De omstandigheden zitten niet mee: het is al over tienen in de avond, en ik werk nooit na zeven uur. Deze column moet morgenochtend af zijn en ik weet nog steeds niet waar ik moet beginnen. Ik wilde schrijven over Den Haag, maar daarvan heb ik alleen nog maar het hotel, een theaterfoyer en een Indonesisch restaurant gezien. Ik zou het kunnen hebben over mijn vertalers, de andere columnisten of de organisatoren van het festival, maar die waren allemaal te aardig om te veranderen in personages. Het enige wat ik dus kan doen ligt – voor wie de eerste column heeft gelezen – voor de hand: vertellen wat er in Amsterdam is gebeurd.
*
Aan het begin van de middag loop ik het station uit, de stad baadt in een zachte herfstzon. Als ik om me heen kijk herinner ik me de kleine huizen, de fietsen en de overdreven lange mensen. Slepend met mijn koffer wandel ik naar het huis van een Portugese vriend waar ik kan blijven slapen. Onderweg raak ik er steeds meer van overtuigd dat ik hier best zou kunnen wonen.
Ik heb niet veel tijd, dus eet ik snel een kleine salade en neem de taxi naar het Joods Museum. Als ik mijn entreekaart aan de receptionist geef waarschuwt hij me: ‘U kunt beter eerst naar de Portugese Synagoge gaan, die gaat al om vier uur dicht.’ Dat was ik eigenlijk niet van plan, maar ik voel me opgelaten en loop toch gauw een rondje door de synagoge. Ik heb er geen spijt van.
Als ik een halfuur later het museum binnenstap, komt er een vrouw op me af die vraagt of ik wil meewerken aan een enquête. Ze wil weten waar ik vandaan kom, hoe oud ik ben en waarom ik in het museum ben. Ik twijfel tussen de waarheid en een halfslachtig, kortaf antwoord om niet nog langer te hoeven wachten op de ontmoeting met mijn voorouder. Toch kies ik voor het eerste en ik zie de tranen bij haar opwellen. Ze verwachtte natuurlijk een antwoord als alle andere, maar nu staat ze plotseling oog in oog met een echt verhaal, een verhaal met een eigen geur en een fysieke aanwezigheid.
Ze legt me uit hoe het museum is ingedeeld en ik ga rechtstreeks naar de tweede verdieping, waar het materiaal uit de zestiende tot de negentiende eeuw is geëxposeerd. Ik bekijk de schilderijen en gravures en lees rustig een paar informatieborden, want ondanks de opgebouwde spanning wil ik het langverwachte moment nu toch nog even uitstellen. Vaak is het uitzien naar een gebeurtenis waardevoller dan de gebeurtenis zelf. In je fantasie is weinig ruimte voor teleurstelling.
Daar ligt hij dan, in een vitrinetafel, exact gelijk aan de door mijn opa geërfde gravure, met dezelfde lange baard en de doek die om zijn torenvormig haar gebonden zit. In tegenstelling tot wat ik dacht is Salom Salem geboren en gestorven in Turkije, hij is in 1652 naar Amsterdam gekomen om zijn boek te laten drukken. Daar had ik niet op gerekend: een boek? Wat voor boek?
Ik ga naar beneden en knoop opnieuw een gesprek aan met de vrouw van het museum, ze adviseert me naar het informatiecentrum te gaan. Daar word ik geholpen door een bijzonder vriendelijke jongen die in de archieven op zoek gaat naar Salom. Hij ontdekt alleen maar dat hij rabbijn was in Adrianopolis (later kom ik via Google aan de weet dat er in het zuiden van Brazilië ook een stad is met die naam). Teleurgesteld met de karige resultaten geeft hij me twee telefoonnummers en voegt eraan toe: ‘Bent u al in de Portugese Synagoge geweest? Daar hebben ze veel materiaal uit die tijd. Met een beetje geluk vindt u daar een exemplaar van het boek. Als het überhaupt gedrukt is natuurlijk…’
Ik kijk op mijn horloge, het is half vijf, de synagoge is al gesloten. Morgen vertrek ik naar Den Haag en ik ben niet van plan terug te komen. Het is altijd hetzelfde: ik ga op zoek naar antwoorden en kom terug met nieuwe vragen. Plotseling doemen er allerlei nieuwe mogelijkheden op. Meestal is dat het eerste teken van een roman die zich aandient. En ik denk: ja, een roman. Iemand vertrekt halverwege de zeventiende eeuw vanuit Turkije naar Nederland, steekt grenzen over, maakt een lange reis om een boek gedrukt te krijgen en een portret te laten maken dat jaren later terechtkomt in een huis in Rio de Janeiro – de plot staat me aan. Om nog maar te zwijgen van de mogelijkheid dat Salom Salem en Spinoza elkaar gekend hebben.
*
En nu ik het toch over Spinoza heb, ik kwam ook van hem een portret tegen. Mijn vader moet het me vergeven, maar ik lijk in de verste verte niet op hem.
*
Zojuist heb ik ontdekt dat Spinoza in Den Haag is overleden. Misschien struin ik morgen de stad wel af op zoek naar sporen van hem.