Ilse Barendregt
Epiloog
DOOR Guillaume Vissac
28-11-2014

Het komt onverwachts. Een paar dagen na je terugkomst uit Den Haag zijn ze er ineens, in een roman van Kurt Vonnegut : de ogen van de schildpadden van een tijdje terug, in een paar zinnen opnieuw tot leven gewekt. En, bij aankomst bij je voordeur zondagavond de 16e, nadat je letterlijk een weg uit het doolhof hebt gevonden, is het onmogelijk je sleutel in het slot te krijgen want het slot is vernieuwd. Hoewel je je echt op de juiste plaats in de huidige werkelijkheid bevindt, geeft het binnenwerk niet mee. Je bedenkt dat je weldra verslag uit zal moeten brengen en zal moeten vertellen wat je daar hebt beleefd, of nee, hebt doorlopen. Maar wees op je hoede: is het mogelijk om met concrete middelen nauwkeurig de afstand te meten tussen de werkelijkheid van een moment zoals dat door iemand is beleefd, en de werkelijkheid van dat moment in de herinnering, zoals die zich heeft vastgezet in de sponzige grijze massa van de persoon in kwestie als die, misschien wel vele jaren later, de bekende zin uitspreekt: ik herinner me? Ze zouden daar iets voor moeten uitvinden. Je moet de zeldzame momenten nog door waarin je samenvalt met jezelf, waarin je slechts een paar uur met iemand van gedachten wisselt, zonder vangnet, zonder ander schild dan dat van jouw vloeibare gestalte, zonder kunstgrepen in het spreken en zonder beperkingen in de keuze van de lettergrepen, omdat de tijd dringt, omdat het aftellen overal aanwezig is en zegt: het einde van dit moment nadert, alles moet nú gezegd worden, alles moet kloppen. Je herinnert je dat het regende, zoals het bij jullie allemaal van binnen regende. Je herinnert je dat je een scherm op je knieën aandeed, een halfuur voordat je weg moest om je tekst voor te lezen op het toneel; je weet dat je dat deed om je hoofd leeg te maken en je hartslag te beteugelen voor het uur U daar was, en er verschenen kleine, uit pixels bestaande personages en die zeiden dingen in de taal van Shakespeare. Je weet niet meer wat, maar het werkte: je hartslag kwam tot rust. Een van de personages was monnik; hij werd waarzegger. Je hebt je tekst voorgelezen in een zaal die heaven heette. Je hebt antwoord gegeven op de rechtstreekse vragen van iemand tegenover je. In diezelfde zaal heb je naar een concert van baarden gekeken. Je hebt lang gepraat met vrolijke lui en menselijke gezichten. Vervolgens, toen je schuilde voor de regen en je je digitale beest stroom en wifi voerde, kwam iemand op je af en vroeg, met het Frans in zijn mond en zonder enig accent: vous êtes Guillaume Vissac? Daar was de taxi voor het vertrek al. Voor de rest was er een rode trein in de donkere nacht, de ruimtesonde Philae in winterslaap en, aan het eind van het spoor, nog weer het ondergrondse Parijs, de terugkeer naar de grote dag van het vertrek en, meer in het algemeen, naar de plek waar je enkele uren eerder over had gezegd dat je daar in heel je leven het meest had gelezen. Natuurlijk vragen ze nu om je heen hoe het is gegaan, en jij antwoordt nauwkeurig met de eerder genoemde dingen, of een deel van die dingen. Maar voor het zover is moet je eerst de drempel over van de voordeur met het nieuwe slot. Je klopt. Er wordt opengedaan. Hoe is het gegaan ? Het was leuk. Ik heb m’n dingen voorgelezen in de heaven. Ik heb De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp gezien en daarna de lichtende zee. Ik heb dingen met lychee gedronken. 120 mg Eletriptan genomen. 80 mg Propranolol ratiopharm. Achttien croissants gegeten. Aardige mensen ontmoet. Soms de slaap uit mijn ogen gewreven. Mijn monnik is waarzegger geworden.

