Liesbeth Dillo
MET ALLE INDRUKKEN NAAR HUIS
DOOR Federica Manzon
01-12-2008

Ik heb een paar dagen gewacht met het schrijven van deze laatste regels, omdat ik alle herinneringen aan ontmoetingen, ervaringen en mensen even rustig wilde laten bezinken. Maar zo is het niet gegaan.
Sinds ik weer terugben, vraagt iedereen die ik ken me voortdurend of het gelukt is met de Chronicles, en aangezien ik bij een uitgeverij werk komen veel vragen van zogenaamde ‘deskundigen’ die mijn woorden op een goudschaaltje wegen.
Als ik er kort en geestig over probeer te vertellen, vraag ik me af of die paar dagen eigenlijk wel in een paar minuten zijn samen te vatten. De aantekeningen van Chris – deels kwijtgeraakt maar toch onderdeel van zijn verhaal gebleven. De vraag van een meisje op de internationale school: ‘Is het niet eng om schrijver te zijn?’ Ik weet niet eens of je een schrijver ‘bent’ of dat het meer iets is wat je ‘doet’. De afscheidsbrief van Abdellah die ik ‘s ochtends vroeg voor mijn deur vind, terwijl ik me haast om het vliegtuig te halen en Den Haag nog in een besneeuwde stilte ligt te slapen. De lunches en diners met de vertalers die handig van de ene taal op de andere overgaan en altijd begrijpen wat we zeggen. Laia die op een concertpodium voorleest uit haar roman en het Nederlands dat zo op het Duits en Engels lijkt dat ik bijna het gevoel heb het te begrijpen. Dan realiseer ik me dat ik inmiddels niet eens meer weet wat ieders moedertaal is, hier telt alleen onze gemengde voertaal, die helpt bij het doorgeven van betekenissen en het opbouwen van relaties.
Dus als ze me in Italië vragen wat het allerleukste van het festival was, antwoord ik beslist de internationale sfeer, het idee dat het echt mogelijk is de grenzen van een enkel land, van een enkele taal te overstijgen, niet door je eigen identiteit te verliezen, maar door te leren leven op de grenzen met andere landen en andere talen. Het doet me denken aan een boek dat ik op de universiteit heb gelezen van een Franse auteur, meer Parijzenaar dan alle Parijse auteurs bij elkaar, maar geboren in Algerije. Hij stelde dat alle werkelijk belangrijke dingen zich altijd in de marges afspelen, op de grenzen van een territorium, op de grenzen tussen talen of volkeren, en nooit in het centrum. Dat lijkt me de belangrijkste les die ik van het Crossing Border evenement heb opgestoken: het idee van een festival dat een mix maakt van kunst en talen, van uitdrukkingsvormen en nationaliteiten, en iets nieuws creëert. Dus als me in Italië wordt gevraagd in één woord te zeggen wat het beste was aan het festival in Nederland, antwoord ik zonder aarzeling: ‘De mix’. Overigens toen Barack Obama werd gevraagd wat voor hondenras hij voor zijn dochters zou kiezen, wist de nieuw gekozen president een intelligent antwoord te formuleren op een stomme vraag en zei: ‘Een bastaard, net als ik.’

