Lieven Ameel
BALTSDANS
BY Riikka Pulkkinen
21-11-2009

Het is moeilijk om iets te zien in de donkere kerk. Ze had de snelste weg naar het theater willen nemen, maar toen ze hoorde dat haar jeugdheld, de filosoof Spinoza, vlak bij haar hotel begraven lag, moest ze er wel een kijkje gaan nemen.

Ze heeft haar beste kleren aangetrokken, want ze is van plan na het optreden van Monsters of Folk op het Royal-podium Conor Oberst ten huwelijk te vragen. Ze heeft nog niet nagedacht over wat voor leven ze samen zullen leiden. Misschien kan ze verhalen opschrijven van toevallige voorbijgangers en die op straat verkopen terwijl Conor muziek maakt. Het is gemakkelijker om de verhalen van passanten te vertellen, dan hoeft ze er zelf geen te verzinnen.

Maar nu staat ze in de bruisende stilte van de kerk.

Het is een eenvoudige grafsteen: Baruch Spinoza, 1632-1677.

‘Waarom ben je gekomen?’ vraagt Spinoza vanuit zijn graf. ‘Ik ben moe, het is een heel karwei om eeuwig te slapen.’

Zijn stem is een beetje hees; dat krijg je als je lange eeuwen in een graf doorbrengt.

‘Ik kom hier om raad te vragen,’ zegt ze. ‘Ik wil vanavond een man ten huwelijk vragen.’

‘Zo. Houd je van hem?’

‘Ja. Wel van een afstand, maar ik houd van hem.’

‘Waarom?’

‘Zijn liederen brengen mijn baarmoeder aan het dansen.’

‘Klinkt als een obsessie,’ antwoordt Spinoza. ‘Ik stel voor dat je hem al dansend het hof maakt. Dan kun je altijd nog doen alsof je gewoon maar staat te dansen en kun je je terugtrekken als het allemaal in de soep loopt. Laat je hoofd hier achter als onderpand voor mijn raadgevingen.’

‘Maar hoe kan ik hem zonder hoofd ten huwelijk vragen?’

‘Dat zei ik toch: dans!’

‘Mijn hoofd is een behoorlijk grote prijs voor je raad.’

‘Wat had je dan gedacht, dat je voor niets een filosoof om raad kunt vragen?’

‘Goed. Je krijgt mijn hoofd.’

Ze doet haar hoofd af en plaatst het op het grafmonument. Ze voelt zich een beetje treurig, want ze heeft haar ogen altijd als haar grootste troef beschouwd.

Het is een heldere avond en ze voelt hoe de frisser wordende lucht de aders in haar hals doet samentrekken. Het blijkt verrassend gemakkelijk je zonder hoofd te oriënteren. En ze heeft toch nog altijd haar benen om mee te lopen en haar handen om mee te schrijven. En haar lever.

Ja natuurlijk, denkt ze: ze heeft een lever. Misschien kan ze zich met een whisky wat moed indrinken. Ze loopt een café binnen en bestelt een Glenfiddich. Ze giet de drank in het gat in haar hals. Opeens herinnert ze zich dat haar creditcard niet werkt. Wat nu? Hoe kan ze nu haar whisky betalen?

‘Geen nood,’ zegt de barman. ‘Je kunt met je lever betalen. We hebben altijd reservelevers nodig, die lenen we onder de toonbank uit aan onze klanten.’

‘Maar dan kan ik vanavond niets meer drinken,’ zegt ze in paniek.

‘Je kunt nu alvast stevig indrinken,’ stelt hij voor. ‘Maar dan kost het natuurlijk wel meer. Laten we zeggen: voor de prijs van je handen.’

‘Goed dan,’ zegt ze. ‘Nog een driedubbele whisky, je krijgt mijn lever en mijn handen. Ik weet alleen niet goed hoe ik dan kan schrijven. Ik moet heel wat schrijven op dit festival, ik neem namelijk deel aan een project dat The Chronicles heet.’

‘Je hebt je hart nog,’ zegt de barman.

‘Dat is gereserveerd voor een huwelijksaanzoek,’ zegt ze, zonder in details te treden

Ze gaat naar buiten. Ze voelt zich onvolledig. Misschien komt het ook door het gebrek aan slaap, want de vorige nacht heeft ze tot drie uur ‘s ochtends gedanst. Ze hoorde voor de eerste keer St. Vincent zingen en raakte door haar stem in vervoering. Ze hoorde Laura Marling en Grizzly Bear en viel haast in zwijm van geluk. Van tijd tot tijd veroorzaakt geluk een onverwachte lichtheid, een gevoel alsof je zweeft.

