De cirkel is rond: opnieuw zit ik in mijn Krakause woning en lees over Nederland. Opnieuw Herbert, opnieuw kunstboeken. Maar deze keer lees ik niet over wat ik binnenkort zal zien, maar over wat ik al heb gezien. Opnieuw lees ik Mulisch (een van mijn grootste meesters), maar deze keer zijn het niet de precieze constructie, de aangrijpende verbeelding of de imponerende eruditie die me interesseren. Deze keer zijn het alleen adressen, namen van steden en straten die me interesseren. Ik kijk op de kaart of ik daar geweest kon zijn, of ik daar langs kon zijn gelopen.
Ik mis dat Nederland een beetje. Het was te kort, te weinig. Ik had er langer willen blijven, ik had er voor langere tijd willen blijven. Misschien wel voor altijd… Ik weet niet of ik in Nederland zou kunnen wonen, maar ik zou zeker te midden van Nederlanders kunnen leven. Veel dingen in die Nederlanders bevallen me. Het meest bevalt me dat ze hun steden hebben ingericht voor mensen. Niet voor toeristen, niet voor auto’s, niet voor adverteerders, maar juist voor mensen; voor henzelf. Dat kennen wij niet.
Uit Nederland naar Polen. Uit het vaderland van het liberalisme naar het land waar de term ‘liberaal’ een zware belediging is. Uit het land waar zo ongeveer alles kan, naar het land waar niets kan. Daar doet iedereen waar hij of zij zin in heeft; en als resultaat is alles netjes en kaarsrecht (uit het vliegtuigraampje zijn de vierkanten en rechthoeken al te zien). Hier staat alles onder het strikte dictaat van een of ander (minder of meer nationalistisch) rechts dat de geesten van iedereen inpalmt, inclusief de jeugd (dat is juist het meest angstaanjagend), met een alomtegenwoordige chaos als gevolg. Vanzelfsprekend, helemaal niet paradoxaal, voorspelbaar.
Voor mijn land strekt zich een zwart gat uit. Voor mijzelf gedeeltelijk ook, maar dat gat jaagt me geen angst aan, maar intrigeert me eerder. Dat Nederland is op een goed moment op m’n pad gekomen. Een paar weken geleden heb ik mijn tweede boek voltooid, geschreven in een razende bevlieging, met een jeugdige drift, waarbij intellectuele, psychologische en energetische schulden zijn gemaakt die de komende maanden afgelost zullen moeten worden. Dit verblijf in Den Haag heeft me goed gedaan, vooral de noodzaak om ‘onder schot’ een serie columns te schrijven. Eerst was ik er een beetje bang voor, maar later bedacht ik dat ik eigenlijk altijd in dergelijke omstandigheden schrijf, het enige is dat ik dan zelf de loop tegen mijn slaap moet houden.
Vertrekken en terugkomen. Loskomen en er weer in wegzakken. Polen even ontvluchten en je er weer in onderdompelen. Voor een paar dagen het derde boek, dat ongeschreven is en erom roept geschreven te worden, vergeten. Terugkomen en het zwarte gat zien. Het bekijken, bekijken met groeiende hoop.
Ik weet zeker dat de komende jaren, die zich aan een steeds kortere ketting in handen van extreem rechts zullen voltrekken, uiteindelijk zullen leiden tot beduidende liberalisatie van de Poolse samenleving. Ik weet zeker dat er uit mijn eigen zwarte gat een volgend boek tevoorschijn zal komen. Want waardoor anders dan door het zien van gaten, afgronden, scheuren, putten en kloven is mijn schrijven tot stand gekomen? Niet door een observatietalent; dat heb ik niet. Niet door een goed ontwikkelde verbeelding; die heb ik niet. Niet door empathie; die heb ik niet. Door gaten, uitsluitend door gaten. Door het gat van een niet-bestaande, ingebeelde god. Door het gat van een lachwekkende versleten alwetende verteller. Door het gat van de vermoorde Poolse Joden. Door het gat van de uitgestorven Poolse intelligentsia. Door het gat dat ik onvermijdelijk ook achter ga laten.