Alle vertalingen van Liesbeth Dillo
MET ALLE INDRUKKEN NAAR HUIS
01-12-08

Ik heb een paar dagen gewacht met het schrijven van deze laatste regels, omdat ik alle herinneringen aan ontmoetingen, ervaringen en mensen even rustig wilde laten bezinken. Maar zo is het niet gegaan.
Sinds ik weer terugben, vraagt iedereen die ik ken me voortdurend of het gelukt is met de Chronicles, en aangezien ik bij een uitgeverij werk komen veel vragen van zogenaamde ‘deskundigen’ die mijn woorden op een goudschaaltje wegen.
Als ik er kort en geestig over probeer te vertellen, vraag ik me af of die paar dagen eigenlijk wel in een paar minuten zijn samen te vatten. De aantekeningen van Chris – deels kwijtgeraakt maar toch onderdeel van zijn verhaal gebleven. De vraag van een meisje op de internationale school: ‘Is het niet eng om schrijver te zijn?’ Ik weet niet eens of je een schrijver ‘bent’ of dat het meer iets is wat je ‘doet’. De afscheidsbrief van Abdellah die ik ‘s ochtends vroeg voor mijn deur vind, terwijl ik me haast om het vliegtuig te halen en Den Haag nog in een besneeuwde stilte ligt te slapen. De lunches en diners met de vertalers die handig van de ene taal op de andere overgaan en altijd begrijpen wat we zeggen. Laia die op een concertpodium voorleest uit haar roman en het Nederlands dat zo op het Duits en Engels lijkt dat ik bijna het gevoel heb het te begrijpen. Dan realiseer ik me dat ik inmiddels niet eens meer weet wat ieders moedertaal is, hier telt alleen onze gemengde voertaal, die helpt bij het doorgeven van betekenissen en het opbouwen van relaties.
Dus als ze me in Italië vragen wat het allerleukste van het festival was, antwoord ik beslist de internationale sfeer, het idee dat het echt mogelijk is de grenzen van een enkel land, van een enkele taal te overstijgen, niet door je eigen identiteit te verliezen, maar door te leren leven op de grenzen met andere landen en andere talen. Het doet me denken aan een boek dat ik op de universiteit heb gelezen van een Franse auteur, meer Parijzenaar dan alle Parijse auteurs bij elkaar, maar geboren in Algerije. Hij stelde dat alle werkelijk belangrijke dingen zich altijd in de marges afspelen, op de grenzen van een territorium, op de grenzen tussen talen of volkeren, en nooit in het centrum. Dat lijkt me de belangrijkste les die ik van het Crossing Border evenement heb opgestoken: het idee van een festival dat een mix maakt van kunst en talen, van uitdrukkingsvormen en nationaliteiten, en iets nieuws creëert. Dus als me in Italië wordt gevraagd in één woord te zeggen wat het beste was aan het festival in Nederland, antwoord ik zonder aarzeling: ‘De mix’. Overigens toen Barack Obama werd gevraagd wat voor hondenras hij voor zijn dochters zou kiezen, wist de nieuw gekozen president een intelligent antwoord te formuleren op een stomme vraag en zei: ‘Een bastaard, net als ik.’