Opeens merkt ze dat haar backstage-polsbandje is blijven hangen aan de hand waarmee ze haar whisky’s heeft betaald. Wat nu? Hoe komt ze bij het podium?

Ze vraagt het aan de portier van het theater.

‘We nemen ook benen aan als betaling,’ zegt die.

‘Maar ik moet hier optreden,’ probeert ze.

‘Zonder hoofd kunnen we je onmogelijk identificeren, je kunt om het even wie zijn.’

‘Goed dan,’ zegt ze, en ze doet haar benen uit. ‘Ik weet alleen niet goed hoe ik zonder benen kan dansen.’

‘Dansen doe je met je hart,’ zegt de portier.

In de gang van het theater ontmoet ze haar collega-schrijvers.

‘Je ziet er vandaag een beetje fragmentarisch uit,’ zegt een van hen.

‘Ja,’ geeft ze toe, ‘dit festival gaat me niet in de koude kleren zitten.’

Beneden komt ze met haar rompje vast te zitten in het gedrang. Ze valt. De hipster-jongeren lopen haar onder de voet. Haar pancreas en haar nieren knallen uit elkaar. Haar borsten worden platgetrapt. Haar tepels zijn als twee platte, verschrikte ogen.

Ze besluit haar waardeloze rompje achter te laten. Ze heeft nog altijd haar hart. Daarmee redt ze zich wel. Ze begint moeizaam in de richting van het Royal-podium te huppen.

Monsters of Folk is al begonnen. Ze is te laat. Eindelijk raakt ze dan toch bij het podium. Ze pulseert op het ritme van de muziek. Dansen kunt je het niet echt noemen. Haar linkerhartkamer bonst en haar aortaklep neemt de vorm aan van een verzoek: ‘Marry me, marry me.’

Oberst ziet haar niet. Ze hupt dichterbij. Ze ligt aan zijn voeten. ‘Marry me,’ zegt ze, hoopvol opspringend.

Als zijn voet haar raakt, wordt ze nog net overweldigd door een bedwelmend geluksgevoel: Conor heeft mij een schop gegeven! Ze vliegt over het publiek. De mensen denken dat het vliegende hart bij de voorstelling hoort.

Voor ze tegen de muur slaat en verandert in brij, hoort ze hoe iemand in het publiek fluistert: ‘Een mensenhart is best wel licht – 300 gram.’

Lieven Ameel
DOOD VAN DE AUTEUR IN EEN MINIBARBRAND
01-12-09

Toen ik genoeg had gedanst in Den Haag en in Antwerpen, kwam ik voor de laatste nacht in het hotel aan. Rond drie uur stapte ik mijn hotelkamer binnen. Ik hoorde een vreemd geluid dat uit de minibar bleek te komen. Die arme kleine ijskast probeerde zich driftig te koelen, maar stond koortsig te zweten als een hulpeloos kind. De Sprite was warm, en de reep Mars zag eruit alsof iemand hem in de zon had laten liggen.

Ik raakte in paniek en probeerde de minibar te koelen door de deur open te zetten. Ik dacht dat ik hem nieuw leven moest inblazen, net als bij een oververhitte nationale economie. Of misschien moest ik natte doekjes op zijn dakje leggen of hem gewoon volledig uitschakelen. Toen hij maar niet wilde afkoelen, begon ik bang te worden voor brand. Kortsluitingen beginnen vaak in kapotte ijskasten. Een brand door kortsluiting is snel en heet, in een ogenblik is alles voorbij. Ik zag de krantenkoppen al voor me: “Veelbelovende auteur gestorven in tragische minibarbrand”. Natuurlijk, dacht ik. Alleen rocksterren sterven in hun hotelkamer aan een overdosis drugs. Neurotisch-komische schrijfsters sterven in een onvoorziene minibarbrand.

Het zou een dramatisch einde geweest zijn van het korte optreden van de schrijfster, aan de zijde van haar boek, op het Crossing Border festival: in vlammen op te gaan. Slechts geschriften – en enkele foto’s genomen op de dansvloer, en de rekening van de minibar: 2,20 euro voor een opgegeten chocoladereep – zouden achterblijven om te bewijzen dat de auteur Pulkkinen ooit in België en Nederland was geweest.

