Alyssia Sebes
BY Jazmina Barrera
Op het eerste gezicht
01-11-2019

Eerst is daar het strand, de kustlijn die door mijn raampje loopt. Dan het kanaal, de dijk en de witte windmolens. Vlak bij het kanaal blaast een fabriek witte rook uit, die opgaat in de wolken. Plots buigt het vliegtuig af, en vanuit deze nieuwe hoek zie ik de zon in mijn raam verschijnen. Het licht is zo fel dat ik bijna niets kan zien, maar zelfs dan kan ik de watervlekken onderscheiden, de tekeningen die de kanalen op het land maken, een zwerm witte vogels die onder het vliegtuig door vliegt, een kudde koeien en twee speelgoedvarkentjes in een weiland.

Op aanraden van mijn moeder heb ik tijdens mijn vlucht in het boek Eye of the Beholder zitten lezen, dat het verhaal vertelt van Johannes Vermeer en Antoni van Leeuwenhoek. Ze zei dat ik het moest lezen omdat het zich afspeelt in Den Haag, maar ze heeft zich vergist, het vindt allemaal plaats in Delft. Ik las het evengoed, omdat Delft dichtbij genoeg is, en omdat ik het onderwerp fascinerend vind. Het boek begint met een beschrijving van Vermeer met zijn camera obscura, turend naar de scherpe afbeelding van een vrouw die op een virginaal speelt. De camera weerspiegelt kleuren die helderder zijn dan in het echt.

Vervolgens verplaatst de vertelling zich naar het huis van Van Leeuwenhoek, naar enkele schilderijen uit het huis van Vermeer (uit het huis van zijn schoonmoeder, eigenlijk), waar de wetenschapper voor de eerste keer, door een microscoop, het universum van minuscule beestjes aanschouwt dat ons omgeeft en bedekt.

Ik moet ineens denken aan een ander boek, van Julian Barnes, waarin de eerste keer dat een menselijk wezen met het vliegtuig ging wordt beschreven, de eerste keer dat de wereld in miniatuur werd gezien, zoals ik haar nu zie.

Dit is niet de eerste keer dat een mens de wereld vanuit de lucht bekijkt, maar een eerste keer is het toch, de eerste keer dat ik boven Nederlandse grond vlieg. Ik probeer op te schrijven wat ik zie, gefrustreerd door die paradox die me tot wanhoop drijft: ik weet dat ik terwijl ik schrijf het landschap uit het oog verlies, met elke seconde ontgaat me een beeld.

Caroline

We reizen samen van het vliegveld naar het hotel. Caroline komt uit Denemarken en we kunnen het meteen goed met elkaar vinden. Ik heb mijn zoon van één jaar en elf maanden in Mexico achtergelaten en zij heeft haar kindje ook voor het eerst achter moeten laten. Ik vind het gemis ondraaglijk, Caroline is juist kalm, maar ze begrijpt me volkomen. Nadat we ons hebben geïnstalleerd, gaan we samen heerlijk eten in een Indonesisch restaurant. Op de terugweg werpen we een blik op het kanaal in de nacht.

Mauritshuis

Ik kom Caroline toevallig tegen in de rij voor het museum en we gaan samen naar binnen. In mijn hoofd maak ik een lijst van onderwerpen waar ik een keer over zou willen schrijven:

– Portretten van lachende mensen.

– Portretten van naaiende vrouwen.

– Dat schilderij van Nicolaes Maes van een vrouw die de beurs van een slapende man steelt.

Over het schilderij dat Vermeer gemaakt heeft van een straat in Delft staat op een bordje:

‘De kleuren van de gebouwen zijn iets helderder dan in werkelijkheid.’

Regen

Volgens het weerbericht gaat het morgen al vroeg regenen. Mijn plan om naar het strand te gaan slaat nergens op. Ik heb geen andere keus dan mezelf in een museum op te sluiten. Of misschien kan

ik die enorme maquette gaan bekijken van Nederland in het klein, misschien kan iemand me daar uitleggen wat voor vogels het waren die ik in een witte zwerm onder het vliegtuig door zag vliegen.