All translations from Ilse Barendregt
Epiloog
28-11-14

Het komt onverwachts. Een paar dagen na je terugkomst uit Den Haag zijn ze er ineens, in een roman van Kurt Vonnegut : de ogen van de schildpadden van een tijdje terug, in een paar zinnen opnieuw tot leven gewekt. En, bij aankomst bij je voordeur zondagavond de 16e, nadat je letterlijk een weg uit het doolhof hebt gevonden, is het onmogelijk je sleutel in het slot te krijgen want het slot is vernieuwd. Hoewel je je echt op de juiste plaats in de huidige werkelijkheid bevindt, geeft het binnenwerk niet mee. Je bedenkt dat je weldra verslag uit zal moeten brengen en zal moeten vertellen wat je daar hebt beleefd, of nee, hebt doorlopen. Maar wees op je hoede: is het mogelijk om met concrete middelen nauwkeurig de afstand te meten tussen de werkelijkheid van een moment zoals dat door iemand is beleefd, en de werkelijkheid van dat moment in de herinnering, zoals die zich heeft vastgezet in de sponzige grijze massa van de persoon in kwestie als die, misschien wel vele jaren later, de bekende zin uitspreekt: ik herinner me? Ze zouden daar iets voor moeten uitvinden. Je moet de zeldzame momenten nog door waarin je samenvalt met jezelf, waarin je slechts een paar uur met iemand van gedachten wisselt, zonder vangnet, zonder ander schild dan dat van jouw vloeibare gestalte, zonder kunstgrepen in het spreken en zonder beperkingen in de keuze van de lettergrepen, omdat de tijd dringt, omdat het aftellen overal aanwezig is en zegt: het einde van dit moment nadert, alles moet nú gezegd worden, alles moet kloppen. Je herinnert je dat het regende, zoals het bij jullie allemaal van binnen regende. Je herinnert je dat je een scherm op je knieën aandeed, een halfuur voordat je weg moest om je tekst voor te lezen op het toneel; je weet dat je dat deed om je hoofd leeg te maken en je hartslag te beteugelen voor het uur U daar was, en er verschenen kleine, uit pixels bestaande personages en die zeiden dingen in de taal van Shakespeare. Je weet niet meer wat, maar het werkte: je hartslag kwam tot rust. Een van de personages was monnik; hij werd waarzegger. Je hebt je tekst voorgelezen in een zaal die heaven heette. Je hebt antwoord gegeven op de rechtstreekse vragen van iemand tegenover je. In diezelfde zaal heb je naar een concert van baarden gekeken. Je hebt lang gepraat met vrolijke lui en menselijke gezichten. Vervolgens, toen je schuilde voor de regen en je je digitale beest stroom en wifi voerde, kwam iemand op je af en vroeg, met het Frans in zijn mond en zonder enig accent: vous êtes Guillaume Vissac? Daar was de taxi voor het vertrek al. Voor de rest was er een rode trein in de donkere nacht, de ruimtesonde Philae in winterslaap en, aan het eind van het spoor, nog weer het ondergrondse Parijs, de terugkeer naar de grote dag van het vertrek en, meer in het algemeen, naar de plek waar je enkele uren eerder over had gezegd dat je daar in heel je leven het meest had gelezen. Natuurlijk vragen ze nu om je heen hoe het is gegaan, en jij antwoordt nauwkeurig met de eerder genoemde dingen, of een deel van die dingen. Maar voor het zover is moet je eerst de drempel over van de voordeur met het nieuwe slot. Je klopt. Er wordt opengedaan. Hoe is het gegaan ? Het was leuk. Ik heb m’n dingen voorgelezen in de heaven. Ik heb De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp gezien en daarna de lichtende zee. Ik heb dingen met lychee gedronken. 120 mg Eletriptan genomen. 80 mg Propranolol ratiopharm. Achttien croissants gegeten. Aardige mensen ontmoet. Soms de slaap uit mijn ogen gewreven. Mijn monnik is waarzegger geworden.

17-11-14

Een rondtrekkende vriend en dichter heeft iets zachts en liefdevols geschreven, het gaat zo:

Op de deuren van de nachtwinkels – op de huid van degenen die zich staande houden – op de schermen van onze elektronica – op de regendruppels die langs onze huid wegvloeiden toen we op een nacht bij elkaar waren gebleven om elkaar verhalen te vertellen: tederheid.

