Dit laatste blog zou, terecht, sentimenteel worden. Ik wilde het hebben over vluchtige vriendschappen en over hoe wreed afstand is. Ik wilde beginnen met de wandeling over het strand, met de tramreis. Ik zou vertellen hoe onze tram een botsing kreeg (de traagste botsing uit de geschiedenis) voor het Vredespaleis. Ik zou het weinig boeiende strand beschrijven, met die gigantische buis die het uitzicht op zee en inspiratie blokkeerde. Ik zou eindigen met het interview met Tracey Thorn waar we op het festival naar luisterden, en vertellen hoe ik uren later het refrein van Missing liep te neuriën, heel toepasselijk voor een afscheid.
Geen verroeste buis, maar mijn woede zit deze weemoedige blog in de weg. Ik heb geprobeerd het voorval los te laten, maar het bleef de hele dag door mijn hoofd spoken, en nu moet ik er maar over vertellen.
’s Morgens vroeg ging ik met een busje naar het vliegveld van Amsterdam. Ik checkte mijn koffers in en kocht een treinkaartje naar het centraal station. De wagon zat vol. In een vierzits zaten vier stevige, kalende mannen die Engels spraken met een Brits accent. Een van hen bood me zijn stoel aan en ik ging zitten. Ik haalde mijn boek (De zomer zonder mannen van Siri Hustvedt) tevoorschijn en probeerde te lezen, maar die Britten waren heel luidruchtig. Dat niet alleen, ze hadden het ook nog eens over mij. Ik kon moeilijk verstaan wat ze zeiden, door hun dubbele tong, ze waren dronken, er hing een dranklucht om hen heen en ze hadden piepschuim bekers vol bier, maar algauw werd me duidelijk dat ze mij en mijn boek belachelijk maakten. Ik stond op. Een van de mannen riep: Don’t go! Ik zei dat ik er al uit moest – dat was natuurlijk niet waar. Vervolgens riep een van hen dreigend: I go down with you, bitch! En hij probeerde op te staan. Zijn vriend zei calm down tegen hem, maar hij bleef schreeuwen. Ik weet niet wat hij verder nog zei, want ik baande me met mijn ellebogen een weg door de menigte, liep een paar wagons door tot ik een vrije plek vond waar ik tot aan mijn halte kon blijven zitten. Zoals altijd slikte ik mijn woede in en schoten er talloze dingen door mijn hoofd die ik terug had kunnen roepen: You wish, asshole! of Shut up, buttface!
De rest van de dag bleef ik maar aan het voorval denken: zoals toen ik dat kopje tegenkwam in het museum waarop stond Do women have to be naked to get into the Met Museum? Less than 5% of the artists in the Modern Art Sections are women, but 85% of the nudes are female.
En ook daarna, toen ik over De Wallen liep en even stilhield voor het raam van een vrouw van mijn leeftijd in een zwarte beha. Ik vroeg me dingen over haar af: of ze kinderen had of niet, of ze zich verveelde of bang was. Van haar gezicht kon ik niets aflezen.
Later wandelde ik door de straten van de stad, in gezelschap van mijn oom, en ontsnapten we even aan de drukte en de winkels bij een aantal kleine, 16e-eeuwse huisjes rondom een binnentuin. Het heet het Begijnhof, hier woonden gelovigen die geen kuisheidsgelofte wilden afleggen en het klooster niet in wilden. Ze waren vrijer dan monniken, behielden hun onafhankelijkheid, maar hadden zekerheid en rust. Vandaag de dag is het nog steeds een vredige oase, waar vrouwen, die niet per se religieus zijn, in alle rust kunnen wonen.
Ik zit dit te schrijven in het vliegtuig. Ik ben moe. Ik mis mijn zoon. Als ik denk aan de twaalf uur durende vlucht die me te wachten staat, kan ik wel huilen. Maar er klinkt een lied met de tekst you have to keep on living en de piloot heeft net gezegd dat we het noorderlicht misschien kunnen zien. Er zijn zomers zonder mannen, er zijn begijnhofjes, er zijn welkomstknuffels en er zijn noorderlichten. Je moet doorgaan met leven.