Gisteren was mijn eerste dag op het Crossing Border festival. Drie dagen geleden kreeg ik het nieuws te horen dat een Afrikaanse vrouwenband geen visum kon krijgen om naar Den Haag af te reizen. Ik besloot dat ik hier later aandacht aan zou besteden, maar niet nu. Ik waste mijn haren, zonder te douchen, terwijl ik dacht aan de pech van die vrouwenband – het was het enige wat ik echt wilde zien op het festival – en hardop zei ‘no Crossing Border… no Crossing Border…’. Daarna ging ik naar beneden om te ontbijten in het restaurant van het hotel.
Ik at twee omeletten tegelijkertijd, omdat de serveerster een foutje had gemaakt en echt dacht dat ik twee omeletten voor ontbijt wilde. Ze zei dat ze niet zeker wist of ze nu een fout had gemaakt met de bestelling opnemen en dat ze zich ook niet meer kon herinneren of ik mijn eieren goed doorgebakken wilde of niet. Ze was er vandaag niet bij met haar hoofd, want… en toen ze bij het woord ‘want’ aankwam, kreeg ik het gevoel dat ze elk moment in tranen kon uitbarsten. Ik onderbrak haar en zei dat alles helemaal naar wens was en dat ze hopelijk nog een goede dag zou hebben. Ze ging verward weer weg. Blijkbaar had ik ‘een goede dag’ met zo’n toontje gezegd dat het leek alsof ik meteen na het ontbijt naar de directeur van het hotel zou gaan om een klacht tegen haar in te dienen. Op mijn telefoon open ik de website van krant De R., zoals ik elke dag doe. Ik las alleen de geheimen-column, die eigenlijk niet meer behelst dan anonieme roddels over wat er achter de politieke schermen gebeurt in het Midden-Oosten. Ik sloot de pagina weer en voelde helemaal geen drang om erachter te ontrafelen wie wat is overkomen.
Daarna ging ik terug naar mijn kamer en bracht een aanzienlijke tijd door in de badkamer. Ik krijg altijd enorme diarree van niet goed doorbakken eieren. Ik had niet echt een plan voor wat ik overdag wilde doen. Ik besloot te gaan wandelen door de straten van Den Haag, misschien dat ik per toeval een man met een litteken op zijn gezicht tegen het lijf loop. Het idee van de man met het litteken op zijn gezicht zoeken sprak mij zo aan, dat ik besloot dit tot het doel voor de rest van mijn dag te maken.
Het begon zachtjes te regenen. De regen bedekte de straten met een dun laagje water, waardoor de weerkaatsing van de voorbijgangers niets anders kon zijn dan hoe zij eruit zouden zien wanneer ze oud werden. En als de weerkaatsing niet op hun oudere zelf leek, dan betekent het dat ze zouden komen te overlijden voordat ze ouderdom bereikten. Ik kom geen man tegen met een litteken op zijn gezicht. Misschien is het niet te doen om zulk soort mensen tegen het lijf te lopen in Den Haag. Het lijkt wel alsof alle mensen om mij heen op straat ziek zijn.
Ik probeer uit hun ogen op te maken aan wat voor ziekte zij lijden. Net toen ik besloten had dat er geen tijd meer was om mijn eigen reflectie in het winterse water te bekijken, viel mijn blik op een duif, in complete rust, op de stoep. Hij zat vast in een omgekeerde, papieren zak. Geen van de voorbijgangers doet de moeite om de zak van de duif te halen. Ik denk dat het misschien komt doordat het zo’n duif is die we weleens verpletterd langs de weg zien en niemand precies weet wat ermee is gebeurd. Ik blijf staan om te kijken of een fiets de duif aanrijdt en hem vermorzelt. Het is heel makkelijk voor een gehaaste fietser om de duif aan te zien voor een papieren zak. Maar dat gebeurt niet. Misschien wil niemand tijd verspillen aan het vermorzelen van een duif in een papieren zak, hoewel het eigenlijk alleen gaat om een paar momenten. Even de fiets opzij, de zak dichtknopen met de duif erin en in de dichtstbijzijnde prullenbak gooien.
Dat ik even stil was gaan staan om naar de duif te kijken, in plaats van door te zoeken naar de man met het litteken op zijn gezicht, maakte een gevoel van ergernis bij me los. Zoals mij wel vaker is verteld, heb ik gebrek aan helderheid. Het is zomaar mogelijk dat, terwijl ik aan het wachten was op het lot van de duif, ik de man met het litteken helemaal heb gemist. De duif was er zelf kennelijk ook klaar mee en probeerde voor de eerste keer sinds ik naar hem keek, uit de zak te komen. Maar het geluid van de veren van de duif die tegen de papieren zak wreven klonk wel honderd keer zo hard. Alsof iemand ver hier vandaag het geluid van de wereld ineens op z’n hardst zette, waardoor niets meer te verdragen was.
Ik leg mijn hand op mijn linkeroor, omdat de rechter het niet meer doet, sinds ik een flinke klap had gekregen van mijn leraar Engels in groep drie. Ik ren terug naar mijn kamer. In ieder geval had ik een goed excuus voor het niet ontmoeten van drie schrijvers, een uitgever en een moderator, met wie ik toch al geen zin had om te praten, voordat alles in de avond zou beginnen.