Hoe dan ook: mijn minibar hield het vol tot de volgende ochtend. Ik ben niet gestorven. Crossing Border liep ten einde en ik vloog terug naar Helsinki. Thuis luisterde ik moe en dolgelukkig naar Patrick Watson, een van mijn ontdekkingen op Crossing Border, en ik bedacht dat ik op een bepaalde manier toch in Den Haag en Antwerpen was achtergebleven.

Thuis ben ik namelijk als schrijfster een beetje iemand anders. Ik dans evenveel, ik lach, maar ik schrijf op een andere manier.

Ik geloof dat het bij schrijven gaat om het aannemen van verschillende rollen. Voor mijn part mag je schrijvers schizofreen noemen, of empatische ethici, in elk geval doen ze zich voortdurend als andere mensen voor, met de bedoeling nieuwe ervaringen op te roepen. Daarna glippen ze stilletjes weg – of gaan ze onder in een minibarbrand – en laten een tekst achter. De lezer installeert zich in de tekst en vindt er zichzelf. Zo hoort het te gaan.

Het beste aan Crossing Border – naast de muziek – was dat: doen alsof ik iemand anders was. Opeens schreef ik op een heel andere manier dan vroeger. Ik stond verbijsterd van mezelf: zat er iets in het water? Was dat de oorzaak van die verandering in stijl? Misschien. Of misschien was het gewoon de unieke sfeer op het festival, en het uitzonderlijke karakter van het Chronicles-project. Nog nooit eerder heb ik zo ongedwongen elke dag een kleine novelle geschreven. Nog nooit eerder kreeg ik de kans om met behulp van dagelijkse muzikale belevenissen een soort live soundtrack in mijn tekst te integreren.

En dus schreef ik bizarre, korte novellen over vrouwen zonder hoofd en over ingebeelde grensposten. Ik heb geen idee waar ze vandaan kwamen. Ze ontstonden uit de muziek of uit mij of uit de auteur die vorige nacht omkwam in een ingebeelde minibarbrand in een Antwerps hotel.

Ik hoop dat de lezer zichzelf in deze korte novellen vindt, en dat hij mij vindt, als de schrijfster die ik was toen ik Crossing Border bezocht tijdens vijf dagen in november 2009. En we zullen elkaar groeten, en misschien een polka dansen.

DE GRENS
22-11-09

De bus, volgepakt met kunstenaars, ijlt van Den Haag naar Antwerpen. Crossing Border, maar dan letterlijk. Wie nog nooit eerder in Nederland is geweest, verbaast zich over de windmolens. Niemand verbaast zich over een Ikea-vestiging die in het midden van de velden staat te pronken.

‘Wanneer gaan we de grens over?’ vraagt iemand.

‘Is er eigenlijk wel een grens?’ vraagt iemand anders.

‘Het Schengen-akkoord,’ zegt een derde, ‘geen grenzen meer.’

Opeens vertraagt de bus, en hij komt tot stilstand. Er stapt een douanebeambte in. Hij lijkt een beetje op George W. Bush.

‘Wat zullen we nou beleven?’ vraagt de buschauffeur. ‘Ik heb hier nog nooit douane gezien.’

‘Nu wel,’ zegt Bush. ‘Dit is een nieuwe richtlijn. Het betreft een nieuw programmaplan voor de Europese integratiegedachte. Aan de grens houden we alle kunstenaarsgroepen aan en we stellen hen bepaalde vragen, in de eerste plaats aangaande grensoverschrijdingen. We kunnen ook vragen stellen over de definitie van Europa. Zijn er vrijwilligers? Er moeten documenten ingevuld worden.’

De kunstenaars verbergen zich achter hun sjaals en bontmutsen en gitaren: ze zijn hier naartoe gekomen om op te treden, niet om over grenzen te praten.

‘Ik heb gehoord dat zich hier een schrijfster bevindt die een boek heeft geschreven met als titel “De Grens”. Zij mag dit formulier komen invullen.’

‘Het is die vrouw met zwart haar die daar in haar krappe jurk schichtig rond zit te kijken. Die zowel zorgen als euforie lijkt mee te dragen. Gaat u maar naar haar toe, en ondervraagt u haar.’

De vrouw wordt naar het douanegebouw geleid. Binnen liggen er allerlei formulieren. Op één ervan staat De Europese Droomgeschreven.

