Eerst is daar het strand, de kustlijn die door mijn raampje loopt. Dan het kanaal, de dijk en de witte windmolens. Vlak bij het kanaal blaast een fabriek witte rook uit, die opgaat in de wolken. Plots buigt het vliegtuig af, en vanuit deze nieuwe hoek zie ik de zon in mijn raam verschijnen. Het licht is zo fel dat ik bijna niets kan zien, maar zelfs dan kan ik de watervlekken onderscheiden, de tekeningen die de kanalen op het land maken, een zwerm witte vogels die onder het vliegtuig door vliegt, een kudde koeien en twee speelgoedvarkentjes in een weiland.
Op aanraden van mijn moeder heb ik tijdens mijn vlucht in het boek Eye of the Beholder zitten lezen, dat het verhaal vertelt van Johannes Vermeer en Antoni van Leeuwenhoek. Ze zei dat ik het moest lezen omdat het zich afspeelt in Den Haag, maar ze heeft zich vergist, het vindt allemaal plaats in Delft. Ik las het evengoed, omdat Delft dichtbij genoeg is, en omdat ik het onderwerp fascinerend vind. Het boek begint met een beschrijving van Vermeer met zijn camera obscura, turend naar de scherpe afbeelding van een vrouw die op een virginaal speelt. De camera weerspiegelt kleuren die helderder zijn dan in het echt.
Vervolgens verplaatst de vertelling zich naar het huis van Van Leeuwenhoek, naar enkele schilderijen uit het huis van Vermeer (uit het huis van zijn schoonmoeder, eigenlijk), waar de wetenschapper voor de eerste keer, door een microscoop, het universum van minuscule beestjes aanschouwt dat ons omgeeft en bedekt.
Ik moet ineens denken aan een ander boek, van Julian Barnes, waarin de eerste keer dat een menselijk wezen met het vliegtuig ging wordt beschreven, de eerste keer dat de wereld in miniatuur werd gezien, zoals ik haar nu zie.
Dit is niet de eerste keer dat een mens de wereld vanuit de lucht bekijkt, maar een eerste keer is het toch, de eerste keer dat ik boven Nederlandse grond vlieg. Ik probeer op te schrijven wat ik zie, gefrustreerd door die paradox die me tot wanhoop drijft: ik weet dat ik terwijl ik schrijf het landschap uit het oog verlies, met elke seconde ontgaat me een beeld.
Caroline
We reizen samen van het vliegveld naar het hotel. Caroline komt uit Denemarken en we kunnen het meteen goed met elkaar vinden. Ik heb mijn zoon van één jaar en elf maanden in Mexico achtergelaten en zij heeft haar kindje ook voor het eerst achter moeten laten. Ik vind het gemis ondraaglijk, Caroline is juist kalm, maar ze begrijpt me volkomen. Nadat we ons hebben geïnstalleerd, gaan we samen heerlijk eten in een Indonesisch restaurant. Op de terugweg werpen we een blik op het kanaal in de nacht.
Mauritshuis
Ik kom Caroline toevallig tegen in de rij voor het museum en we gaan samen naar binnen. In mijn hoofd maak ik een lijst van onderwerpen waar ik een keer over zou willen schrijven:
– Portretten van lachende mensen.
– Portretten van naaiende vrouwen.
– Dat schilderij van Nicolaes Maes van een vrouw die de beurs van een slapende man steelt.
Over het schilderij dat Vermeer gemaakt heeft van een straat in Delft staat op een bordje:
‘De kleuren van de gebouwen zijn iets helderder dan in werkelijkheid.’
Regen
Volgens het weerbericht gaat het morgen al vroeg regenen. Mijn plan om naar het strand te gaan slaat nergens op. Ik heb geen andere keus dan mezelf in een museum op te sluiten. Of misschien kan
ik die enorme maquette gaan bekijken van Nederland in het klein, misschien kan iemand me daar uitleggen wat voor vogels het waren die ik in een witte zwerm onder het vliegtuig door zag vliegen.