Alyssia Sebes
18-11-19

Ik las Mauro Libertella’s laatste blog voor de vorige festival-editie en dacht: bingo! Ik wil ook een afscheidsbrief schrijven aan mijn nieuwe vrienden. Zeggen dat ik me voorstel dat ze weer thuis zijn of dat ze samen zitten te vertalen in Amsterdam. Dat ik me hun stad probeer voor te stellen en hun winter en hun familie, en wil weten hoe het met ze gaat, of ze een goede terugreis hebben gehad.

Maar dan bedenk ik dat de helft van jullie dit blog niet kunnen lezen, omdat jullie geen Spaans of Nederlands spreken, net zoals ikzelf de helft van jullie blogs niet heb kunnen lezen. Het mooiste aan The Chronicles is, volgens mij, het samenvloeien van talen, de mogelijkheid om naar het ritme van ieders taal te luisteren en te zien hoe ook die transformeert, hoe de partituren van onze talen met andere instrumenten worden gespeeld. Want als we woorden niet begrijpen is er altijd nog hun ritme, hun muziek op zich, zonder de afleiding van betekenissen. Dat is prachtig, maar eerlijk gezegd ook frustrerend, want ik zou willen dat iedereen deze afscheidsbrief kon lezen en ik wil die van jullie ook kunnen lezen.

Maar het maakt niet uit, daar gaat het niet om. Ik schrijf de helft van de tijd aan doden, afwezigen en personages die niet bestaan. Daar ben ik aan gewend. Dus hier komt het:

Hoe gaat het, vrienden? Is jullie week goed begonnen? Ik heb nog niet zoveel te vertellen. Mijn vliegtuig landde vroeg in de ochtend en eenmaal thuis hield ik mezelf bezig, tot mijn man uit Chili terugkwam en mijn zoontje wakker werd. Ik waste me grondig – want de vrouw die naast me zat in het vliegtuig had de longen uit haar lijf gehoest – en pakte mijn koffer uit. Rond zessen werd ik met een grote glimlach verwelkomd door een nog half slapende Silvestre. Hij vertelde me over vissen in een meer, die misschien in zijn droom waren voorgekomen. Toen hij helemaal wakker was, vroeg hij: ‘En mijn speelgoed?’ Dus gaf ik hem zijn cadeautjes, behalve het setje poppen dat ik jammer genoeg – zoals gewoonlijk – in het hotel was vergeten. We speelden de hele dag.

Gisteren en vandaag heb ik het rustig aan kunnen doen en daar heb ik echt van genoten. Het einde van het jaar, het einde van het decennium komt als een gigantische wervelstorm op me af geraasd, maar die paar dagen zonder verplichtingen, waarop ik tijd heb om te lezen en te schrijven, zijn balsem op de wonde.

Laat nog eens van jullie horen, vrienden. Geef af en toe een teken van leven. Kom bij me op bezoek in Mexico. En mochten jullie nog eens in Den Haag zijn, red dan alsjeblieft de kabouter en matroos die misschien nog in een hoekje van kamer 307 van het hotel liggen.

Veel liefs,

Jazmina

05-11-19

Dit laatste blog zou, terecht, sentimenteel worden. Ik wilde het hebben over vluchtige vriendschappen en over hoe wreed afstand is. Ik wilde beginnen met de wandeling over het strand, met de tramreis. Ik zou vertellen hoe onze tram een botsing kreeg (de traagste botsing uit de geschiedenis) voor het Vredespaleis. Ik zou het weinig boeiende strand beschrijven, met die gigantische buis die het uitzicht op zee en inspiratie blokkeerde. Ik zou eindigen met het interview met Tracey Thorn waar we op het festival naar luisterden, en vertellen hoe ik uren later het refrein van Missing liep te neuriën, heel toepasselijk voor een afscheid.

Geen verroeste buis, maar mijn woede zit deze weemoedige blog in de weg. Ik heb geprobeerd het voorval los te laten, maar het bleef de hele dag door mijn hoofd spoken, en nu moet ik er maar over vertellen.