‘We proberen competitief te blijven,’ legt Bush uit, en hij streelt trots over het droomformulier. De vrouw haalt haar schouders op. Ze denkt: misschien heeft elk continent zijn eigen dromen nodig.

‘Zo,’ zegt Bush. ‘Het is heel eenvoudig. Ik stel de vragen, en u antwoordt. We vullen samen dit formulier in, en daarna mag u uw reis naar Antwerpen voortzetten. Alle informatie wordt gebundeld en op basis van die gegevens stellen we een nieuwe filosofie op over de Europese gemeenschappelijkheid. U kunt zich wel voorstellen dat er heel wat kunstenaars deze grens zijn gepasseerd. Bono, Lars von Trier… Maar nu ter zake. Vraag nummer één.’

Hij begint wat zachter te spreken en heft het formulier theatraal in de lucht.

‘Wat denkt u van grenzen?’

‘Nou,’ begint ze, ‘in mijn roman De Grens probeer ik de grenzen van de menselijke identiteit te behandelen, en hoe die grenzen onvermijdelijk worden overschreden. Een verzoek en het antwoord op een verzoek zijn op zich al een soort van grensoverschrijdingen. En dan is er natuurlijk ook de liefde. In mijn roman overschrijdt de liefde, de kracht van de liefde, de wet…’

‘Ik ben niet geïnteresseerd in de liefde,’ onderbreekt Bush haar. ‘Ik ben geïnteresseerd in Europa. Kunt u me vertellen wat u denkt van de grenzen van Europa. Is Europa één en homogeen, of is het een continent dat door grenzen wordt doorsneden?’

Ze denkt even na.

‘Europa is net als Monsters of Folk. Ik zag ze gisteren optreden op het Crossing Border- festival in Den Haag. Er waren heel wat belangwekkende metaforen over grensoverschrijdingen in het optreden aanwezig. Monsters of Folk bestaat uit muzikanten van drie verschillende bands. Ieder heeft zijn eigen plaats, maar niemand is gebonden aan een bepaalde rol. Ze kunnen ook elkaars liedjes zingen. Een soort van Schengen dus.’

Bush maakt een aantekening in zijn formulier.

‘Monsters of Folk,’ mompelt hij met verveelde stem.

Dan komt hij tot leven. Hij haalt aarzelend zijn wenkbrauwen op en steekt zijn wijsvinger in de lucht.

‘Is dat een Amerikaanse band?’

‘Ja.’

‘Aha!! Dus u definieert Europa met behulp van een Amerikaanse rockband! Valt dat volgens u te rijmen met de Europese gedachte?’

‘Een folkband,’ verbetert ze. ‘Het gaat om een folkband.’

‘Nog beter. Dus u definieert de Europese gedachte op basis van Amerikaanse volksmuziek.’

‘Goed dan,’ zegt ze. ‘Het was niet echt een goede vergelijking. Ik probeer het met iets anders. In Europa gaat het ook om taalgrenzen en om het overschrijden van taalgrenzen. Ik hoorde gisteren een Belgische dichter die zijn gedichten voorlas. Ik begreep er geen woord van. Maar door hoe hij praatte, begreep ik wel op een of andere manier waarover hij het had. Ik oversteeg de taalbarrière – of misschien moet ik wel zeggen de taalgrens. Ik vertrok van iets bekends naar iets onbekends en aan de andere kant van de grens vond ik tot mijn verrassing iets vertrouwds. Daarover gaat het misschien wel als je een grens oversteekt. Daarover gaat het op Crossing Border.’

‘En hij was een Belg, die dichter?’

‘Dat klopt.’

Bush zet opgelucht een kruisje op een van zijn papieren.

‘Goed. En dan als laatste nog een meerkeuzevraag. Is Europa volgens u A) af B) onaf of C) geen van beide, iets anders?’

‘Geen van beide.’

De douanebeambte ziet er uitgeput uit. Zijn werkdruk in aanmerking genomen, had hij misschien wel gehoopt dat ze “af” had geantwoord.

‘Wat is het dan wel?”

‘Open, absoluut open.’

Bush denkt even na over dit antwoordt. Dan drukt hij een stempel op het formulier.

‘Goed dan,’ zegt hij. ‘U kunt gaan, de grens is voor u geopend.’

