An de Greef
EPILOOG: VERTAALD ZIJN
DOOR Chris Killen
01-12-2008

Ik schrijf dit op zondagmiddag, ongeveer twee uur nadat ik per vliegtuig ben teruggekeerd naar mijn stille flat, die een ietwat lege indruk maakt. Ik kan nog niet goed uit mijn ogen kijken en mijn hoofd gonst nog van de Nederlandse stemmen.
Het was vreemd om in een taxi te stappen en gewoon met een man uit Manchester te praten.
Ik weet wel dat ik op het festival alleen maar Engels heb gesproken (nou ja, behalve gisteravond, toen ik mijn column van zaterdag heb voorgelezen in de Book ‘N’ Bar en me stotterend door dat stukje vertaling in ‘slecht Nederlands’ heb geworsteld, maar op de een of andere manier voelde dat als een ánder soort Engels; het Engels dat je spreekt tegen niet-moedertaalsprekers van het Engels, als je begrijpt wat ik bedoel. Nee? Ik weet het ook niet, hoor. Het is nog steeds een beetje chaos in mijn hoofd.
Vreemd. Ik moet op een gegeven moment een ‘epiloog’ schrijven voor het Chronicles-project en ik weet dat ik er langer over mag doen dan over de andere dagelijkse columns die ik heb moeten aanleveren, maar ik heb het gevoel dat ik het nu meteen moet doen. Dat komt waarschijnlijk doordat we de afgelopen drie dagen ‘s middags als gekken hebben zitten schrijven – meestal meteen aan het begin van de ‘vrije tijd’ die we vanaf ongeveer twee uur hadden – om elkaar dan om vijf uur in de lobby van het hotel te treffen met de column op een USB-stick, klaar om op de website te zetten en aan de vertaler te geven.
Ook al ben ik inmiddels terug in Manchester, ergens heb ik toch het idee dat ik dit stuk om vijf uur vanmiddag af moet hebben en het op de een of andere manier aan Helen, de organisator van de Chronicles moet geven.
Het was een fantastische ervaring.
Ik heb respect gekregen voor vertalers. Ik weet veel meer over hoe ze werken dan zes dagen geleden. Ik weet nu dat vertalingen je met allerlei probleempjes en vragen opzadelen en dat een vertaler die maanden aan een roman heeft zitten werken (met de tekst dag en nacht in zijn of haar hoofd) een boek net zo goed beschouwt als zijn of haar werk als de oorspronkelijke auteur. Op Crossing Border hadden de vertalers het volgens mij zwaarder. Terwijl wij onze columns elke dag om vijf uur moesten inleveren (waarna we de rest van de avond vrij hadden om rond te lopen, te drinken en bands te kijken), zaten de vertalers verschanst in hun kamer de hele nacht door te werken om hun vertaling de volgende ochtend om negen uur te kunnen inleveren. Dus petje af.
Fijn dat An en de anderen nu eindelijk hun slaap kunnen inhalen.
Zo, het is bijna vijf uur.
Ik voel dat ik nu móet stoppen met schrijven en mijn column ergens in moet leveren.
Ik denk dat ik deze tekst op een USB-stick zet, de trap van mijn flat af loop, naar de Lloyds-pub aan de overkant ga en hem aan een onbekende aan de bar geef.

[NB: Uiteindelijk heb ik de USB-stick aan een oude man met een grote, rossige baard gegeven, die een krant stond te lezen. Hij zei alleen maar: ‘Hartelijk dank,’ en stopte hem in de zak van zijn tweed jasje alsof het ‘de normaalste zaak van de wereld’ was.]