’s Morgens vroeg ging ik met een busje naar het vliegveld van Amsterdam. Ik checkte mijn koffers in en kocht een treinkaartje naar het centraal station. De wagon zat vol. In een vierzits zaten vier stevige, kalende mannen die Engels spraken met een Brits accent. Een van hen bood me zijn stoel aan en ik ging zitten. Ik haalde mijn boek (De zomer zonder mannen van Siri Hustvedt) tevoorschijn en probeerde te lezen, maar die Britten waren heel luidruchtig. Dat niet alleen, ze hadden het ook nog eens over mij. Ik kon moeilijk verstaan wat ze zeiden, door hun dubbele tong, ze waren dronken, er hing een dranklucht om hen heen en ze hadden piepschuim bekers vol bier, maar algauw werd me duidelijk dat ze mij en mijn boek belachelijk maakten. Ik stond op. Een van de mannen riep: Don’t go! Ik zei dat ik er al uit moest – dat was natuurlijk niet waar. Vervolgens riep een van hen dreigend: I go down with you, bitch! En hij probeerde op te staan. Zijn vriend zei calm down tegen hem, maar hij bleef schreeuwen. Ik weet niet wat hij verder nog zei, want ik baande me met mijn ellebogen een weg door de menigte, liep een paar wagons door tot ik een vrije plek vond waar ik tot aan mijn halte kon blijven zitten. Zoals altijd slikte ik mijn woede in en schoten er talloze dingen door mijn hoofd die ik terug had kunnen roepen: You wish, asshole! of Shut up, buttface!

De rest van de dag bleef ik maar aan het voorval denken: zoals toen ik dat kopje tegenkwam in het museum waarop stond Do women have to be naked to get into the Met Museum? Less than 5% of the artists in the Modern Art Sections are women, but 85% of the nudes are female.

En ook daarna, toen ik over De Wallen liep en even stilhield voor het raam van een vrouw van mijn leeftijd in een zwarte beha. Ik vroeg me dingen over haar af: of ze kinderen had of niet, of ze zich verveelde of bang was. Van haar gezicht kon ik niets aflezen.

Later wandelde ik door de straten van de stad, in gezelschap van mijn oom, en ontsnapten we even aan de drukte en de winkels bij een aantal kleine, 16e-eeuwse huisjes rondom een binnentuin. Het heet het Begijnhof, hier woonden gelovigen die geen kuisheidsgelofte wilden afleggen en het klooster niet in wilden. Ze waren vrijer dan monniken, behielden hun onafhankelijkheid, maar hadden zekerheid en rust. Vandaag de dag is het nog steeds een vredige oase, waar vrouwen, die niet per se religieus zijn, in alle rust kunnen wonen.

Ik zit dit te schrijven in het vliegtuig. Ik ben moe. Ik mis mijn zoon. Als ik denk aan de twaalf uur durende vlucht die me te wachten staat, kan ik wel huilen. Maar er klinkt een lied met de tekst you have to keep on living en de piloot heeft net gezegd dat we het noorderlicht misschien kunnen zien. Er zijn zomers zonder mannen, er zijn begijnhofjes, er zijn welkomstknuffels en er zijn noorderlichten. Je moet doorgaan met leven.

02-11-19

Mijn oom Diego maakt een documentaire van opnames van zijn moeder en zijn beste vriend op hun sterfbed.

Hij woont al twintig jaar in Amsterdam, maar is het familie-accent nooit kwijtgeraakt. Zijn manier van bewegen en de snelheid waarmee hij dat doet, doen me denken aan wijlen zijn vader, oom Gonzalo, die als arts met pensioen ging en toen besloot zich aan het schrijven te wijden. Tijdens het laatste gesprek dat ik me kan herinneren, discussieerden we over het aantal versregels in De raaf van Poe. Zelfs daar was hij gepassioneerd over.

Diego neemt me mee naar een van zijn lievelingscafés, vlak bij het Rijksmuseum, maar het is gesloten, dus neemt hij me ergens anders mee naartoe. Het regent, maar je kunt moeiteloos tussen de kleine druppels door wandelen, die in de lucht lijken te zweven.

