Mijn oom Diego maakt een documentaire van opnames van zijn moeder en zijn beste vriend op hun sterfbed.
Hij woont al twintig jaar in Amsterdam, maar is het familie-accent nooit kwijtgeraakt. Zijn manier van bewegen en de snelheid waarmee hij dat doet, doen me denken aan wijlen zijn vader, oom Gonzalo, die als arts met pensioen ging en toen besloot zich aan het schrijven te wijden. Tijdens het laatste gesprek dat ik me kan herinneren, discussieerden we over het aantal versregels in De raaf van Poe. Zelfs daar was hij gepassioneerd over.
Diego neemt me mee naar een van zijn lievelingscafés, vlak bij het Rijksmuseum, maar het is gesloten, dus neemt hij me ergens anders mee naartoe. Het regent, maar je kunt moeiteloos tussen de kleine druppels door wandelen, die in de lucht lijken te zweven.
‘Hoe zou jij het opschrijven?’ vraagt hij over het eerste deel van zijn documentaire. We proberen wat uit, maar dan dwalen we af en we hebben het algauw over andere dingen, over familieleden en projecten en boeken en films.
Diego vindt het Rijksmuseum maar niks, hij vindt het een haast beledigend vertoon van macht en luxe, omdat een bloederige geschiedenis van slavernij en kolonialisme in de doofpot wordt gestopt. Toch kent hij het op zijn duimpje: hij laat me zijn favoriete kunstwerken zien, een sculptuur uit San Sebastian en de Japanse tempelwachters. Hij wijst me ook op een paar metalen modellen van vuurtorens – omdat hij weet van mijn vuurtorenobsessie – in een pikdonkere zaal vol kleine en grote modelboten. Een van de vuurtorens, ongeveer zo groot als ikzelf, is aan één kant open, zodat je de structuur aan de binnenkant, de wenteltrap en de verdiepingen kunt zien.
We gaan ook naar de bibliotheek om poppenhuizen van adellijke kinderen te bekijken, die haast net zo groot zijn als mijn appartement.
Ik zou bijna willen dat ik het bekendste schilderij van Vermeer in het museum niet mooi vond, omdat het vervelend is om het tussen al die mensen en fototoestellen te moeten bekijken, maar als we er eenmaal voor staan, kan ik alleen maar beamen hoe mooi het is. ‘Hij was steengoed,’ zeg ik tegen Diego, ‘dat is gewoon zo.’
Vervolgens neemt Diego me mee naar zijn huis, een lichte ruimte met minimalistische inrichting en een paar barokke Mexicaanse altaren vol traditioneel handwerk. Ik klets even met zijn vrouw, Linda, die zacht en lief is. Daarna gaan we naar de markt, om een traditioneel broodje rauwe haring met augurk te eten, wat verschrikkelijk klinkt, er afgrijselijk uitziet en heerlijk smaakt.
We lopen langs een gracht, we zien een ekster, eenden en een raaf. Ik praat over mijn hartstochtelijke liefde voor raven, vanwege hun intelligentie en charisma. Diego vertelt dat raven parkieten haten, en dat er in Amsterdam meerdere zwermen parkieten zijn, omdat er een koppeltje is ontsnapt uit het huis van een man die naast het park woont en ze zich succesvol hebben voortgeplant. Sommige mensen maken zich kwaad om die migratiegolf van uitheemse vogels, zegt hij. In de winter is het een indrukwekkend gezicht wanneer ze met hun groene veren verkleumd samendrommen in de kale bomen.
Tegenover het station vinden we een café met uitzicht op de rivier, en Diego haalt zijn pen en een notitieboekje tevoorschijn. Weer vraagt hij me of ik hem kan helpen om het eerste deel van zijn film uit te schrijven, waarin hij het verhaal vertelt van zijn uitbehandelde vriend. We proberen wat zinnen uit, verplaatsen wat bijzinnen, tot we het goed vinden.
Weer terug in Den Haag gaan we met een paar festivalschrijvers naar een gesprek met Carmen Maria Machado en Hanna Bervoets. Carmen Maria Machado (ik herhaal haar naam graag omdat ik het metrum en de allitererende m zo mooi vind) is betoverend. Ik heb niet zoveel te zeggen over haar gesprek met Hanna Bervoets, ze zijn allebei heel sympathiek, al lijkt Carmen Maria Machado me ook een neuroot, het type neuroot waar ik van houd en waar ik meteen vrienden mee wil
worden. Ik wil vrienden zijn met Carmen Maria Machado, ik wil gesprekken met haar voeren, wil dat ze me meer grappige anekdotes vertelt. Ik wil haar nieuwe boek lezen. Maar ik wil dit blog niet eindigen met Carmen Maria Machado, want het lijkt me mooier om te eindigen met dit beeld:
In de trein, op de terugweg naar Den Haag, begon ik met het schrijven van dit stukje. Eens in de zoveel tijd keek ik op van het papier om door het raam naar het landschap te kijken, en al snel kwam er een zwerm groene parkieten voorbij, die zich aftekenden tegen de mist omdat ze heel dicht langs het raam vlogen. Ze vlogen langzamer dan de trein, dus ze waren in een flits verdwenen, maar ik weet zeker dat het geen hersenspinsel was: ze deden een wedstrijdje met de trein.