Toen ik teruggekeerd was uit DH, was ik gefascineerd door de jonge vertalers die ik had ontmoet. Ik besloot me in te schrijven voor IJslandse taalles, wat ik een keer eerder had geprobeerd in 2012. Een paar maanden daarvoor was ik aangekomen in IJsland, bereid om Beiroet en alles wat daarin was gebeurd te vergeten. Totdat mijn taaldocent in de eerste les tegen mij zei, ‘Van nu af aan zal je naam Máni zijn.’ Ik was verbijsterd. Door die benaming ben ik nooit meer teruggegaan naar de IJslandse taalles. De docent had me die dag verteld dat Máni maan betekent, maar zag mijn verwarring. Hij zei grappend, ‘Je ziet eruit als je net een misdrijf hebt gepleegd.’ Het was niet de eerste keer dat ik de naam Máni had gehoord. Ik kende het woord al voordat in IJsland was aangekomen. In het Libanese dialect betekent het natuurlijk niet maan, maar komt het van mauna. Als je tegen iemand ta-mun, dan betekent het dat je hem geen verzoek kunt weigeren.
Zo heette de portier van ons gebouw, of zo noemde iedereen hem in ieder geval, Máni, voordat hij zonder enkel spoor was verdwenen. Ik kon me zijn echte naam niet herinneren. Hij kwam uit Libië en hij vocht met de PLO in Beiroet. Hij mocht niet met de PLO mee, toen ze vertrokken uit Beiroet in 1982, aangezien hij geen Palestijn was. Dus bleef hij in Beiroet.
De samenstelling van ons gezin bestond in die tijd uit drie zoons, een vader en een moeder. Ik was de oudste. Maar ik kon veel dingen maar moeilijk begrijpen. Waarom werkte mijn moeder bijvoorbeeld niet? En waarom ruzieden mijn vader en mijn moeder in het weekend? En waarom deed Máni alles voor iedereen in het gebouw met veel hart en in stilte, zonder er iets voor terug te krijgen? In het gebouw werd gezegd dat hij deed, omdat hij bang was dat hij iemand zou klagen en hij teruggestuurd zou worden naar zijn land. Hij was nu eenmaal naar Beiroet gekomen, omdat hij politieke problemen had in Libië en niet omdat hij zo sterk voelde over de Palestijnse kwestie. Hij had een vrouw en kinderen, waarop hij wachtte mee herenigd te worden. Mijn vader werkte in een ziekenhuis. Alleen de nachtdienst. Mijn moeder zei dat hij opzettelijk de nachtdienst koos, zodat hij niet met ons hoefde om te gaan. Hij sliep de hele dag en wanneer we terugkwamen van school, was het tijd voor hem om naar het ziekenhuis te gaan en zijn dienst te beginnen, die duurde van 5 uur ’s middags tot 5 uur ’s ochtends. Wij hadden op school aanvullende lesuren, zodat de uren die we misten tijdens de oorlog gecompenseerd werden. Wanneer mijn vader thuiskwam van het ziekenhuis in de ochtend, waren mijn broers en ik ons aan het klaarmaken voor school.
Naast zijn taken om vuilnis weg te gooien en het schoonvegen van alle zeven verdiepingen van het gebouw, maakte Máni ook elk huis elke week schoon, voor een kleine vergoeding die eerder leek op fooi. Iedereen vertrouwde hem zijn huis toe, omdat hij meestal stil en uiterst beleefd is. Ik kan me niet herinneren dat we hem ooit hebben horen klagen.
De vrije dagen van mijn vader waren hetzelfde als die van ons, zaterdag en zondag. Maar die twee dagen bracht hij vaak ruziënd door met mijn moeder. Door de nachtdiensten had mijn vader geen vrienden, behalve zijn collega’s op werk van de nachtdienst, die net als hem slapen gedurende de dag en elkaar nooit buiten het ziekenhuis zagen. Ondanks hun constante ruzies, wilde mijn vader en moeder hun relatie wel beter maken. Mijn moeder had voorgesteld dat hij met ons zou wandelen op zaterdag. Hij sliep een paar uurtjes maar in de ochtend, nadat hij terug was uit het ziekenhuis, waarna zij hem wakker maakte en zei, ‘De kinderen hebben hun kleren al aan en staan op je te wachten.’ Ze had dat met ons afgesproken, als een drukmiddel op hem. Mijn vader opende dan langzaam zijn ogen en stond enorm traag op. We gingen altijd naar dezelfde plek. De promenade die vol zat met putten door de raketaanslagen.