BALTSDANS
21-11-09

Het is moeilijk om iets te zien in de donkere kerk. Ze had de snelste weg naar het theater willen nemen, maar toen ze hoorde dat haar jeugdheld, de filosoof Spinoza, vlak bij haar hotel begraven lag, moest ze er wel een kijkje gaan nemen.

Ze heeft haar beste kleren aangetrokken, want ze is van plan na het optreden van Monsters of Folk op het Royal-podium Conor Oberst ten huwelijk te vragen. Ze heeft nog niet nagedacht over wat voor leven ze samen zullen leiden. Misschien kan ze verhalen opschrijven van toevallige voorbijgangers en die op straat verkopen terwijl Conor muziek maakt. Het is gemakkelijker om de verhalen van passanten te vertellen, dan hoeft ze er zelf geen te verzinnen.

Maar nu staat ze in de bruisende stilte van de kerk.

Het is een eenvoudige grafsteen: Baruch Spinoza, 1632-1677.

‘Waarom ben je gekomen?’ vraagt Spinoza vanuit zijn graf. ‘Ik ben moe, het is een heel karwei om eeuwig te slapen.’

Zijn stem is een beetje hees; dat krijg je als je lange eeuwen in een graf doorbrengt.

‘Ik kom hier om raad te vragen,’ zegt ze. ‘Ik wil vanavond een man ten huwelijk vragen.’

‘Zo. Houd je van hem?’

‘Ja. Wel van een afstand, maar ik houd van hem.’

‘Waarom?’

‘Zijn liederen brengen mijn baarmoeder aan het dansen.’

‘Klinkt als een obsessie,’ antwoordt Spinoza. ‘Ik stel voor dat je hem al dansend het hof maakt. Dan kun je altijd nog doen alsof je gewoon maar staat te dansen en kun je je terugtrekken als het allemaal in de soep loopt. Laat je hoofd hier achter als onderpand voor mijn raadgevingen.’

‘Maar hoe kan ik hem zonder hoofd ten huwelijk vragen?’

‘Dat zei ik toch: dans!’

‘Mijn hoofd is een behoorlijk grote prijs voor je raad.’

‘Wat had je dan gedacht, dat je voor niets een filosoof om raad kunt vragen?’

‘Goed. Je krijgt mijn hoofd.’

Ze doet haar hoofd af en plaatst het op het grafmonument. Ze voelt zich een beetje treurig, want ze heeft haar ogen altijd als haar grootste troef beschouwd.

Het is een heldere avond en ze voelt hoe de frisser wordende lucht de aders in haar hals doet samentrekken. Het blijkt verrassend gemakkelijk je zonder hoofd te oriënteren. En ze heeft toch nog altijd haar benen om mee te lopen en haar handen om mee te schrijven. En haar lever.

Ja natuurlijk, denkt ze: ze heeft een lever. Misschien kan ze zich met een whisky wat moed indrinken. Ze loopt een café binnen en bestelt een Glenfiddich. Ze giet de drank in het gat in haar hals. Opeens herinnert ze zich dat haar creditcard niet werkt. Wat nu? Hoe kan ze nu haar whisky betalen?

‘Geen nood,’ zegt de barman. ‘Je kunt met je lever betalen. We hebben altijd reservelevers nodig, die lenen we onder de toonbank uit aan onze klanten.’

‘Maar dan kan ik vanavond niets meer drinken,’ zegt ze in paniek.

‘Je kunt nu alvast stevig indrinken,’ stelt hij voor. ‘Maar dan kost het natuurlijk wel meer. Laten we zeggen: voor de prijs van je handen.’

‘Goed dan,’ zegt ze. ‘Nog een driedubbele whisky, je krijgt mijn lever en mijn handen. Ik weet alleen niet goed hoe ik dan kan schrijven. Ik moet heel wat schrijven op dit festival, ik neem namelijk deel aan een project dat The Chronicles heet.’

‘Je hebt je hart nog,’ zegt de barman.

‘Dat is gereserveerd voor een huwelijksaanzoek,’ zegt ze, zonder in details te treden

Ze gaat naar buiten. Ze voelt zich onvolledig. Misschien komt het ook door het gebrek aan slaap, want de vorige nacht heeft ze tot drie uur ‘s ochtends gedanst. Ze hoorde voor de eerste keer St. Vincent zingen en raakte door haar stem in vervoering. Ze hoorde Laura Marling en Grizzly Bear en viel haast in zwijm van geluk. Van tijd tot tijd veroorzaakt geluk een onverwachte lichtheid, een gevoel alsof je zweeft.