OVER LITERAIRE GEMEENSCHAPPEN GESPROKEN
22-11-08

Ik dacht dat ik het onderwerp uiteindelijk nog wel zou kunnen omzeilen, en de lezers van deze regels niet zou hoeven vervelen met bespiegelingen over schrijven en schrijvers. Als we tijdens de lunch vandaag andere schrijvers en vertalers ontmoeten, komt het onderwerp daarentegen onvermijdelijk weer ter sprake. Als vanzelf duikt het ingewikkelde vraagstuk van literaire gemeenschappen op. En Helen vraagt ons jonge schrijvers of wij het belang daarvan inzien.
Chris geeft antwoord, en terwijl hij over de situatie in Engeland vertelt, realiseer ik me dat het in Italië anders ligt, dus misschien is het de moeite waard daar enkele woorden aan te wijden.
Ik werk in Italië mee aan de organisatie van een literair festival en word ook regelmatig uitgenodigd voor andere vergelijkbare evenementen, die erg in de mode schijnen te zijn. Toch heb ik na afloop, ook als het geweldig was en goed georganiseerd, het gevoel dat het geen zin heeft gehad. In plaats van met elkaar in discussie te gaan en ideeën uit te wisselen, nemen de aanwezige schrijvers elkaar taxerend op, gaan na hoeveel exemplaren ieder van hen heeft verkocht, hoeveel recensies er zijn verschenen, en in hoeveel talen ze zijn vertaald. Wat overblijft is een ontmoeting tussen schrijvers die elkaar met jaloezie en achterdocht bespioneren. Ze doen alsof ze deel uitmaken van een literaire gemeenschap, maar willen elkaar eigenlijk alleen maar overtreffen, en zelf een stuk van de markt binnenhalen. Daarom zou ik Helen ontkennend willen antwoorden: ik geloof niet in het nut van een literair netwerk. Het werk van schrijvers zou eenzaam en privé zou moeten zijn, afgeschermd van al die spanning van ontmoetingen, van ‘faire communauté’ zoals Nancy zou zeggen.
Als ik er beter over nadenk, kom ik daar toch op terug. Na een festival als Crossing Border herzie ik mijn mening, want hier ontmoet je auteurs van verschillende nationaliteiten, die oprecht geïnteresseerd zijn in elkaars ideeën en werkwijzen, en positief nieuwsgierig staan ten opzichte van elkaars werk.
Dus denk ik dat er wel behoefte is aan een literaire gemeenschap, maar dat die zo groot mogelijk moet zijn om succes te hebben, minstens van Europees formaat. Zo loop je niet het risico dat het een ‘familieaangelegenheid’ wordt, waar men elkaar in de gaten houdt, controleert wie er wel is en wie niet, en waar wordt geroddeld. Dan is er pas echt gelegenheid tot uitwisseling en (ook) tot lol hebben.
Nu is het dan zover: het is tijd voor een misschien wat naïeve gedachte die al sinds het begin van mijn dagen hier in Nederland door mijn hoofd spookt, en waaraan jullie misschien hoopten te ontsnappen. Ik houd het kort.
Als een jonge schrijver in Italië een festival bijwoont, wordt er op twee manieren naar hem gekeken: afkeurend en argwanend als zijn boek goed verkoopt, en onverschillig als het niet verkoopt. Na afloop gaat de jonge schrijver somber en ontmoedigd weer naar huis, mopperend op de wereld van de literatuur en de uitgevers, en heeft hij niets geleerd. Bij gegelegenheden zoals Crossing Border wordt de jonge schrijver echter meegesleept door onverwachte dingen. De vertalers nemen de nuances van zijn taalgebruik en stijl serieus, en hij kan met hen praten en indrukken delen, de andere schrijvers zijn over het algemeen nieuwsgierig en geïnteresseerd, en hij kan ongedwongen zijn ervaringen met hen delen zonder op zijn hoede te hoeven zijn, de organisatoren zijn tot in de puntjes voorbereid en razend enthousiast. In zo’n geval gaat de jonge schrijver naar huis met een heleboel nieuwe ideeën, verheugd over de leuke dagen die hij heeft gehad en de vele dingen die hij heeft gedaan, en iets minder autistisch en eenzaam dan voorheen. En waarschijnlijk, dat wil ik tenminste graag geloven, schrijft hij dan ook beter.