Je denkt aan hem vanwege de baarden. Hier vind je folkgroepen met baarden. Rockgroepen met baarden. Hipsters met baarden. Baarden met baarden. Geldt er hier soms een beard code? Om de een of andere reden herhaal je voor jezelf ineens het woord eclectisch. In een museum heb je meerdere keren de route langs de werken gelopen, maar dan in tegengestelde richting (vervolgens weer met de stroom mee, vervolgens weer tegen de stroom in), omdat je steeds weer terug wilde naar de lichtende zee. Daar hebben ze je uit getrokken om je op het toneel te zetten, en op het toneel heb je je gebruikelijke pitch uitgesproken. Het is het verhaal van een gast die zijn hand is verloren en hem terug wil vinden. Je leest een fragment voor, maar laten we bij de pitch blijven. De zaal moet erom lachen en vervolgens, meer dan twee uur later, zeg je ter verduidelijking en in een taal die parallel loopt aan de jouwe: it’s not a funny book, no. Actually it’s fucking sad. Iemand begint over Charles Bukowski, maar zijn naam wordt op zo’n manier uitgesproken dat de man vervormd raakt en niet langer de Bukowski is die jij kent. Vingers tikken de naam voor je op het scherm van een telefoon die ‘magisch’ wordt genoemd. Binnen enkele ogenblikken verandert de schaduw van Bukowski in iets anders, bijt hij tussen zijn baard op zijn nagels en staart hij je geheimzinnig aan, met nerveuze zenuwtrekjes bij zijn ellebogen en polsen. Alweer een baard. Iemand zegt: heeft hij last van dwangneuroses? Iemand zegt: tiny dicks. Ze vragen of je soms drugs hebt gebruikt. Dat soort vragen zijn altijd lastig te beantwoorden. Vervolgens hoor je António Lobo Antunes langzaam iets zeggen, terwijl hij zijn hoofd op zijn nek laat ronddraaien en in het zwarte goud van je ogen staart. Hij zegt, zonder wat voor baard dan ook en als verblind door de schijnwerpers: he asked me if I was a fag. Alleen, in zijn taal en met zijn accent en op zijn leeftijd zegt hij niet fag, maar fang. Hij vroeg of ik een tand was. Wat is dat nu voor gekke vraag? En je weet niet wat zijn antwoord was. Je weet alleen dat de Nederlandse gastronomie in het frituurvet lijkt te zwemmen. Er is dat ene dat op een paardenlul lijkt en iemand rookt het als een sigaar en steekt het aan en rookt ermee en die rook heeft geen baard. In werkelijkheid heeft die rook geen rook. Hij is daar, hij kronkelt over de traptreden van een opgeslokte tijd waarin jullie het over whisky hebben, terwijl jullie geen van beiden whiskydrinkers zijn. Whisky, je zoekt het op via de spellingcontrole van de telefoon, schrijf je als whisky. Die heeft geen baard, nee. Het komt en gaat in je glas terwijl de stilte over je vlakke huid gonst. Je loopt meerdere keren langs de werken om steeds weer uit te komen bij de lichtende zee. Loopt meerdere keren langs de lichtende zee voor je opgaat in het geweldige werk met de titel Three worlds. Meerdere keren langs Three worlds voor je Three worlds voelt. Uiteindelijk blijft alleen dat over. Tederheid. Over elkaar geschoven werelden. Baarden en vreemde woorden. En nog eens tederheid.

 

 

