt dat de hoofdpersoon in één scène twee keer zijn jas uittrekt. Dat kan natuurlijk niet. Verandert de vertaler dit, dan wordt de vertaling zonder twijfel beter. Behalve als later in het boek blijkt dat er iets bijzonders aan de hand is met die jas.

Over manier drie hebben we het gisteren uitgebreid gehad, althans, over de negatieve variant. Hassan is bang dat de Duitse vertaling van zijn boek de plank gaat misslaan, omdat Duitsers volgens hem niks hebben met de problematiek die hij beschrijft, van jonge Marokkaanse Nederlanders. De gemiddelde Duitser zou de context van het boek niet snappen.

Maar wat als het andersom is? Wat als mijn tweede roman Sneeuwdorp de gemiddelde Siberiër op het lijf geschreven is, omdat de context die in Nederland ontbreekt, in Siberië toevallig wel aanwezig is? Deze manier vereist wel een gedachtensprong, want je moet de kwaliteit van een vertaling gaan bekijken als iets wat niet alleen wordt bepaald door de ‘stem’ van de vertaler, maar ook door het ‘oor’ van de lezer.

Manier vier vind ik het interessantst. Ik ben een liefhebber van de Japanse schrijver Haruki Murakami. Zijn vuistdikke meesterwerk heet De opwindvogelkronieken. Een boek met een opmerkelijke ontstaansgeschiedenis. Het bestaat uit drie delen, waarvan het eerste als feuilleton verscheen en vervolgens samen met deel twee werd uitgebracht als boek. Als je het leest is dit bijna onvoorstelbaar – deel twee eindigt met een ondraaglijke hoeveelheid vragen. Een jaar later schreef de auteur er uiteindelijk het derde deel achteraan, dat de boel mooi rond maakt.

Toen De opwindvogelkronieken werd vertaald naar het Engels, door de Amerikaan Jay Rubin, had die zo zijn bedenkingen. Hij vond bepaalde passages aan de lange kant en de overgang tussen deel twee en drie niet vloeiend genoeg. In overleg met Murakami heeft hij er toen het mes in gezet, met een gestroomlijndere roman als gevolg. Het mooie is dat Murakami Rubins wijzigingen vervolgens heeft overgenomen voor een definitieve Japanse editie – die later ook weer is aangehouden door de Nederlandse vertaler.

Gisteren hadden we het over ‘gemutileerde’ vertalingen waar op verzoek van de uitgever plassen pis en andere authentieke vunzigheid uit was gesneden, maar het kan dus ook anders. Beter.

Een significant verschil
05-11-07

Ik ben vertaald naar het Japans en het Duits.

Naar het Japans – toen ik eens vragen stelde aan een videogame-ontwerper die
zelf geen Engels sprak. Zelfs mijn huis-tuin-en-keuken-Engels niet. Een tolk nam
deze taak voor zijn rekening, in realtime. Het was snel voorbij, maar het viel niet
te ontkennen: ik was vertaald.

Naar het Duits – met een heel boek tegelijk, toen mijn debuut ‘Toiletten’ net uit
was in Nederland. Ik heb dit altijd gezien als een cadeautje, want ik hoefde er niks
voor te doen. Niemand terugbellen, geen verkooppraatje houden, geen teksten
nakijken. Ineens was daar een groen-met-roze boekje met harde kaft – mooier
uitgevoerd dan het origineel – en stond er extra geld op mijn bankrekening.
Vaag herinner ik me een kopje thee gedronken te hebben met de vertaler. De
zon scheen, het was warm en ik hoefde alleen wat vragen te beantwoorden. Wat
ik nou bedoelde met dat rare grapje. Zulke dingen. Over de titel was nooit enige
discussie: ook in het Duits werd het ‘Toiletten’. Je sprak het alleen iets anders uit.

In Duitsland verkocht mijn boek beter en, zo lijkt het soms, had het ook meer
effect. Nog steeds krijg ik mailtjes van meisjes – altijd meisjes – die melden dat
mijn boekje ze aan het huilen heeft gebracht. Van Nederlanders heb ik zoiets
geks nog nooit gehoord. Misschien omdat Nederlanders minder vaak huilen of het
liever niet toegeven. Misschien zijn er zoveel Duitsers dat er altijd wel een paar
ontroerd raken. Of misschien is de vertaling beter dan het origineel.

Naar het Engels ben ik nooit vertaald, tot nu. (Op moment van schrijven loop ik
even vooruit op de feiten.)

Wel schreef ik ooit een Engels verhaal. Ik werkte tijdelijk in Frankfurt en had
bier gedronken met een collega – een Japanse Brit. Zo zie je dat alle talen in deze
column samenkomen alsof het niets is: een Nederlandse jongen in een Duitse
stad die bier drinkt met een Engelsman met Japanse ouders. Prachtig. Anyway,
als je een tijdje intensief Engels spreekt, krijg je het idee dat je zelfs in het Engels
denkt. Dus ik kwam thuis, aangeschoten, en besloot ook eens in het Engels te
schrijven. Geen succes. Daarvoor zijn mijn woordenschat en taalgevoel te klein.

Andersom geldt hetzelfde. Volgens mij denken veel Nederlandse jongeren dat
ze prima Engels kunnen. Vertalingen vinden ze stom, want Nederlands klinkt
kinderachtig en Engels stoer. Zelf maak ik me hier ook schuldig aan. Boeken
van Engelsschrijvende auteurs lees ik het liefst in de brontaal. Toch kan het niet
anders of ik krijg maar een deel van de nuance mee. Als ik een Nederlands boek
lees, dringt misschien 90% van de betekenis tot me door. Als ik een Engels boek
lees, schat ik, 70-80%. Behalve als de auteur James Joyce heet. Dan mag je er twee
nullen afhalen.

Laatst ondervond ik dit aan den lijve, dankzij ‘Guts’, van de Amerikaan Chuck
Palahniuk. Zo’n beetje het smerigste verhaal ooit geschreven. Er wordt gezegd
dat als Palahniuk dit verhaal voorleest, er altijd wel iemand flauwvalt. Maar toen
ik het een paar jaar terug las, dacht ik alleen: ja, het is smerig, maar toch niet zó
smerig?

Een tijd later kwam ik in contact met Palahniuks Nederlandse vertaler. Die wilde
mijn mening over zijn Guts-vertaling voordat het gedrukt zou worden en gaf
het me te lezen. Ik kan je vertellen, het sloeg in als een bom. Zorgvuldig naar
het Nederlands vertaald was Guts meer dan smerig: zelfs ik, met mijn maag
van staal, werd er misselijk van. Dat was dus die 10-20% extra woordenschat en
taalgevoel: het verschil tussen knal en KABOOOOOOM!!!!
Als iedereen elkaar net zo goed begrijpt als ik het Palahniuk-verhaal na
tussenkomst van een vakman, ligt wereldvrede binnen handbereik. Vandaar dat
ik wil voorstellen alle Engels-Nederlandse en Nederlands-Engelse communicatie
tijdens ons verblijf in Londen en Den Haag via geschreven briefjes en vaardige
vertalers te laten verlopen. Het verschil zal significant zijn.