Hoe stop je de verminderende belangstelling voor literatuur onder de jongeren?
Deze vraag stond centraal tijdens het Crossing Border evenement; een
ontmoeting tussen docenten van middelbare scholen en een achttal schrijvers.
Een van die schrijvers was Tommy Wieringa en die gaf het beste antwoord op die
vraag door drie magnifieke columns voor te lezen over de schrijver A.L. Snijders,
een oud-docent van Wieringa. Wie de lezing van Tommy Wieringa bijwoonde
zal zich afvragen welke oorzaak er ter grondslag ligt aan die verminderende
belangstelling voor literatuur, want aan de lezing van Wieringa zal het niet
gelegen hebben. Die bevatte alles wat je van goede literatuur redelijkerwijs mag
verwachten: humor, onnavolgbare verrassingen, prachtige taal en tot nadenken
stemmende gedachten. Aan de literatuur, zoals geschreven door Tommy
Wieringa, zal het dus niet gelegen hebben.
In een aantal worshops die na de lezing van Tommy Wieringa volgde, werd er
dieper ingegaan op deze taaie problematiek. Belangrijkste discussieonderwerpen
was het vertier dat nieuwe media jongeren schenkt waardoor ze zich maar matig
zouden interesseren voor literatuur. Het bekende cultuurkritische riedeltje werd
menigmaal afgestoken: televisie en internet maken lui, bieden instant-plezier,
in tegenstelling tot literatuur dat meer inspanning vereist. Allemaal waar, maar
opmerkelijke inzichten kunnen het nauwelijks genoemd worden. Wat me opviel
was het gebrek aan zelfkritiek van de docenten. Niet een van hun durfde de hand
in eigen boezem te steken en zonder omwegen te bekennen dat het onderwijs
door alle hervormingen en vernieuwingen de marginalisatie van literatuur in
de hand werkt. Wim de Bie gaf tijdens een korte sketch genadeloos weer hoe
al die onderwijshervormingen docenten in managers veranderen waardoor ze
zich maar nauwelijks met hun voornaamste taak kunnen bezighouden, namelijk
kennisoverdracht.
Ik geloof niet dat men alleen de nieuwe media en de luie scholier de schuld kan
geven van de desinteresse in literatuur. Onontbeerlijk is uiteraard een docent die
met veel enthousiasme de leerlingen in de wondere wereld van de literatuur kan
inwijden. Zodra deze zich als de eerste de beste filiaalhouder moet opstellen en
onderwijs ziet als een vorm van bedrijfsmanagement zal dat ten koste gaan van
de liefdevolle behandeling die de literatuur verdient. Ik prijs mij dan ook gelukkig
dat ik onderwijs heb genoten in een tijd waar de leerling niet als een zelfstandige
werd behandeld. Ik kan nog meepraten over die boeiende docent Nederlands die
gloedvol kon spreken over schrijvers waar ik nooit van gehoord, die er een lesuur
voor uitrok om een gedicht als “In Nederland” van Slauerhoff te analyseren. Er zit
geen greintje pathetiek bij als ik beweer dat mijn leven armer zou zijn als ik niet
zo’n leraar had gehad. Ik wens alle leerlingen van nu net zulke docenten en dat de
fnuikende hervormingen eindelijk een halt worden toegeroepen.