‘Hoe zou jij het opschrijven?’ vraagt hij over het eerste deel van zijn documentaire. We proberen wat uit, maar dan dwalen we af en we hebben het algauw over andere dingen, over familieleden en projecten en boeken en films.

Diego vindt het Rijksmuseum maar niks, hij vindt het een haast beledigend vertoon van macht en luxe, omdat een bloederige geschiedenis van slavernij en kolonialisme in de doofpot wordt gestopt. Toch kent hij het op zijn duimpje: hij laat me zijn favoriete kunstwerken zien, een sculptuur uit San Sebastian en de Japanse tempelwachters. Hij wijst me ook op een paar metalen modellen van vuurtorens – omdat hij weet van mijn vuurtorenobsessie – in een pikdonkere zaal vol kleine en grote modelboten. Een van de vuurtorens, ongeveer zo groot als ikzelf, is aan één kant open, zodat je de structuur aan de binnenkant, de wenteltrap en de verdiepingen kunt zien.

We gaan ook naar de bibliotheek om poppenhuizen van adellijke kinderen te bekijken, die haast net zo groot zijn als mijn appartement.

Ik zou bijna willen dat ik het bekendste schilderij van Vermeer in het museum niet mooi vond, omdat het vervelend is om het tussen al die mensen en fototoestellen te moeten bekijken, maar als we er eenmaal voor staan, kan ik alleen maar beamen hoe mooi het is. ‘Hij was steengoed,’ zeg ik tegen Diego, ‘dat is gewoon zo.’

Vervolgens neemt Diego me mee naar zijn huis, een lichte ruimte met minimalistische inrichting en een paar barokke Mexicaanse altaren vol traditioneel handwerk. Ik klets even met zijn vrouw, Linda, die zacht en lief is. Daarna gaan we naar de markt, om een traditioneel broodje rauwe haring met augurk te eten, wat verschrikkelijk klinkt, er afgrijselijk uitziet en heerlijk smaakt.

We lopen langs een gracht, we zien een ekster, eenden en een raaf. Ik praat over mijn hartstochtelijke liefde voor raven, vanwege hun intelligentie en charisma. Diego vertelt dat raven parkieten haten, en dat er in Amsterdam meerdere zwermen parkieten zijn, omdat er een koppeltje is ontsnapt uit het huis van een man die naast het park woont en ze zich succesvol hebben voortgeplant. Sommige mensen maken zich kwaad om die migratiegolf van uitheemse vogels, zegt hij. In de winter is het een indrukwekkend gezicht wanneer ze met hun groene veren verkleumd samendrommen in de kale bomen.

Tegenover het station vinden we een café met uitzicht op de rivier, en Diego haalt zijn pen en een notitieboekje tevoorschijn. Weer vraagt hij me of ik hem kan helpen om het eerste deel van zijn film uit te schrijven, waarin hij het verhaal vertelt van zijn uitbehandelde vriend. We proberen wat zinnen uit, verplaatsen wat bijzinnen, tot we het goed vinden.

Weer terug in Den Haag gaan we met een paar festivalschrijvers naar een gesprek met Carmen Maria Machado en Hanna Bervoets. Carmen Maria Machado (ik herhaal haar naam graag omdat ik het metrum en de allitererende m zo mooi vind) is betoverend. Ik heb niet zoveel te zeggen over haar gesprek met Hanna Bervoets, ze zijn allebei heel sympathiek, al lijkt Carmen Maria Machado me ook een neuroot, het type neuroot waar ik van houd en waar ik meteen vrienden mee wil

worden. Ik wil vrienden zijn met Carmen Maria Machado, ik wil gesprekken met haar voeren, wil dat ze me meer grappige anekdotes vertelt. Ik wil haar nieuwe boek lezen. Maar ik wil dit blog niet eindigen met Carmen Maria Machado, want het lijkt me mooier om te eindigen met dit beeld:

In de trein, op de terugweg naar Den Haag, begon ik met het schrijven van dit stukje. Eens in de zoveel tijd keek ik op van het papier om door het raam naar het landschap te kijken, en al snel kwam er een zwerm groene parkieten voorbij, die zich aftekenden tegen de mist omdat ze heel dicht langs het raam vlogen. Ze vlogen langzamer dan de trein, dus ze waren in een flits verdwenen, maar ik weet zeker dat het geen hersenspinsel was: ze deden een wedstrijdje met de trein.

