Voor DBC Pierre en met liefde voor mijn dierbare vertalers Myrthe van den Bogaert, Noel Hernández, Lisa Thunnissen, Andrea Rosenberg, Julia Chardovoine, Susanne Lang en Bruno Arpaia.
Patty Jansen introduceerde me bij het publiek in het Humanity House van het CBF. Ze las mijn biografie voor en ik liep IN M’N UPPIE naar de stoel (er stonden drie stoelen, maar Patty en Eline kwamen niet bij me zitten, wat heel raar was). Ik nam plaats en zei in het Engels: ‘Hoi, jullie mogen me wel Xilo noemen, ik ga het begin van mijn boek voorlezen en hoop dat jullie het leuk vinden, ook al begrijpen jullie er vast niets van,’ en toen werd er gelachen.
(Toen ik terugliep naar het hotel, dacht ik aan het praatje van DBC Pierre. Hij vertelde dat zijn eerste schrijfpogingen verschrikkelijk waren, omdat hij altijd met de lezer en zijn wensen bezig was. Pas toen hij daarmee ophield kon hij fatsoenlijke, sterke en authentieke boeken schrijven. Ik vroeg me af: waarom simpel en gewoontjes schrijven als toch bijna niemand ons leest, zou het niet beter zijn om moeilijk en ingewikkeld te schrijven, om te zorgen dat degenen die literaire gemakzucht zoeken en verheerlijken ons nooit lezen? Anders gezegd: hebben wij hen nodig, om beter te schrijven?
In de wereld worden er bar weinig boeken gelezen en toch schrijven en lezen we meer dan ooit tevoren door de uitvinding van social media (ik vind dat literatuur een lange adem moet hebben, terwijl alles wat online geschreven en gelezen wordt amper zuchtjes zijn, net zwermende vliegjes rond een gezang van zwanen). Ik heb het hier over het lezen van hele boeken, op internet klikken we na drie of vier pagina’s namelijk alweer op een nieuwe link en komen we in heel andere onderwerpen terecht.
Toen ik de Premio Mauricio Achar won, loofden ze mijn roman om ‘het experimenteren met taal’. Maar vandaag, net na middernacht, kreeg ik een link toegestuurd naar een site waar over mijn boek Campeón Gabacho gesproken werd. Er werd gezegd dat de grote criticus van mijn boek nog niet geboren is, omdat zijn klassieke, ouderwetse en verouderde generatie niet meer in staat is on mijn literatuur te begrijpen, alleen de jongeren zouden dat kunnen. Klopt. In mijn roman bekritiseer ik de ouderwetse romans; ze zijn saai, levenloos en zitten vol dode wormen, en de keurige, onbezielde woorden zijn dezelfde als die van een hele generatie auteurs die van gemakzucht hun manier van schrijven maken. Ze kiezen nooit eens voor andere woorden, omdat die niet verkopen. Net als DBC Pierre in zijn jonge jaren denken ze aan de markt en aan wat de lezer wil. Op die manier verandert kunst in handwerk en steken schrijvers niet boven de grijze middelmaat uit. Vandaag besef ik dat de meerderheid van de volwassenen in mijn land zich niet durft te wagen aan moeilijke dingen en zichzelf niet in het diepe durft te gooien om hun eigen stijl te verzinnen. Ze zijn bang om naar de wereld te schreeuwen, ‘omdat dat ongepast is.’ Wat geprezen en opgehemeld wordt, is de kunst die in de canon is opgenomen, die mooie, verteerbare kunst, die goed verkoopt ondanks dat ze over de dood en vernieling gaat. DBC Pierre zei het duidelijker deze ochtend: In het Verenigd Koninkrijk willen ze geen boeken waarin niets gebeurt, dat verkoopt slecht.
De markt heeft het voor het zeggen.
Hoe moeilijk en ingewikkeld mijn woordenwereld ook is, de rechten van mijn roman zijn vrijwel meteen aan vijf landen verkocht: Nederland, Italië, Frankrijk, Engeland en Duitsland. Het blijft me verbazen en tegelijkertijd word ik overspoeld door oneindige dankbaarheid. Het taalgebruik in mijn roman is echt niet makkelijk. Het was bloed, zweet en tranen voor al mijn vertalers, maar ik heb er alle vertrouwen in dat ze er iets moois van maken).
Toen ik mijn stukje had voorgelezen, klapte iedereen (denk ik, Nederlanders zijn heel beschaafd). Ik wist niet of ze mijn woorden begrepen hadden. Toen ik opstond feliciteerde Lisa (zij vertaalt mijn boek naar het Nederlands) mij en zei ze dat ze het fragment heel leuk vond, vooral de stem van de negerin. Ik was tevreden, nu wel, en ondanks dat ik rondloop met een mogelijke verkoudheid had ik heel veel zin om kletsnat te worden in de regen… en naar zee te gaan.
(Even terzijde: Club Seven is net een grot, maar met gekke muziek en iedereen danst super goed. Een van de vertaalsters grapte: ‘Blijf nog even, ik wilde je salsa zien dansen, hahaha,’ en ik zei: ‘ik kan niet salsadansen, hahahaha.’ Ze weet niet dat ik niet in het openbaar dans, en de salsa… die eet ik alleen op mijn taco al pastor). 🙂