Alle vertalingen van An de Greef
EPILOOG: VERTAALD ZIJN
01-12-08

Ik schrijf dit op zondagmiddag, ongeveer twee uur nadat ik per vliegtuig ben teruggekeerd naar mijn stille flat, die een ietwat lege indruk maakt. Ik kan nog niet goed uit mijn ogen kijken en mijn hoofd gonst nog van de Nederlandse stemmen.
Het was vreemd om in een taxi te stappen en gewoon met een man uit Manchester te praten.
Ik weet wel dat ik op het festival alleen maar Engels heb gesproken (nou ja, behalve gisteravond, toen ik mijn column van zaterdag heb voorgelezen in de Book ‘N’ Bar en me stotterend door dat stukje vertaling in ‘slecht Nederlands’ heb geworsteld, maar op de een of andere manier voelde dat als een ánder soort Engels; het Engels dat je spreekt tegen niet-moedertaalsprekers van het Engels, als je begrijpt wat ik bedoel. Nee? Ik weet het ook niet, hoor. Het is nog steeds een beetje chaos in mijn hoofd.
Vreemd. Ik moet op een gegeven moment een ‘epiloog’ schrijven voor het Chronicles-project en ik weet dat ik er langer over mag doen dan over de andere dagelijkse columns die ik heb moeten aanleveren, maar ik heb het gevoel dat ik het nu meteen moet doen. Dat komt waarschijnlijk doordat we de afgelopen drie dagen ‘s middags als gekken hebben zitten schrijven – meestal meteen aan het begin van de ‘vrije tijd’ die we vanaf ongeveer twee uur hadden – om elkaar dan om vijf uur in de lobby van het hotel te treffen met de column op een USB-stick, klaar om op de website te zetten en aan de vertaler te geven.
Ook al ben ik inmiddels terug in Manchester, ergens heb ik toch het idee dat ik dit stuk om vijf uur vanmiddag af moet hebben en het op de een of andere manier aan Helen, de organisator van de Chronicles moet geven.
Het was een fantastische ervaring.
Ik heb respect gekregen voor vertalers. Ik weet veel meer over hoe ze werken dan zes dagen geleden. Ik weet nu dat vertalingen je met allerlei probleempjes en vragen opzadelen en dat een vertaler die maanden aan een roman heeft zitten werken (met de tekst dag en nacht in zijn of haar hoofd) een boek net zo goed beschouwt als zijn of haar werk als de oorspronkelijke auteur. Op Crossing Border hadden de vertalers het volgens mij zwaarder. Terwijl wij onze columns elke dag om vijf uur moesten inleveren (waarna we de rest van de avond vrij hadden om rond te lopen, te drinken en bands te kijken), zaten de vertalers verschanst in hun kamer de hele nacht door te werken om hun vertaling de volgende ochtend om negen uur te kunnen inleveren. Dus petje af.
Fijn dat An en de anderen nu eindelijk hun slaap kunnen inhalen.
Zo, het is bijna vijf uur.
Ik voel dat ik nu móet stoppen met schrijven en mijn column ergens in moet leveren.
Ik denk dat ik deze tekst op een USB-stick zet, de trap van mijn flat af loop, naar de Lloyds-pub aan de overkant ga en hem aan een onbekende aan de bar geef.

[NB: Uiteindelijk heb ik de USB-stick aan een oude man met een grote, rossige baard gegeven, die een krant stond te lezen. Hij zei alleen maar: ‘Hartelijk dank,’ en stopte hem in de zak van zijn tweed jasje alsof het ‘de normaalste zaak van de wereld’ was.]