Opeens merkt ze dat haar backstage-polsbandje is blijven hangen aan de hand waarmee ze haar whisky’s heeft betaald. Wat nu? Hoe komt ze bij het podium?

Ze vraagt het aan de portier van het theater.

‘We nemen ook benen aan als betaling,’ zegt die.

‘Maar ik moet hier optreden,’ probeert ze.

‘Zonder hoofd kunnen we je onmogelijk identificeren, je kunt om het even wie zijn.’

‘Goed dan,’ zegt ze, en ze doet haar benen uit. ‘Ik weet alleen niet goed hoe ik zonder benen kan dansen.’

‘Dansen doe je met je hart,’ zegt de portier.

In de gang van het theater ontmoet ze haar collega-schrijvers.

‘Je ziet er vandaag een beetje fragmentarisch uit,’ zegt een van hen.

‘Ja,’ geeft ze toe, ‘dit festival gaat me niet in de koude kleren zitten.’

Beneden komt ze met haar rompje vast te zitten in het gedrang. Ze valt. De hipster-jongeren lopen haar onder de voet. Haar pancreas en haar nieren knallen uit elkaar. Haar borsten worden platgetrapt. Haar tepels zijn als twee platte, verschrikte ogen.

Ze besluit haar waardeloze rompje achter te laten. Ze heeft nog altijd haar hart. Daarmee redt ze zich wel. Ze begint moeizaam in de richting van het Royal-podium te huppen.

Monsters of Folk is al begonnen. Ze is te laat. Eindelijk raakt ze dan toch bij het podium. Ze pulseert op het ritme van de muziek. Dansen kunt je het niet echt noemen. Haar linkerhartkamer bonst en haar aortaklep neemt de vorm aan van een verzoek: ‘Marry me, marry me.’

Oberst ziet haar niet. Ze hupt dichterbij. Ze ligt aan zijn voeten. ‘Marry me,’ zegt ze, hoopvol opspringend.

Als zijn voet haar raakt, wordt ze nog net overweldigd door een bedwelmend geluksgevoel: Conor heeft mij een schop gegeven! Ze vliegt over het publiek. De mensen denken dat het vliegende hart bij de voorstelling hoort.

Voor ze tegen de muur slaat en verandert in brij, hoort ze hoe iemand in het publiek fluistert: ‘Een mensenhart is best wel licht – 300 gram.’

LAURA EN IK VOOR DE WET
20-11-09

Het is een fraai gebouw, lijkt een beetje op een kasteel. Ik heb gehoord dat recht en vrede en de vrijheid van meningsuiting hier allemaal samenwonen, in deze stad met de naam die ik maar niet kan uitspreken zonder te spugen, en in dit gebouw, met op de top van de hoogste toren een pralende haan.

Op de bank zit een meisje, ze is blond en eet marshmallows. Ze ziet eruit alsof ze besloten heeft om een nieuwe paragraaf aan de internationale wetgeving toe te voegen, over vertrouwen: ze heeft ogen die zeggen dat je nergens bang voor hoeft te zijn. Zo’n meisje om samen mee op het dak van hoge gebouwen te klimmen, naar beneden te spuwen, naar de camera te glimlachen, een foto te nemen, je tong uit te steken naar de hellende hemel.

Ik ken haar wel: ze heet Laura Marling. Ze zingt over grote dingen op een lichte manier, alsof ze het heeft over ijsjes eten op een zomeravond ergens in een pretpark.

Ik voel dat ik met Laura over iets gewichtigs wil praten. En dus begin ik over de oerzonde:

‘Voel jij ook een vreemd schuldgevoel in dit soort plaatsen?’ vraag ik. ‘Dat overkomt me soms als ik voor zulke belangrijke gebouwen sta: plots heb ik het gevoel alsof ik iets verkeerds heb gedaan. Net als toen ik nog een kind was en bang was dat ik zonder het te beseffen een reep chocolade in een winkel had gestolen, en me onder mijn bed ging verstoppen voor de autoriteiten.’

Laura kijkt me aan alsof ik een in één keer opgegeten oliebol ben. Ze werpt een blik op het gebouw, op de haan, de torens.

‘Ik vind dat dit kutgebouw lijkt op een stripkasteel’, zegt ze kortaf.