15-11-14

Je bent het besef van de tijd en van de schildpadden kwijt. Je weet dat je door een paar ondergrondse gangen bent gelopen (ondergronds tot op zekere hoogte), door het doolhof van een omgekeerde piramide. De talen zijn hier ook omgekeerd. Het begint in de ene, en eindigt in de andere taal. Soms begrijp je er niks van. Bijvoorbeeld het optreden van twee schrijfsters, van wie de stemmen samenklinken met elektronisch geruis, van wie de kaken een vreemde taal spreken, en jij zit daar gefascineerd te luisteren naar de muziek van de dingen die een eigen leven leiden, los van de betekenis, los van de wortel die ze aan de aarde bindt. Goed, maar waar zijn die schildpadden? Want op een bepaald moment had iemand gezegd dat je dat ene met die schildpadden echt moest zien. De naam van de band betekende: vertrapt door schildpadden. Ergens was het zwart. Ergens was het rood. Oké, goed. Maar waar zijn die schildpadden ? En het was al net zo met het optreden van Iron & Wine, er was er maar één. Iron (of Wine). Nergens een schildpad te bekennen, niet op het toneel, en ook niet in de woorden die uit de monden klonken, maar op een gegeven moment nodigde Iron of Wine iemand uit op het toneel, iemand zonder achternaam, met alleen een voornaam, om samen met hem te zingen en, zoals hij het zelf zei, letterlijk in zijn baard brommend, to make him look good. Je bent de naam van die zangeres vergeten. Je weet alleen dat ze verscheen toen hij de lettergrepen uitsprak, en dat ze verdween toen hij haar bedankte. Je hebt meer oog voor de mensen op de achtergrond, van wie je nooit zo heel goed weet waarom ze daar zijn of wat ze daar doen. Wat je aantrekt is de helderheid van de schets. Met een schilderij is het net zo. Er is een mooi landschap te zien, het licht is zacht, maar jij bent enkel geïnteresseerd in de minuscule gedaanten op de achtergrond. Dan ga je zó dichtbij staan dat de verf aan dikte en dichtheid, of in één woord, aan textuur wint. Kijk maar. Kleine, donkere gestalten die uit enkele penseelstreken bestaan. Eén voor het lichaam en één voor elk been, elke arm. Zo af en toe misschien een wat ingewikkelder vorm vanwege een hoed. Eén penseelstreek voor een hele kudde dieren. Dat is alles. Gestalten. Waarom zijn die gestalten nergens met 3000% uitvergroot, zodat we alleen die kunnen bekijken? Of beter, waarom heeft de kunstenaar ze niet meteen zo geschilderd, op gigantische doeken, maar dan nog steeds met dezelfde heldere, bondige penseelstreken? Ook in dat geval zou je dicht bij het doek gaan staan, zó dichtbij dat het doek een verfbrij wordt, en je zou zonder te bewegen de kleinst mogelijke textuurelementen van de huid opsporen, een stofje, pigmentkorrel, glans of pixel. Na afloop van het bezoek een rondje door de museumwinkel om in een paar seconden alles voorbij te zien komen wat je eerder al had gezien, maar dit keer afgebeeld op de ronding van een mok, op het gezicht van een plastic eend of op een ansichtkaart. Voor je neus twee Braziliaanse schildpadden, met hun bek open, slechts één oog is zichtbaar, misschien zijn ze wel kwaadgezind. Ze stonden nergens in de museumzalen op een schilderij, dat weet je zeker. Hoezo dan? Waar zijn ze? Wat is het probleem met die schildpadden?

14-11-14

Je weet niet meer waar je het van hebt, wie het heeft uitgesproken of opgeschreven, met welk doel en in welke omstandigheden, maar iemand heeft ooit eens gezegd dat je er tijdens het schrijven beter aan doet om systematisch de eerste en de laatste zin te verwijderen, omdat je je eigenlijk nooit genoeg kunt losmaken van kunstgrepen die je als een baksteen in de taal doen wegzakken; meestal gaat het om een bepaalde draai of formulering, iets dat je, als je het vanuit de lezer bekijkt, laat zeggen shit hé, die woorden vormen niets dan eerste of laatste zinnen, het is geen literatuur, nee, het is marketing, die zinnen staan daar om je ogen in de tekst te duwen, als vingers in je huid, het is bijna obsceen; en toch ben je altijd wantrouwig geweest tegenover regels die moeten voorkomen dat je met de massa meegaat, omdat het er altijd op uitloopt dat je niet meer zo goed weet aan welke kant je staat, aan de kant van de norm of die van de iconoclast, zodat je maar al te vaak vertwijfeld achter je witte, hoekige beeldscherm zit, achter de opengesperde insectenkaken die naar je vingertoppen uithalen om er hun afdruk in achter te laten; en je bent nergens zeker van, je twijfelt, zoals de ingenieurs van het Europees Ruimte Agentschap gister twijfelden, terwijl ze met hun neus tegen de controlepanelen van ruimtesonde Philae gedrukt stonden, op het moment van de touchdown; of nog iets eerder, in die onzekere periode die via de schermpjes van onze onderling verbonden webcams omhoog borrelde, voordat bekend was of de sonde goed en wel was vastgekoppeld aan de komeet Chury; je kon zien hoe al die lichamen zich krampachtig in bochten wrongen, misschien hadden ze hun handen diep in hun zakken gestoken, misschien kraakten er vingergewrichtjes, misschien prikten ze zich in hun huid omdat ze als kind op die manier hun angsten te lijf gingen, omdat ze op die manier hun nachtmerries wegstopten onder geruststellende rituele handelingen, en misschien is een van die ingenieurs plotseling werktuiglijk gaan nagelbijten, terwijl hij of zij, ongeacht zijn of haar taak trouwens, dat al in geen tijden meer had gedaan, omdat het hem of haar was gelukt om van het nagelbijten af te komen, na de kilometerslange krachtsinspanningen, jaren van therapie en vele liters zweet die nodig waren geweest om de eersteklas dwangneuroses die onze zenuwen aanvreten af te kunnen weren; en bedenk dan dat die persoon, door simpelweg het hoofd op te richten om een zuchtje wind van de airco op te vangen en het in de gapende leegte van zijn of haar blik op te nemen, misschien wel de contouren van een camera zag en dacht, goeie hemel, de hele wereld kijkt naar me; en de wanhoop van een seconde die direct op het netvlies van het web wordt geprent slaat diep in je borstkas, want weet je, misschien is het af en toe best oké om terug te vallen op rituele handelingen die het teveel aan bloed dat naar ons hoofd stroomt afvoeren, misschien is het zo erg niet om bang te zijn om bang te zijn, misschien kun je enkel de moed opbrengen om de regel te vergeten die voorschrijft dat je de eerste en de laatste zin moet verwijderen, zoals je dat nu ook doet, want het is niet altijd marketing, nee, het is iets anders, je weet alleen niet wat.