TJA, ACH
22-11-08

Gisteravond heb ik de beloning voor het terugbrengen van mijn notitieblaadjes in een Tesco-tasje gestopt en volgens plan buiten bij de deur van Stage 1 gezet. Ik wilde net weggaan om naar een paar bands te kijken – Emmy the Great en daarna misschien de Fleet Foxes – maar toen werd ik nieuwsgierig en besloot ik bij de ingang te blijven rondhangen om bij het tasje te posten.
Ik kocht dus twee biertjes en deed net alsof ik stond te wachten op iemand die even naar het toilet was. Af en toe trok ik een levensecht ‘misnoegd’ gezicht, wierp een blik op mijn mobieltje om te zien hoe laat het was en keek zuchtend naar het plafond. Maar geen zorgen: ik verloor het Tesco-tasje geen moment uit het oog.
Om ongeveer kwart voor negen kwam er een oude heer aanlopen die er zachtjes tegenaan schopte. Hij keek over zijn schouder, boog zich toen heel langzaam voorover, deed het tasje open en keek erin.
Dat is hem, dacht ik en ik wilde al naar hem toe te gaan, hem een klap op zijn rug en een heel stevige hand geven, toen hij overeind kwam en schuifelend tussen het publiek verdween.
Kort daarna kwam er een tweeslachtig peutertje op de tas af, die zijn/haar hele hoofd erin stopte totdat de moeder doorhad wat het kind aan het doen was en hem/haar overeind rukte en een tik op zijn/haar handje gaf. Ik denk dat het tweeslachtige peutertje er misschien met een flesje douchegel in zijn/haar mond vandoor is gegaan, maar ik geloof toch niet dat dit mijn anonieme weldoener was.
Ondertussen had ik de biertjes allebei op en moest ik zelf naar de wc. Ik ben misschien twee minuutjes weg geweest, hooguit drie, maar toen ik terugkwam, was de tas weg.
Tja, dacht ik, zul je altijd zien, en met een gevoel van anticlimax liep ik naar de Fleet Foxes.
Vanavond sta ik op hetzelfde podium – het hoofdpodium – om een hoofdstuk uit mijn nog-nergens-gepubliceerde roman te lezen. Ik krijg tien minuten, vlak voor het optreden van Liam Finn en ik ben ervan doordrongen dat niemand een flauw idee heeft wie ik ben. Op het ogenblik is het ergste wat ik me kan voorstellen een soort pijnlijke, verveelde stilte met af en toe wat afkeurend gebrom of een publiek dat me bekogelt met glazen flesjes urine.
Ik kwam er vanochtend achter dat An, mijn vertaler, een belangrijk familiefeest ergens anders in Nederland heeft en ik vind het lullig dat ze vanavond weg moet bij dat feest om aan deze waardeloze column te werken en daarom heb ik besloten het haar wat makkelijker te maken en de rest zelf te vertalen met behulp van zo’n vertaalwebsite:
Hallo An, was werkelijk goed om u en het werk met u te ontmoeten. Dank aan alle dingen die wij en besprekingen die wij op het Overschrijden van Grens hebben gezien bijwoonden, ik heb een veel betere inzicht in en een eerbied nu voor de rol van de vertaler – het werkelijk klink als heel wat hard werk – en ik wens u alle beste in de toekomst.
(Als je het bovenstaande niet begrijpt, kun je het misschien op babelfish.yahoo.com – de site die ik heb gebruikt – weer terug veranderen in het Engels. Of misschien vertaalt An het in de Nederlandse versie wel naar het Engels…)

DANK JE, DANK JE, DANK JE
21-11-08

Ten eerste wil ik de grote onbekende die pagina 5-6 van mijn zelfgemaakte notitieboekje heeft teruggebracht hartelijk bedanken en een schouderklopje of onbeholpen kus op de wang geven. Niet te geloven dat iemand de moeite heeft genomen ernaar op zoek te gaan, maar net toen ik gisteravond wilde gaan slapen, hoorde ik geschuifel in de gang en het geluid van een papiertje dat onder de deur door werd geschoven. Dus ik sprong weer uit bed en holde naar de gang, maar de onbekende was al verdwenen.
Goed, toch bedankt, grote onbekende.
En als je toch nog aanspraak wilt maken op je beloning: ik ben van plan die rond acht uur bij de deur van Stage 1 neer te zetten. Het zit in een plastic Tesco-tasje dat ik heb gebruikt voor mijn vieze sokken en boxershorts.
Geniet ervan. Je hebt het verdiend.
Helaas ben ik er alleen nog steeds niet achter wat voor ‘opzienbarends’ ik op pagina 5-6 heb geschreven, want de woorden blijken onleesbaar. Eerst dacht ik – toen ik om drie uur ‘s nachts in mijn halfdichte ogen stond te wrijven – dat ik domweg een beetje te moe en te dronken was om het fatsoenlijk te kunnen lezen. Maar nu, in het nuchtere daglicht, zie ik dat het papier helemaal kleddernat is geweest en dat mijn woorden in een grote zwarte vlek zijn veranderd. (Ik ga ervan uit dat wat er ook op stond ervoor heeft gezorgd dat mijn anonieme weldoener in snikken is uitgebarsten toen hij/zij las wat erop stond.)
Ik kan het me voorstellen.
Ten tweede, mag ik alsjeblieft mijn excuses aanbieden voor de verkeerd geplaatste apostrof in de column van gisteren? Deze catastrofale fout is op de een of andere manier gemaakt in de woorden ‘smokers’ club’ (wat ik per ongeluk als ‘smoker’s club’ had geschreven, en An de Greef, mijn vertaler, was zo vriendelijk me daar vanochtend op te wijzen.) Het is inmiddels misschien al aangepast, maar het spijt me toch verschrikkelijk.
Vanochtend hebben we een praatje bijgewoond van een vertaler, Steven Zus-of-Zo, bij het Internationaal Gerechtshof en daar werd de vraag gesteld: ‘Wat doe je als de originele tekst slecht geschreven is? Neem je dan de slechte schrijfstijl over in je vertaling of maak je er, zeg maar, een elegantere versie van?’
Wat bij mij de vraag opriep wat An met die verkeerd geplaatste apostrof heeft gedaan.
Heeft ze hem laten staan?
Of is het haar taak om mij over te laten komen als een betere schrijver dan ik eigenlijk ben?
Ook vraag ik me af wat zij had zou doen als ik, zeg maar, de hele tijd, rammelende zinnen schreef. Dat misschien is een interessante vraag.
(Sorry, An, volgens mij heb ik je nu een beetje hoofdpijn bezorgd.)
Hoe dan ook, ik heb het tot nog toe best naar mijn zin op het Crossing Border Festival. Gisteren heb ik Louis Theroux zien lopen en hem per ongeluk even vreemd aangekeken. Ik ben naar een heel goed optreden van Cass McCombs geweest. Ik heb gezien hoe mensen zich een beetje begonnen te vervelen bij Death Cab for Cutie. En ik heb een paar Nederlandse collega’s gesproken die meedoen aan het project ‘Den Haag Verhalen’.
Goed, nu moet ik wat spullen uit mijn hotelkamer in dat Tesco-tasje gaan stoppen. Misschien laat ik er ook wel een sok in zitten, als ‘bonus’.