SCHRIJVERS, ALS JE BEGRIJPT WAT IK BEDOEL
21-11-08

Eigenlijk had ik beloofd te vertellen welke indruk de ontmoeting met andere jonge schrijvers op me heeft gemaakt. Daar ben ik gisteren blijven steken, en zou ik nu dus verder moeten gaan, maar in de tussentijd is er al weer zoveel gebeurd. Daarom laten we het verhaal over de jonge schrijvers (dat jullie misschien wel een beetje saai vinden) nog even zitten, want ik moet opschieten en actueel blijven.
Vanochtend hebben we een bezoek gebracht aan het Vredespaleis, een gewichtige en officiële plek, die een sfeer van traditie en etikette ademt. Het is helemaal gebouwd met materialen uit verschillende landen: Italiaans marmer, Duits ijzer en Amerikaans hout. Op de een of andere manier zag ik in het gebouw de betekenis van ons verblijf hier besloten liggen: een mengelmoes van identiteiten en verschillen, van musici en schrijvers, van artiesten van verschillende nationaliteiten, die allemaal in de stad rondlopen, elkaar tegenkomen, kletsen en ideeën uitwisselen, en (al is het maar voor even) samen iets opbouwen.
In een officiële, stijlvolle kamer hebben we zitten luisteren naar een vertaler die vertelde over zijn werk. Een vertaler van documenten en officiële akten, eigenlijk geen literatuur. Misschien hebben sommige dingen die hij zei daarom wel des te meer indruk op me gemaakt. Als antwoord op de vraag van Liesbeth wat iets tot een goede vertaling en iemand tot een goede vertaler maakt, somde hij heel serieus objectieve regels op, maar besloot uiteindelijk met de stelling: ‘Een goede vertaler is iemand die goed kan schrijven in zijn eigen moedertaal.’ Iemand dus die op zijn beurt een beetje schrijver is, en of hij nou een literaire tekst of een processtuk vertaalt, het gaat om die (misschien aangeboren) gave.
Als we het gebouw verlaten, staat er een harde wind en is er sneeuw op komst. Ik duik diep in de kraag van mijn jas, terwijl ik luister naar wat de anderen over het gesprek zeggen en ik volg ondertussen mijn eigen gedachtengang, naar aanleiding van de woorden van de vertaler. Nu pas doe ik een ontdekking, die eigenlijk ontwapenend eenvoudig is: als we een tekst ter vertaling geven, leggen we hem in handen van een andere auteur die, door te vertalen, op zijn beurt ook schrijver wordt. Ik denk aan de vragen die Liesbeth me vanochtend bij het ontbijt stelde, over een paar zinnen uit mijn tekst. Haar twijfels over de juiste woordkeuze hebben me, in mijn eigen taal, een verborgen rijkdom aan nuances doen ontdekken, waar ik nooit zo bij stil had gestaan. Ze hebben me in een klap bewuster gemaakt van het gewicht van ieder afzonderlijk woord, van alle mogelijke betekenissen.
Maar nu loop ik het gevaar dat mijn verhaal te serieus en saai wordt.
Ik zou willen afsluiten met een leuke observatie van Abdellah. Hij loopt naast me als we het Vredespaleis verlaten en zegt: ‘Is het je opgevallen? Vertalers stellen een heleboel vragen over hun werk, maar schrijvers praten nooit over hun werk.’
Dat klopt, het was mij ook opgevallen. Ik weet niet hoe Abdellah, Chris of Laia hierover denken, maar ik schaam me altijd een beetje om over mijn eigen werk te praten, alsof ik er niet te veel mee te koop wil lopen. Zelfs als ik word uitgenodigd voor festivals en presentaties in Italië, zeg ik als mensen me vragen wat ik doe: ‘Ik ben redacteur’. Nooit: ‘Ik ben schrijver’. Misschien geneer ik me een beetje, schrijven lijkt me nog steeds een voorrecht van mensen die niets beters te doen hebben, en gepubliceerd te worden een beloning waarvoor ik niets bijzonders gedaan heb om hem te verdienen. Of misschien schaam ik me ervoor schrijver te zijn, op de manier waarop je je schaamt voor het meest verborgen deel van jezelf, waaraan je het meest gehecht bent en dat je probeert te beschermen tegen nieuwsgierige blikken. Misschien kunnen vertalers daarom wel over hun eigen werk praten en schrijvers niet. Misschien hebben schrijvers, na het schrijven, wel niet veel meer te zeggen.