Proloog
04-11-14

Als ze je vragen wat je daar uit gaat spoken, antwoord je dat je het niet weet. Je hebt de website uiteraard gezien. Ze vragen je om iets te schrijven. Je hebt een witte pagina geopend in het witte kader van de verlichte MacBook, de regelafstand heb je op 1.5 gezet en je hebt een velletje papier weggegooid, ook al wit, waarop iemand (jijzelf waarschijnlijk) heeft geschreven Marc z.s.m. terugbellen. Maar Marc is al z.s.m. teruggebeld want dat velletje ligt er al maanden. Toch kun je er niet toe komen om het weg te gooien, dat velletje: je weet niet eens wat het daar doet. Het behoort noch tot het heden, noch tot de ruimte die de jouwe is wanneer je de mandibels van de witte laptop activeert. Maar dat heb je niet gezegd. De vraag is je trouwens ook niet gesteld, en witte laptops hebben geen mandibels. Het woord mandibel, als aanduiding voor insectenkaak, is door een ander uitgevonden om naar nog weer andere werkelijkheden te verwijzen dan de jouwe (en toch gebruik je het). Op de voorkant van het velletje had je in rood op wit, met viltstift, een duivelshoofd getekend, en zoals zo vaak was je, met je tekenkwaliteiten die jammer genoeg zijn wat ze zijn, halverwege gestopt, uit angst om het afbeeldingsproces te voltooien. Laatst zei je alles put me uit. Het gaat mijn krachten te boven. Alles mat me af en zelfs iets bedrieglijk eenvoudigs kan ik niet. Vraag: wat dan bijvoorbeeld? Antwoord: antwoord geven op deze vraag. Soms zou je willen dat het antwoord op willekeurig welke vraag met graffiti op een muur van de stad geschreven stond en dat die muur in jouw plaats zou spreken (want muren hebben monden van verf, waarmee ze probleemloos kunnen uitspreken wat menselijkerwijs niet hardop kan worden gezegd). Bijvoorbeeld de liefde is dood. Het holt van muur tot muur door Parijs. En vlakbij de Galeries Lafayette, deze zin: wij conformeren niet. Maar wie zit er achter die graffiti? Welke ogen, welke gezichten? Je hebt nog nooit een verfspuitbus aangeraakt. Waarom zou je ook als je de duivels die uit de spray komen niet weet te voltooien? Misschien is het een kwestie van zelfvertrouwen? Misschien heeft het met bijgeloof te maken, zoals wanneer je met een knokkel op tafel klopt en, bij wijze van nabootsing, afkloppen zegt. Of wanneer je hetzelfde doet, maar dan in bedekte vorm, met de knokkel in je vuist en je vuist in je vuist, tijdens een wedstrijd, welke wedstrijd dan ook, vlak voor een corner of een gevaarlijke vrije trap, op de rand van het strafschopgebied zoals de stemmen van de kenners op tv zeggen, en jij, in de taal van je gedachten, zonder je mond te openen of een klank uit te stoten, herhaalt: ze scoren niet. En meestal werkt dat. Als dat niet zo is, zal niemand het hele palet aan kleine handelingen die instinctief uit bijgeloof voortkomen in twijfel trekken. Toch gebeurt er wel degelijk iets als ze scoren. Het duurt misschien slechts een fictie van een seconde, maar dat is lang genoeg om de betekenis van de wereld, zoals we die geconstrueerd dachten te hebben, aan het wankelen te brengen. In het bijzonder: weet je zeker dat je Marc destijds hebt teruggebeld? En waarvoor dan?