Ze staat op en schopt tegen een steen aan de rand van het monument. Ik bedenk dat ze lijkt op de Laura in haar liedjes: rebels, onbezorgd. Misschien heeft ze ook wel haar eigen geheime zorgen, maar ze zingt ze over de daken alsof het leven een spel is.

‘En bovendien,’ zegt ze dan, ‘heb ik niet de gewoonte om me schuldig te voelen. Meestal geef ik mijn moeder van alles de schuld, dat lucht op. Moet je ook proberen.’

Ze ziet er opeens uit als een ondeugend kind. Ze zegt:

‘Ik heb wel zin om een relletje te schoppen, misschien brengt dat wat leven in het hele systeem.’

Ze staat al voor de deur, probeert door de poort naar de binnenplaats te gaan. Ik aarzel, maar ga haar toch achterna. Een bewaker houdt ons tegen en wil ons pasje zien.

‘We zijn kunstenaars,’ probeer ik. ‘We hebben geen pas nodig. Bovendien hebben we iets te vertellen. Mijn vriend de filosoof heeft gezegd dat het internationaal recht de laatste jaren in een crisis is beland. Denk er maar eens over na. Sinds de terroristische aanslagen in 2001 heeft de wet niet meer dezelfde betekenis als vroeger. Ik denk dat het ook iets te maken heeft met de economische crisis. Het probleem van de soevereiniteit van staten en zo. Als we nou eens naar binnen gingen om onze mening te geven?’

Ik ondersteun mijn woorden door met mijn armen in de lucht te zwaaien.

‘Dat noemen ze vrijheid van meningsuiting,’ voeg ik er nog aan toe, trots dat ik die uitdrukking kan gebruiken.

‘Ga maar ergens anders heen om aan vrijheid van meningsuiting te doen. Ga voor mijn part naar een pretpark. Marshmallows hebben jullie al.’

Laura vindt de bewaker een idioot. En ik ben ook stom.

‘Als je wilt praten over vrijheid van meningsuiting en over de wet, dan moet je ze  niet bij naam noemen, dat verpest het helemaal,’ zegt ze.

‘Wat moet ik dan zeggen?’ vraag ik een beetje gekwetst.

Ze haalt haar schouders op.

‘Hoe zou ik dat moeten weten? Praat maar over oliebollen.’

‘Maar ik wil praten over belangrijke dingen,’ zeg ik. ‘Ik wil praten over vrijheid!’

‘Nou, ga je gang,’ zegt Laura. Ze klinkt ongeduldig. ‘Vertel maar iets. Je bent vrij om te zeggen wat je wilt, ik luister.’

Ik denk even na. Nu moet ik iets belangrijks zeggen. De spanning stijgt en Laura ziet er ongeduldig uit.

‘Nou?’

Ik kan niets bedenken. Oliebol is het enige woord dat in me opkomt.

Dan schieten me Griekse begrippen te binnen.

‘Wist je dat vrijheid van meningsuiting oorspronkelijk komt van het Griekse woord parrhesia? En ook isegoria heeft dezelfde betekenis. Mijn vriend de filosoof heeft gezegd dat…’

Laura onderbreekt me.

‘Wat!? Nu je eindelijk eens de mogelijkheid hebt om te zeggen wat je wilt, sta je te praten over oude dode woorden! En dat durft zich schrijver te noemen! Je bent zo onorigineel dat ik ervan moet walgen.’

‘Bedenk jíj dan iets origineels,’ zeg ik.

Ik zwijg gekwetst. Ik ben niet van plan nog een woord te zeggen. Ik ben zo stom als Karadzic in de rechtszaal.

Ze haalt haar schouders op. Dan glimlacht ze, en zegt:

‘Cross your fingers hold your toes, we’re all gonna die when the building blows.’

MIJN DWARSE PUBER
02-11-09

Ik droomde dat ik een nieuwe computer had met een moderne eigenschap: je kon hem net als een vliegtuig op automatische piloot zetten. Ik probeerde het uit en voegde de trefwoorden ‘Den Haag’ en ‘column’ in. De computer stelde een column voor met als onderwerp Derrida’s Kafka-analyse Before the Law. ‘Je bent toch op weg naar Den Haag, niet?’ vroeg hij (even terzijde: zijn stem leek op die van Woody Allen). ‘Het is toepasselijk om het in Den Haag te hebben over Kafka, over de wet en over Derrida.’ Toen ik wakker werd, leken de ideeën van die Woody Allen-automatische piloot me niet meer zo goed. Het ging per slot van rekening toch om míjn boek.

