We zijn in het uiterste westen. Ten westen van Den Haag is er niets, is de zee, dus niets. Of niet niets. Er is water, water, water en dan het Engelse Lowestoft. Volgens Google Maps althans. Ik ken Lowestoft niet, heb het nog nooit gezien, kan niet garanderen dat Lowestoft bestaat. Ik heb nog nooit een plek westelijker dan Den Haag gezien. Of wel? Ligt de rest van de wereld misschien ten westen van Den Haag? Ik geloof van niet. Maar het zou kunnen.
Ik ken Den Haag. Ik ken de brede straten van Den Haag, en die paar grasvelden en bomen en dieren. Ik zie veel rechthoekige tegels in Den Haag, overal lijnen, verticaal en horizontaal, ik zie rechte hoeken, ik zie geometrie, ik zie De Stijl.
Ik was twee maanden geleden voor het eerst in Den Haag. Ik raakte de weg kwijt, of wist beter gezegd niet welke weg ik was kwijtgeraakt. Ik liep niet naar het westen maar naar het noorden en kwam niemand tegen. De stad was leeg. Ik zag alleen auto’s voorbijrijden, of parkeren, ik zag gezinnen uit auto’s buitelen, en op een zeker moment zag ik een hert achter een grote boom en onder de grote boom zat een stelletje te knuffelen.
Op een gegeven moment belandde ik in Chinatown. Vroeg of laat beland ik altijd in Chinatown. Waarom zoek ik in het westen altijd naar plekken die op het oosten willen lijken? Waarom ga ik niet meteen naar het oosten? Ik heb nooit op reis gewild naar China, maar ik wil altijd naar Chinatown, of Little Istanbul, of naar de Street of Arabs. Ik ben op mijn gemak tussen mensen die zich overal thuis voelen. Die hun slakkenhuis meeslepen zoals ik mijn handbagagekoffertje met kapotte wieltjes. Ik voel me daar op mijn gemak. Ik begrijp het idee, het is een museum, ik hou van musea met gratis toegang. Dat zijn meestal de beste.
Voor ik afsla richting Chinatown, stuit ik op een sculptuur, pal voor de bibliotheek. Ze staat op een zwarte sokkel en heet ‘Vriendinnen’. Ze toont twee meisjes die samen naar een smartphone kijken. Of meer een tablet eigenlijk, gezien het formaat. De vriendinnen glimlachen terwijl ze naar de tablet kijken. Ze dragen alle twee een tuniek over hun jeans, en een blauwe hijab op hun hoofd. Ze vielen me pas ‘s nachts op, toen ik slapeloos over straat liep om moe te worden. Ik bleef staan, bekeek ze. Ik voelde me minder alleen.
Ik heb Salima gesproken. Ze woont in Amsterdam en zegt: ‘Fuck! Fatma, waarom heb jij dat boek geschreven? Dat is mijn verhaal! Dat moest ik schrijven.’ Ik had haar graag omhelsd. Ik heb gesproken met de man in de winkel die Waterworld heet, helemaal aan de rand van Chinatown. Hij hield me een zakje voor en zei: ‘Ruik eens, is zoet! Met ananas!’ Ik hou eigenlijk niet van ananas, maar dat zei ik niet tegen hem, uit beleefdheid. ‘Mmm,’ deed ik en nam het zakje met dank aan.
Ik heb iemand gekend, jaren geleden, hooguit tien, ik schopte een scène in zijn bijzijn en verdween. Toen ik hem daarna toch maar besloot te zoeken, was hij verdwenen. Ik hoorde dat hij naar Den Haag was gegaan om het Meisje met de Parel te bekijken. Hij is nooit meer boven water gekomen. Hier is hij niet. Maar ik zoek ook niet meer.