Het is vroeg – mijn alarm wekt me om kwart over vier, ik heb een kater of ben nog steeds dronken. Probeer ik een inschatting te maken van mijn toestand, nee. Beter van niet. Het huis is door en door koud, het huis van mijn ouders. De straatlantaarns, in een rij langs de weg, zijn nog uit, zien er triest uit, het is grauw. De enige lichtbronnen zijn de koplampen van de auto’s en vrachtwagens op de rijksweg, allemaal op weg naar de grens met Zweden.
De bus gaat om vijf uur, ik zet de rijstkoker aan, zoals ik ’s ochtends altijd doe, op die manier weet ik dat ik eten heb voor de dag, eten dat ik vertrouw. Eten is het moeilijkste aan reizen, de onvoorspelbaarheid ervan. Sinds mijn jeugd is het al moeilijk, heb ik een aangeboren scepsis voor voedsel, ik wilde er niets van weten. Af en toe, als ik denk aan mijn relatie met eten, is het alsof ik me in een kamer bevind waar de ondergrond weggehaald is, onder mijn voeten vandaan getrokken, alles door elkaar. Soms denk ik alleen maar daaraan, mijn fascinatie voor zelfverloochening en controle aan de ene kant, mateloosheid en toegeeflijkheid aan de andere.
In de bus bel ik mijn vriend, hij gaat met me mee naar Den Haag. Hij neemt niet op, ik weet zeker dat hij zich verslapen heeft, zoals zo vaak. Een paar seconden lang ben ik opgelucht, verzoen ik me met de gedachte dat hij niet komt, en eigenlijk is verzoening niet nodig, ik reis graag alleen.
Maar dan belt hij toch, een half uur later, hij is op het vliegveld, we zien elkaar over een uur. Het verrast me bijna: zo blij als ik ben dat hij komt. Wanneer we elkaar zien, in een café op het vliegveld van Oslo, is hij in een slechte bui, zoals wel vaker als hij moe is. Ik overcompenseer door op zijn schoot te gaan zitten, zijn gezicht te strelen, hem te kussen; zo veilig ben ik in de relatie, zou ik dat moeten zijn.
We landen om tien uur in Amsterdam, vinden een trein van Schiphol naar Den Haag, de trein heeft twee etages, we zitten bovenin en delen mijn lunchpakket dat bestaat uit rijst, tomaten en sojasaus. Het is niet genoeg voor hem, voor mij is het genoeg op een manier die hij niet begrijpt, nooit zal begrijpen, het gaat eigenlijk niet om vol zitten, maar meer om een soort keerpunt, het punt waarop ik kan voelen dat het eten in mijn maag zit, wat me meteen onrustig maakt. Maar dan leg ik het naast me neer, want hij is er, er zijn andere dingen waar ik aan kan denken.
We komen aan in Den Haag, het regent. Op de stoep buiten het station staan geïrriteerde reizigers, opdringerige taxichauffeurs proberen toeristen over te halen in de zwarte auto’s plaats te nemen. Nadat we de stad hebben afgeschuimd naar een plek om te eten vinden we het hotel en checken in, na een uur slaap ik. Om zeven uur ontmoet ik de andere jonge schrijvers en vertalers voor het diner, ik trek snel kleren aan en probeer er een beetje toonbaar uit te zien, dat lukt niet helemaal, ik zie er middelmatig uit.
Het restaurant, een donkere ruimte die op een huiskamer lijkt. Ik bestel bier en krijg een glas dat groter is dan mijn eigen hoofd. We krijgen het menu, ik denk aan de lezing van morgen, of ik er klaar voor ben. Ik heb me niet voorbereid, weet niet wat me te wachten staat, wat er van mij verwacht wordt, tegelijkertijd lijkt er iets afgedekt, ik heb geen toegang tot mijn eigen angst. Vanavond, meer dan andere avonden, heb ik zin om de stad mee te maken. Met mijn handen, ogen, mond, ik weet niet hoe, maar het gaat me lukken.