VERMIST: EEN VELLETJE PAPIER
20-11-08

Het festival is twee dagen bezig en het onheil heeft al toegeslagen.
Niet te geloven.
Het onvoorstelbare heeft plaatsgevonden: ik heb net ontdekt dat ik een van de blaadjes uit mijn ‘notitieboekje’ kwijt ben.
Mijn ‘notitieboekje’ bestaat uit drie memoblokjes met losse Mercure Hotel blaadjes. Het heeft geen voor- of achterkant en voor de oppervlakkige beschouwer ziet het er waarschijnlijk uit als een paar verfomfaaide willekeurige kassabonnetjes of een stukje wc-papier dat aan een schoen is blijven hangen. Maar het is nu donderdag en dit is de eerste ‘officiële column’ die ik zou moeten schrijven sinds ik dinsdag ben aangekomen en pagina 5-6 van mijn belangrijke notitieboekje is weg. Wat moet ik nu?
Op het ogenblik springt het van:
‘Heb internet aangesloten op mijn hotelkamer – op Facebook gekeken en me afgevraagd of ik de mensen die ik net in het echt heb ontmoet zal opzoeken om ‘vrienden’ met ze te worden.
Realiseerde me ook dat mijn overhemd raar ruikt…’ [p.4]
over op:
‘… een beetje een ‘rokersclubje’ – maak me zorgen dat de ‘beste’ gesprekken allemaal buiten mij om in het Nederlands plaatsvinden.’ [p.7]
Ik heb dan ook besloten een beloning uit te loven voor pagina 5-6 waarin waarschijnlijk allerlei verhelderende aantekeningen staan over alles wat ik heb gedaan sinds ik bij Crossing Border ben aangekomen: indrukken van het kleine akoestische optreden waar we dinsdagavond in de Border Kitchen naartoe zijn geweest, de filmpremière (Diary of a Times Square Thief) op woensdag, en van de andere schrijvers en de vertalers die ik heb ontmoet.
Yep. Hoe langer ik erover nadenk hoe meer ik eigenlijk besef dat ál het goede materiaal op pagina 5-6 moet staan: de schokkende onthullingen die de carrière van de andere schrijvers en de vertalers om zeep kunnen helpen, en de antwoorden op interessante vragen als ‘is een roman nog steeds jóúw werk als hij eenmaal vertaald is?’
Jongens toch. Het enige wat ik nog heb is het andere, doodgewone materiaal: de ongemakkelijke taxirit van het vliegveld, die een uur duurde terwijl niemand iets zei, mijn gedub over ‘fooi of geen fooi’, het aansluiten van mijn laptop en het bekijken van Facebook op mijn hotelkamer, en totale verwarring over hoe ik het op de een of andere manier voor elkaar heb gekregen een hele koffer ongewassen kleren in te pakken.
Wat vreselijk.
Als iemand dus een verfrommeld papiertje vindt met een officiële rode ‘M’ rechtsboven en zwarte krabbels – misschien zie je een oude man zijn neus erin snuiten tijdens de pauze tussen twee optredens of misschien heeft een kind er al bijna een vliegtuigje van gevouwen – dan beloon ik je graag met… eh… een paar officiële Mercure Hotel snoepjes (citroensmaak), een bijna leeg blikje ‘Sourcy’ koolzuurhoudend mineraalwater, drie flesjes ‘Tonus hair and body gel’ (eentje half leeg) en een bordje dat je aan je deur kunt hangen en waarop staat: ‘Graag de kamer schoonmaken’, in vier talen.
O ja, ik zit in kamer 301.
(Als je de beloning maar niks vindt, schuif het dan maar gewoon onder de deur door.)