De wet – en hoe de juridische letter van de wet zijn betekenis verliest tegenover een verzoek – is toevallig een van de belangrijkste thema’s van mijn debuut De Grens. Toen ik De Grens begon te schrijven was ik twintig jaar oud. Ik had gelezen over Emmanuel Levinas’ ethiek van het verzoek. Ik wilde een roman schrijven waarin mensen elkaar een verzoek doen – een verzoek dat de wet overschrijdt. Zo ontstond het verhaal van Mari en Julian, van Anja en Anni. Een verhaal waarin mensen gaan sterven, waarin ze vragen om te sterven en uiteindelijk ook werkelijk doodgaan, een verhaal waarin niettemin de meeste mensen in leven blijven om te vertellen over de kracht van een verzoek.

Mijn boek is intussen in twee talen vertaald: in het Nederlands en in het Ests. Als je boek wordt vertaald en in een ander land een leven begint te leiden, is het net alsof je een kind hebt dat begint te puberen. Je dochter vertrekt op reis. Je geeft haar geld, probeert haar fatsoenlijke kleren aan te trekken, drukt haar op het hart uit de buurt te blijven van ongure mannetjes. Maar ondanks alle waarschuwingen trekt ze een minirokje aan en wapent ze zich met luidruchtige meningen. Ze schaamt zich nergens voor. Ze is ervan overtuigd dat ze al haar ideeën helemaal zelf heeft bedacht, dat niemand anders ooit zoiets diepzinnigs heeft gedacht. Ze zegt: these en antithese van een roman zijn gelijkwaardig en bestaan in het spanningsveld tussen de romanpersonages – daarom gaat romankunst eerst en vooral over ethiek.

Als ik haar probeer te bellen stuurt ze een foto die ze met haar mobieltje van zichzelf heeft gemaakt voor het Rembrandthuis. Ik stuur haar als antwoord een berichtje: ‘Als je maar niet vloekt!’ Maar ik krijg geen antwoord. Via andere mensen – de lezers – krijg ik berichtjes van haar: ‘Het is hier fucking fantastisch! Vorige week heb ik in Amsterdam lopen chillen met een paar coole gasten, ik ga nooit meer terug naar huis!’

Nu is De Grens in Den Haag. Ik ben bang dat ze luidruchtig zal zijn, en categorisch in haar opvattingen, zoals jongeren altijd zijn. Ik ben bang dat ze me belachelijk zal maken door te gaan demonstreren in de hal van het Internationaal Strafhof, en dat ze Kafka koppig fout gaat citeren: ‘Voor de wet staat niet alleen een wachter, maar ook een verzoek’. Ik ben bang dat mijn puber op ongepaste momenten over de Griekse tragedie zal beginnen te praten, dat ze tegelijkertijd hooggestemd en ongehoord boers zal zijn, en dat ze fucking als stopwoordje zal gebruiken.

Ik ga haar achterna. Ik trek rode schoenen aan met hoge hakken. Ik neem mijn belangrijkste gedachten mee, en een beetje geduld. Ik ben niet van plan om naar Den Haag te gaan om mijn eersteling de mond te snoeren. Ze mag best beweren wat ze wil. Ik kan niet uitleggen wat ze bedoelt, of mensen helpen haar te begrijpen. Zo gaat het met boeken en met mensenkinderen: uiteindelijk gaan ze hun eigen leven leiden. Maar de auteur die haar gebaard heeft, die sterft niet. Die is springlevend. Daar is ze, daar komt ze op haar hoge hakken. Kijk eens, ze heeft wat lippenstift op. Aandoenlijk, hoe doorzichtig behaagziek ze is. Ze klopt haar pubertje op de schouder. Die antwoordt geërgerd: ‘Godverdomme ma, ik had het hier zonder jou ook wel afgekund.’

En uiteindelijk maken de auteur en haar boek er samen nog een leuke boel van. ‘s Avonds gaan ze dansen. Ze zijn niet meer een moeder met haar onbeschofte dochter – van ver lijken ze eerder zussen. Als ze naar hun tafel terugkeren, praten ze met elkaar. Dat is hedendaagse literatuur. Een roman draagt argumenten en tegenargumenten in zich – een auteur gaat het gesprek aan.