01-11-19

Eerst is daar het strand, de kustlijn die door mijn raampje loopt. Dan het kanaal, de dijk en de witte windmolens. Vlak bij het kanaal blaast een fabriek witte rook uit, die opgaat in de wolken. Plots buigt het vliegtuig af, en vanuit deze nieuwe hoek zie ik de zon in mijn raam verschijnen. Het licht is zo fel dat ik bijna niets kan zien, maar zelfs dan kan ik de watervlekken onderscheiden, de tekeningen die de kanalen op het land maken, een zwerm witte vogels die onder het vliegtuig door vliegt, een kudde koeien en twee speelgoedvarkentjes in een weiland.

Op aanraden van mijn moeder heb ik tijdens mijn vlucht in het boek Eye of the Beholder zitten lezen, dat het verhaal vertelt van Johannes Vermeer en Antoni van Leeuwenhoek. Ze zei dat ik het moest lezen omdat het zich afspeelt in Den Haag, maar ze heeft zich vergist, het vindt allemaal plaats in Delft. Ik las het evengoed, omdat Delft dichtbij genoeg is, en omdat ik het onderwerp fascinerend vind. Het boek begint met een beschrijving van Vermeer met zijn camera obscura, turend naar de scherpe afbeelding van een vrouw die op een virginaal speelt. De camera weerspiegelt kleuren die helderder zijn dan in het echt.

Vervolgens verplaatst de vertelling zich naar het huis van Van Leeuwenhoek, naar enkele schilderijen uit het huis van Vermeer (uit het huis van zijn schoonmoeder, eigenlijk), waar de wetenschapper voor de eerste keer, door een microscoop, het universum van minuscule beestjes aanschouwt dat ons omgeeft en bedekt.

Ik moet ineens denken aan een ander boek, van Julian Barnes, waarin de eerste keer dat een menselijk wezen met het vliegtuig ging wordt beschreven, de eerste keer dat de wereld in miniatuur werd gezien, zoals ik haar nu zie.

Dit is niet de eerste keer dat een mens de wereld vanuit de lucht bekijkt, maar een eerste keer is het toch, de eerste keer dat ik boven Nederlandse grond vlieg. Ik probeer op te schrijven wat ik zie, gefrustreerd door die paradox die me tot wanhoop drijft: ik weet dat ik terwijl ik schrijf het landschap uit het oog verlies, met elke seconde ontgaat me een beeld.

Caroline

We reizen samen van het vliegveld naar het hotel. Caroline komt uit Denemarken en we kunnen het meteen goed met elkaar vinden. Ik heb mijn zoon van één jaar en elf maanden in Mexico achtergelaten en zij heeft haar kindje ook voor het eerst achter moeten laten. Ik vind het gemis ondraaglijk, Caroline is juist kalm, maar ze begrijpt me volkomen. Nadat we ons hebben geïnstalleerd, gaan we samen heerlijk eten in een Indonesisch restaurant. Op de terugweg werpen we een blik op het kanaal in de nacht.

Mauritshuis

Ik kom Caroline toevallig tegen in de rij voor het museum en we gaan samen naar binnen. In mijn hoofd maak ik een lijst van onderwerpen waar ik een keer over zou willen schrijven:

– Portretten van lachende mensen.

– Portretten van naaiende vrouwen.

– Dat schilderij van Nicolaes Maes van een vrouw die de beurs van een slapende man steelt.

Over het schilderij dat Vermeer gemaakt heeft van een straat in Delft staat op een bordje:

‘De kleuren van de gebouwen zijn iets helderder dan in werkelijkheid.’

Regen

Volgens het weerbericht gaat het morgen al vroeg regenen. Mijn plan om naar het strand te gaan slaat nergens op. Ik heb geen andere keus dan mezelf in een museum op te sluiten. Of misschien kan

ik die enorme maquette gaan bekijken van Nederland in het klein, misschien kan iemand me daar uitleggen wat voor vogels het waren die ik in een witte zwerm onder het vliegtuig door zag vliegen.