VOOROORDELEN EN VERRASSINGEN
20-11-08

Schrijver en journalist Dexter Filkins begint zijn presentatie op het Crossing Border Festival met de verontschuldiging dat hij geen Nederlands spreekt, en illustreert dat met een grapje. ‘Hoe noem je iemand die drie talen spreekt?’ aldus Filkins. ‘Drietalig. Hoe noem je iemand die twee talen spreekt? Tweetalig. En iemand die maar één taal spreekt? Amerikaans.’
Terwijl Dexter Filkins zich zo op een aardige en een beetje opgelaten manier verontschuldigt, komt het bij me op dat je ‘Amerikaans’ zou kunnen vervangen door ‘Italiaans’. Voor een Italiaan, en dat geldt ook voor een jonge, doorsnee belezen auteur, is het contact met een andere taal toch altijd meer een botsing dan een ontmoeting, een soort persoonlijke tragedie waarin die Italiaan probeert zich met de paar woorden die hij kent te redden en op de een of andere manier verstaanbaar te maken, zich onderwijl verontschuldigend voor zijn slechte uitspraak, geringe kosmopolitisme en tekortkomingen.
Een Amerikaan kent geen vreemde talen omdat hij dat niet hoeft: de halve wereld spreekt tenslotte zíjn taal. Maar waarom heeft een Italiaan alleen al moeite met Engels? Misschien is daar maar één echte reden voor: hij weet dat hij zich op de een of andere manier toch wel redt, met gebaren, gezichtsuitdrukkingen en een paar leuke grapjes. Zich kunnen redden is zo’n beetje onze nationale sport.
Ik ben pas twee dagen in Den Haag, maar toch heeft het festival me al veel stof tot nadenken gegeven: ideeën die ik niet helemaal scherp krijg en me nog niet helemaal eigen heb gemaakt, terwijl we van het ene optreden naar het andere hollen.
Twee indrukken tekenen zich wel al duidelijker af, opgedaan tijdens ontmoetingen met scholieren van de internationale school en met andere jonge schrijvers.
Het ontmoeten van scholieren is, voor mij, één van de leukste activiteiten die je als schrijver onderneemt. Kinderen zijn meestal enthousiast, nieuwsgierig, geïnteresseerd in het ontdekken van de praktische en bijzondere kanten van het werk van schrijvers, ze stellen gerichte vragen en luisteren aandachtig. We waren op een internationale school, dus voor die kinderen is het heel gewoon om met elkaar een andere taal te spreken dan thuis. En toch blijf ik me verbazen over de zekerheid waarmee ze tussen de verschillende talen, geografische achtergronden en gewoonten manoeuvreren. Ook mij begrijpen ze makkelijk, terwijl mijn Engels onzekerder is dan dat van hen. Ik geloof werkelijk dat er in de spontane uitwisseling, die de activiteiten van Crossing Border symboliseert, iets wordt verwezenlijkt wat sterk lijkt op een Europese identiteit. Ook de minder belangrijke details verbazen me. Zoals toen gisteravond bij de presentatie van de film Diary of a Times Square Thief de acteur het podium opkwam en een toespraak hield in het Engels zonder dat daar een tolk bij nodig was. Het hele publiek, waaronder ook ouderen, begreep zijn grapjes en moest erom lachen. Ik denk niet dat dat in Italië had kunnen gebeuren, niet eens voor een zaal vol studenten.
Al sinds de ontmoeting met docenten gistermiddag is me iets duidelijk geworden: over het algemeen worden Italianen als primitievelingen uit de derde wereld gezien, onderontwikkeld en bekrompen. Het zal wel aan onze politiek liggen (waar we niet over kunnen praten zonder ons te schamen), of aan onze beperkte talenkennis (we lezen vertaalde boeken en kijken naar nagesynchroniseerde films). Zo komen er, terwijl ik op dit festival het ene optreden na het andere bijwoon, twee tegenstrijdige gevoelens in mij op. Aan de ene kant schaam ik me voor de toestand van mijn land, omdat onze boeken niet in het buitenland worden vertaald, onze auteurs relatief onbekend zijn en we moeite hebben ons verstaanbaar te maken in een gedeelde taal. Aan de andere kant voel ik een vreemde nationale trots die me aan het denken zet. Ik denk aan de schoolkinderen van vanochtend, stuk voor stuk nieuwsgierige wereldburgers, waaronder vast veel goede lezers, die bijna allemaal in minstens drie verschillende talen lezen. En ik denk ook aan de Italiaanse kinderen, wel altijd een beetje gegeneerd en in verlegenheid met vreemde talen, maar die Latijn en Grieks leren op school en een natuurlijke affiniteit hebben met kunst, die leren van oude geschiedenis te houden en passages uit hun hoofd te citeren. En dan vind ik het een beetje jammer dat die kant van mijn land keer op keer verloren gaat in moeizame communicatie die er maar niet in slaagt internationaal te worden. En ik denk dat misschien alleen door ons meer onder anderen te begeven en beter onze ideeën te verspreiden (bij dit soort gelegenheden), de situatie misschien zal verbeteren, en dat misschien in de toekomst ook in bioscopen of op festivals in Italië geen vertalers meer nodig zullen zijn.
De tweede indruk, die ik heb opgedaan tijdens de ontmoeting met andere jonge auteurs, vertel ik jullie morgen…