Naast de vele bewoners van Beiroet, die voor het eerst in vijftien jaar de kans hadden om naar de zee te kijken met een gerust hart, was de promenade druk met verkopers. Speelgoed, boontjes, suikerspin en pinda’s lieten ons de hele tijd watertanden. Mijn vader gaf al die dingen nauwelijks aandacht, hij deed niets anders dan alle voorbijgangers inspecteren, groot of klein. Hij staarde ze aan en probeerde erachter te komen aan wat voor ziektes ze leden, door naar hun oogwit te kijken of hun huid, handen of hoe gezond hun haar eruit zag, hun vingers of hoe ze liepen. Dat kwam allemaal doordat mijn vader dokter wilde worden. Soms ging hij zelfs tegen een diagnose in of een bepaalde mening van een dokter in het ziekenhuis. Hij ging weleens zo ver, dat hij de diagnose of rapport van de dokter had aangepast, waarna hij een waarschuwing kreeg en vervolgens weggestuurd werd van het ziekenhuis. Maar de buren noemden heb alsnog ‘de dokter’. We schaamden ons als we met hem liepen. Mijn vader merkte ook wel op dat wij ons geneerden, dus besloot hij op een bankje te gaan zitten op de promenade en wij moesten dan in zijn buurt spelen. Hij zei tegen mij, ‘Jij bent de oudste, let goed op je broertjes. Kijk maar naar de vissers, maar niet te dichtbij op de rotsen gaan staan.’ Hij zat dan op het bankje, met zijn hand op zijn wang als steun en ging slapen. Het was duidelijk dat hij vermoeid was.
Tot Máni een keer langsliep op de promenade. Hij kwam dichterbij mijn slapende vader en zei ‘Dokter… dokter,’ en na een kort gesprek waren ze erover uit dat Máni met ons zou gaan wandelen in plaats van onze vader. Mijn vader kon naar de moskee aan het einde van de promenade en zou daar verder slapen. Na twee of drie uurtjes ging Máni de moskee in om hem wakker te maken. Ik kan me niet veel herinneren van onze wandelingen met Máni, behalve die ene keer dat hij ons zijn kinderen had genoemd.
We liepen langs een kar die boontjes verkocht en broodjes. Het was lunchtijd en we kregen trek, zeker door de geur van de boontjes met kruiden en citroen, waardoor we watertandend om de kar bleven hangen. ‘Willen jullie een bordje,’ vroeg Máni, maar ik zei ‘Nee, bedankt.’, omdat ik wist dat Máni erg arm was. ‘Ik koop een klein bordje voor ons om te delen.’ Máni kocht een bordje gekookte boontjes met zout, citroen en komijn en vroeg aan de verkoper om vier tandenstokers om ze mee op te eten. Plotseling zei hij tegen de verkoper, ‘Dat zijn mijn kinderen. Kijk hoe lief ze zijn!’
We waren stomverbaasd. We keken elkaar aan en barstte in lachen uit en verstopten onze monden achter onze handen. We hadden dit soort lef niet achter Máni gezocht. We vertelden niets hiervan aan onze moeder, uit angst dat ze dan weer ruzie kreeg met mijn vader en ze zouden gaan scheiden. Elke keer kocht Máni wel iets voor ons. Boontjes, vlinderbloemzaden, suikerspin, kauwgom. We keerden vrolijk terug naar huis en mijn vader ook, nadat hij genoeg slaap heeft gehad in de moskee. Langzamerhand verbeterde de relatie tussen mijn vader en moeder, want mijn moeder begon hem te zien als een verantwoordelijke echtgenoot en goede vader. Ze beleefden opnieuw hun wittebroodsweken, door toedoen van Máni. Tot mijn vader op een dag had besloten om in plaats van naar de moskee, naar ons huis te gaan om wat tijd privé met mama door te brengen. Ons appartement was toen eigenlijk maar één kamer, die in tweeën werd gesplitst door een gordijn.
Mijn moeder deed de deur voor hem open en riep meteen, ‘Waar zijn de kinderen?!’ Hij vertelde haar dat Máni ons had meegenomen, waardoor ze dacht dat hij ons had ontvoerd. Ze liep door het gebouw, gillend dat Máni ons had ontvoerd. Mijn vader durfde zijn fout niet toe te geven, omdat hij anders een slechte naam zou krijgen in de wijk. Ik kon me nog herinneren dat we terugkwamen bij ons gebouw en de bewoners zich flink lieten uitleven op Máni. Ze sloegen hem en gooiden zijn spullen op straat. Ik hoorde hun beschuldigingen aan en uit angst dat mijn vader voor leugenaar uitgemaakt werd, zei ik dat Máni ons inderdaad had ontvoerd, maar dat hij onderweg bang werd en ons toch maar snel weer terugbracht. En dat hij een mes had, maar ik beschreef het mes dat ik van de bonenverkoper op de promenade had gezien. Toen kwam de politie om hem mee te nemen naar het bureau.
We hebben Máni daarna nooit meer gezien. Sommige mensen zeiden dat hij naar Libië was uitgezet en daar was geëxecuteerd. Maar ik bleef maar aan hem denken, in de hoop dat waar ik ook heen zou reizen ik hem een keer tegen het lijf zou lopen en me zou verontschuldigen. Zijn verschrokken gezichtsuitdrukking stond in mijn geheugen gegrift, terwijl hij huilde en smeekte en zwoer dat hij niets fout had gedaan. Daarom ben ik nooit meer teruggegaan naar IJslandse taalles, nadat de docent mij Máni had genoemd. Elk woord in een nieuwe taal, kan zo maar een sleutel zijn voor wat voor trauma dan ook.