Lette Vos
Zefier
08-06-2015

Hij is nog halfdronken wanneer de bus de M4 oprijdt. Er brandt al een uur een rood lampje boven het toilethokje. Er zit een man in die tussen hevige braakaanvallen door kermt ik ga dood, ik ga dood, ik ga dood. Meer dan die drie woorden lijkt hij niet te kennen. De snelweg glimt van de regen en lichten schieten als wazige linten langs het raam: honderden, duizenden auto’s. Mensen trekken in drommen Londen uit. Keren terug naar plaatsen waar ze al sinds hun jeugd niet meer geweest zijn. Ze staan in de rij voor de bus, de trein, het vliegtuig – op weg naar waar dan ook, als ze er maar onderdak en werk kunnen vinden.

Het water stijgt. Daar moet Cael zijn gedachten op focussen – niet op zijn sylfachtige moeder of de bioscoop die hij achterlaat (zijn ouderlijk huis), rond de eeuwwisseling gewonnen met een potje poker – de sleutels losgepeuterd uit de vuist van een dode. Zijn moeder de rouwklaagster, die iedere zin kon laten klinken als een grafrede – verhalen over Caels overgrootmoeder, die haar eigen pub had en in de kelder eigenhandig haar kalveren slachtte – daar hing ze die op om uit te bloeden, en daarna ging ze terug naar boven om haar klanten van cider te voorzien. Het water van de rivier stijgt en de beelden zijn overal, op de voorpagina van de kranten, in ieder nieuwsbericht. Zíjn rivier. Zíjn wandelroute. Al die bruggen van licht en die plek waar grote rode stukken boog uitsteken – waar een brug zou moeten zijn maar nu alleen de pijlers nog staan − stuk voor stuk groot genoeg om een helikopter op te landen. Scheepsmasten vol feeërieke lampjes. Bomen die oplichten in het schijnsel van trossen blozende bessen. Vreemde vruchten. Pikhouwelen in de muren ter nagedachtenis aan de arbeiders die daar ooit zwoegden.

Het schrijnt. Hij heeft voor de laatste keer de deuren op slot gedaan en de duivel nam met louter zijn ziel als betaling geen genoegen. En nu deze chaos. Sirenes en duizenden auto’s, flarden van flitsen, een vlezige pols met een gouden armband aan het stuur van een jeep, een blondine die in de spiegel haar lippen stift, een oude man die tegen zijn dochter brult dat ze haar kop moet houden, vier soldaten in een Mini, honderdduizenden mensen op de been in deze bizarre wereld van lichamen.

Een man met een speknek staat voor in de bus. Hij knikt in antwoord op iets wat de buschauffeur zegt en wijst dan door de voorruit, om de route aan te geven. Zijn reistas is lomp en zwaar. Hij draait zich om en loopt het gangpad door naar de enige nog vrije stoel. Propt zijn tas in het bagagerek en pakt er een klein rugzakje uit. Ploft in de stoel. Hij ruikt naar kamfer, zweet, deodorant. De man rommelt in zijn tas tot hij een enorme zak Thai-Sweet-Chilli-chips vindt, maakt hem open en houdt hem Cael voor.