ON BEING TRANSLATED
13-11-08

Een vertaling is een dialoog, wordt wel gezegd, maar voorafgaand aan de dialoog moet je kunnen luisteren. Vertalen is in staat zijn te vertrouwen op de woorden van een ander, bijna altijd een onbekende, en diegene volledig te doorgronden tot in de fijnste en onbelangrijkste nuances, door hem te volgen op de golven van zijn gekunsteldheid, zijn stilistische gewoonten en zijn meest geliefde zinswendingen, waarin de echte boodschap van een tekst zich schuilhoudt. Vertalen betekent ook in staat zijn je eigen stem te laten overgaan in die van de ander, hem uit te lenen en zo zuiver mogelijk te laten klinken, zodat hij die van de auteur op een natuurlijke en ongeforceerde manier overlapt, terwijl je het beste maakt van zowel de sterke als de zwakke kanten, van taalkundige hobbels en gewaagd woordgebruik. Als het goed is, betekent het ook verliefd worden op de vertaalde tekst, en die een actieve rol te laten spelen in een concrete en hartstochtelijke dialoog met de auteur.
Hier denk ik aan als ik denk aan vertalen. Als ik er in abstracte termen en filosofische begrippen over nadenk, lijkt het me altijd het meest diepzinnige en respectvolle middel om datgene te leren kennen wat anders is. Alsof de bemiddeling van een geschreven tekst helpt een stap achteruit te doen en zo die afstand te scheppen tot het studieobject die nodig is om erop te focussen en het in zijn geheel te zien. Alsof het simpelweg plaatsen van een tekst tussen twee personen hen de mogelijkheid geeft tot een eerlijkere en autenthiekere dialoog, waarvoor je in de eerste plaats een inspanning moet leveren – die van luisteren en begrijpen.
Over het algemeen denk ik in dit soort heel conceptuele en abstracte termen als ik filosofeer over vertalen. Maar nu het mijzelf overkomt? Nu het mijn eigen woorden zijn die aan dit proces worden onderworpen?
Allereerst roept het gevoelens van nieuwsgierigheid en enthousiasme bij me op. Ik denk dat het een vervreemdend en als zodanig interessant en verrijkend effect zal hebben om de betekenis van mijn eigen geschreven woorden voorgedragen te horen worden door een stem met een intonatie die ik niet begrijp, en vertegenwoordigd te zien door reeksen letters die ik niet eens kan lezen.
Vervolgens probeer ik er in de meest concrete vorm over na te denken, want ook al is vertalen vaak het onderwerp van beschouwing en genuanceerde theorievorming, het blijft uiteindelijk ook iets heel praktisch, lijkt me, bijna iets fysieks misschien: een intiem contact tussen twee stemmen, die elkaar verkennen en zich in elkaar verplaatsen tot ze verstrikt raken, tot de vertaalde tekst niet langer het werk is van een enkele auteur, maar van twee. Zo denk ik er graag over, als een soort ballet van twee dansers die het ritme onder de knie moeten krijgen, en moeten leren zich aan elkaar aan te passen en aan elkaars armen toe te vertrouwen, terwijl ze zich nu eens verzetten en dan weer laten meeslepen.
En dan denk ik aan het vertaalmoment zelf, dat een schitterende gelegenheid zal zijn, niet alleen om een andere taal en een andere stem te ontmoeten, maar ook om door een andere bril naar mijn eigen schrijven te kijken, vanuit een bevoorrechte positie. En ik denk dat het vreemd, soms ook lastig maar heel vaak leuk zal zijn, om een onbekende bezig te zien met woorden en zinnen die gevoelsmatig zo van mijzelf zijn.
Dit proces zal me bewuster maken, daarvan ben ik overtuigd, en me zeer waarschijnlijk verborgen kronkels in mijn eigen tekst laten ontdekken. Wie weet immers hoeveel onbegrip en obstakels tijdens zo’n project kunnen ontstaan, hoeveel kwesties en vragen mijn opvattingen over schrijven volledig kunnen veranderen?
Kortom, het zal in de eerste plaats een ontmoeting zijn en in zo’n geval vraag je je van te voren altijd af: zullen we elkaar werkelijk begrijpen? En zullen we elkaar aardig vinden?