‘De binnenstad is die kant op,’ zei de chauffeur voordat hij me afzette bij het hotel, en hij maakte een vaag gebaar naar iets wat vlakbij moest zijn. Ik keek in de richting van de binnenstad. Daar ergens waren dus de grachten, dacht ik, en als ik nog iets verder doorliep zou ik misschien de zee zien.
Maar op dat moment – de lezers van mijn eerste column zagen het vast al aankomen – besefte ik dat ik me had vergist. Op mijn iPhone opende ik de Kaarten-app en zag dat Amsterdam ver, maar dan ook ver weg lag van mijn hotel, en dat ik me in werkelijkheid in Den Haag bevond, een stad die ik alleen kende van alle grensconflicten waar mijn land de afgelopen jaren mee te maken heeft gehad en die het Hof in Den Haag heeft beslecht. En daar hield mijn kennis zo ongeveer op.
Ik vermoed dat de chauffeur wel heeft verteld dat we op weg waren naar Den Haag, maar dat ik hem niet verstond. Met mijn nogal basale Engels kwam ik niet veel verder dan antwoorden van één lettergreep, die ik zo nu en dan uitbracht terwijl we door de felgroene, door en door Hollandse weilanden reden. Ik weet nog dat hij op een gegeven moment zei dat de boeren hier roeibootjes hadden waarmee ze door de sloten naar de stad voeren, dat dat hun vervoermiddel was. Wie weet, inmiddels begin ik te twijfelen aan alles wat ik dacht te hebben verstaan.
Hoe dan ook, het was vroeg in de middag, Amsterdam was een heel eind weg en ik bevond me in een stad waar ik heg noch steg wist. Maar ik was wel vlak bij zee. De zee is altijd vlakbij. Althans, als je op de kaart kijkt: op een schappelijk stukje lopen – dacht ik – lag het strand van Scheveningen. Hoe spreek je dat uit, vroeg ik me af, en daarna zocht ik een paar afbeeldingen, zo te zien was het er wel mooi en dus wist ik wat me te doen stond: lopen, lopen en nog eens lopen, tot ik bij het strand was en die zee zou zien, de Noordzee.
Eerst liep ik wat door de binnenstad en maakte foto’s van elk gebouw waarop een knipoog naar Mondriaan was aangebracht, bij mijn weten een Amerikaan of een Fransman of zo, maar ik kwam erachter dat ik het mis had, dat hij een Nederlander was geweest en de beweging had aangevoerd die in 2017 honderd jaar bestond. Overal in de stad zag je die kleuren en geometrische vormen die hij tot zijn handelsmerk had gemaakt, tot zijn persoonlijke taal. Ik stelde me voor hoe Santiago de Chile eruit zou zien als ze een hommage zouden brengen aan, zeg, Roberto Matta, de man die de toekomst schilderde, maar nee, in mijn stad doen ze zoiets niet. En als ze het wel doen, pakt het meestal rampzalig uit. Dus dacht ik maar liever weer aan Mondriaan en slenterde verder door de straten van de binnenstad. Ja, ik had dat blije gevoel dat je hebt als je ergens volgslagen onbekend bent, omgeven door een vreemde taal en een stilte die je alleen in zulke omstandigheden vindt. Ik kocht patat – want Gonzalo had gezegd dat die er hier anders uitzag en lekkerder was, en inderdaad, hij is hier veel lekkerder – liep nog wat rond en besloot ten slotte op weg te gaan naar het strand.
Iedereen die in Den Haag woont of er weleens is geweest, zag vast al aankomen dat het strand mijlenver van de binnenstad ligt, maar ik, argeloze ziel, of nou ja, rampzalige kaartlezer, wilde dat niet weten en liep maar en liep maar, terwijl het donker werd en de winkels dichtgingen. Het was vijf uur ’s middags en de stad had zich zonder morren overgegeven aan een koude nacht die veel te vroeg begon. Ik zou het strand niet meer bij daglicht zien, maar het leek me wel mooi om het te zien bij het licht van het reuzenrad.
Om een uur of negen ’s avonds kwam ik in Scheveningen aan, na drie uur zigzaggen door die brandschone, goedverlichte stad.
‘Daar ben ik ook geweest,’ schreef Gonzalo me een paar uur later. Maar dat verhaal kan ik beter in de volgende column vertellen.