03-10-19

Midden in de nacht, om vier uur, word ik wakker van mijn zoon, die ik door de babyfoon om me hoor roepen. Ik loop naar zijn kamer, kruip bij hem in bed – hij is één jaar en tien maanden en dicht tegen elkaar aan passen we nog net op zijn piepkleine matras. ‘Ik wil chichile,’ zegt hij. In Mexico noemen we borsten chichis, het geven van borstvoeding chichi krijgen. Het woord chichi schijnt uit het Maya en Nahuatl te komen, en betekent in deze talen broodkruimels.

Alejandro, Silvestres vader, is Chileens, dus we hebben het natuurlijk vaak over Chile; we zijn een paar keer met Silvestre naar de hoofdstad Santiago geweest, en lange tijd was Chile voor hem een synoniem voor op reis gaan. Ik weet niet meer wanneer ik voor het eerst de woorden chichi en Chile speels samenvoegde, maar we hebben het erin gehouden. Vanaf dat moment vroeg hij altijd om chichile. Dat neologisme leek het tweede vaderland van mijn zoon perfect te beschrijven, de andere cultuur, het andere, Chileense Spaans dat hij en ik voortdurend in ons opzuigen. Misschien is dat tweede vaderland vooral ons tweede moederland.

Het is bijna twee jaar geleden dat ik meer dan drie uur aan een stuk heb geslapen. Sinds januari ben ik op alle mogelijke manieren aan het proberen om de borstvoeding af te bouwen: stapje voor stapje, van de ene op de andere dag, door me in te smeren met aloë vera en te zeggen dat de chichi kapot is. Tot nu toe had niets gewerkt. Hij gaf niet op en ik gaf te snel toe.

Een paar dagen geleden werd de arme schat ziek. Hij kreeg blaren in zijn mond en kon geen vast voedsel eten of aan mijn borst zuigen om melk te drinken. Hij is aan de beterende hand en het is uiteindelijk ergens goed voor geweest, want nu, hier naast hem in zijn bedje, zeg ik zachtjes en lief dat ik hem geen chichi meer kan geven en dat hij het niet meer nodig heeft, want hij is gegroeid, hij is nu een grote jongen. Er volgt geen gekrijs, in tegenstelling tot wat ik verwachtte. Hij huilt even en pakt de mouw van mijn pyjama stevig vast. Dat doet hij al maanden telkens wanneer hij chichi krijgt: hij klemt zijn vingers om de zoom van mijn pyjama en dat stelt hem gerust, troost hem, sust hem. Dat is deze keer genoeg. Hij stopt bijna meteen met huilen en valt in slaap. Mijn borsten doen een beetje pijn, want ze zijn nog niet gewend aan hun herwonnen nutteloosheid, maar het is een kortstondige, tijdelijke pijn en algauw val ook ik in slaap.

Ik word haast euforisch wakker: het is ons gelukt. We zijn nu echt van elkaar losgekomen. De borstvoeding was een zegening en een marteling, een genot en slavernij. We zijn vrij. En precies op tijd, want al maanden is mijn streven om met borstvoeding te stoppen vóór mijn reis naar Den Haag,

om naar het Crossing Border Festival te kunnen gaan. Om hem die vier dagen bij mijn moeder te kunnen laten logeren en met Alejandro te kunnen reizen (die ook voor het festival is uitgenodigd). Een paar weken geleden wist ik zeker dat het niet zou lukken. Ik heb lang zitten broeden op alternatieven:

1. Hem meenemen (hoewel dit zou betekenen dat we hem blootstelden aan het tijdsverschil en de Europese winterkou).

2. Op het laatste moment een vreselijke ziekte voorwenden en niet naar het festival gaan.

3. Sowieso gaan en mijn arme moeder opzadelen met een ontroostbare baby.

Maar het is ons gelukt. Borstvoeding was voor ons al die tijd de intiemste manier om van elkaar te houden. Die hebben we nu niet meer nodig. Nu we taal hebben, hebben we, en ontdekken we, steeds nieuwe manieren om van elkaar te houden.