VERTAALD WORDEN
13-11-08

Toen ik in een boekhandel werkte, trof ik zo af en toe klanten die er iets tegen hadden om vertaalde teksten te lezen. ‘Alle nuances gaan toch zeker verloren?’ voerden ze dan aan. Tot op zekere hoogte heb ik wel begrip voor hun standpunt. Als je fictie leest – en dat doe ik vaak – vanwege het plezier van hóé iets gezegd wordt, dan kun je toch zeker maar het beste alleen teksten in je eigen taal lezen?

Ik vind het leuk om naar zinnen te kijken, naar hoe ze opgebouwd zijn. Soms word ik zelfs enthousiast over interpunctie, over de intrigerende plaatsing van een komma, bijvoorbeeld. Als ik eraan denk met hoeveel genoegen ik iemand als James Salter lees – het soort schrijver in wiens werk alles draait om minuscule details, glasheldere zinnen, niets op de verkeerde plek – kan ik me niet goed voorstellen dat hij in vertaling tot zijn recht zou komen.

Ik kan het ook niet weten, want ik spreek, lees en schrijf alleen Engels. (Ik ben hopeloos in het leren van talen. Ik heb meerdere mislukte pogingen gedaan.)

Nu ga ik mezelf tegenspreken door te zeggen dat mijn favoriete schrijver ooit Knut Hamsun is, die ik alleen maar in vertaling heb gelezen. Als ik Hamsun lees, gebeurt er iets met me dat eigenlijk bij geen enkele andere schrijver gebeurt: het treft me fysiek. Ik moet hardop lachen als de hoofdpersoon lacht, ik moet opstaan en een beetje door de kamer lopen en daarna weer gaan zitten, ik moet op mijn knieën slaan en op mijn lip bijten.

Er lijkt een soort ‘geest’ in zijn werk te zitten die uitstijgt boven de taal waarin het is geschreven. Ik heb bijvoorbeeld inmiddels drie verschillende vertalingen van Honger gelezen en hoewel de ene misschien ‘beter’ leek dan de andere (d.w.z. hij las makkelijker), had ik nog steeds dezelfde emoties; met andere woorden, er sprak nog steeds dezelfde opstandige geest uit.

Mijn roman wordt volgend jaar vertaald in het Frans, Duits, Italiaans en Nederlands. Tot nog toe heb ik geen enkel contact gehad met de mensen die aan die vertalingen werken. Ik moet erop vertrouwen dat ze hun werk goed doen. Eigenlijk voelt de hele onderneming als een oefening in vertrouwen – zelfs als de boeken klaar zijn en gedrukt, en ik heb er een in mijn hand, moet ik maar gewoon trots zijn, ernaar knikken en hopen dat die mysterieuze vertalers hun werk goed hebben gedaan.

Dat is dan ook een van de redenen waarom ik uitkijk naar het Crossing Border Festival: ditmaal ga ik mijn vertaler echt ontmoeten. Ik zit vol tegenstrijdige gevoelens. Hoewel ik zojuist schreef dat de ‘geest’ van Hamsun duidelijk aanwezig was, zelfs in vertalingen (gemaakt door mensen die hem nooit hebben ontmoet), heb ik stiekem ook een beetje het idee dat mijn werk misschien beter vertaald wordt als ik mijn vertaler ook echt ontmoet en zij een idee krijgt van hoe ik ‘in elkaar zit’.

Ik vind het ook wel een beetje eng. Ook dit is een oefening in vertrouwen. Ik zal kennismaken met An de Greef en zij spreekt Engels, maar ik spreek geen Nederlands, en zodra ze deze tekst en mijn andere stukken heeft vertaald, moet ik er maar gewoon naar kijken, er trots op zijn en hopen dat ze haar werk goed heeft gedaan. En: stel dat ik tijdens het festival per ongeluk iets doe waar ze pissig om wordt, en zij reageert zich af op de vertaling van mijn stukken, door me een vreselijke stem te geven, door me dingen te laten zeggen die ik niet heb gezegd.

Ik zal het nooit weten.

Ik zal gewoon trots moeten knikken en blijven hopen, wat er ook gebeurt.