Ik schrijf dit op zondagmiddag, ongeveer twee uur nadat ik per vliegtuig ben teruggekeerd naar mijn stille flat, die een ietwat lege indruk maakt. Ik kan nog niet goed uit mijn ogen kijken en mijn hoofd gonst nog van de Nederlandse stemmen.
Het was vreemd om in een taxi te stappen en gewoon met een man uit Manchester te praten.
Ik weet wel dat ik op het festival alleen maar Engels heb gesproken (nou ja, behalve gisteravond, toen ik mijn column van zaterdag heb voorgelezen in de Book ‘N’ Bar en me stotterend door dat stukje vertaling in ‘slecht Nederlands’ heb geworsteld, maar op de een of andere manier voelde dat als een ánder soort Engels; het Engels dat je spreekt tegen niet-moedertaalsprekers van het Engels, als je begrijpt wat ik bedoel. Nee? Ik weet het ook niet, hoor. Het is nog steeds een beetje chaos in mijn hoofd.
Vreemd. Ik moet op een gegeven moment een ‘epiloog’ schrijven voor het Chronicles-project en ik weet dat ik er langer over mag doen dan over de andere dagelijkse columns die ik heb moeten aanleveren, maar ik heb het gevoel dat ik het nu meteen moet doen. Dat komt waarschijnlijk doordat we de afgelopen drie dagen ‘s middags als gekken hebben zitten schrijven – meestal meteen aan het begin van de ‘vrije tijd’ die we vanaf ongeveer twee uur hadden – om elkaar dan om vijf uur in de lobby van het hotel te treffen met de column op een USB-stick, klaar om op de website te zetten en aan de vertaler te geven.
Ook al ben ik inmiddels terug in Manchester, ergens heb ik toch het idee dat ik dit stuk om vijf uur vanmiddag af moet hebben en het op de een of andere manier aan Helen, de organisator van de Chronicles moet geven.
Het was een fantastische ervaring.
Ik heb respect gekregen voor vertalers. Ik weet veel meer over hoe ze werken dan zes dagen geleden. Ik weet nu dat vertalingen je met allerlei probleempjes en vragen opzadelen en dat een vertaler die maanden aan een roman heeft zitten werken (met de tekst dag en nacht in zijn of haar hoofd) een boek net zo goed beschouwt als zijn of haar werk als de oorspronkelijke auteur. Op Crossing Border hadden de vertalers het volgens mij zwaarder. Terwijl wij onze columns elke dag om vijf uur moesten inleveren (waarna we de rest van de avond vrij hadden om rond te lopen, te drinken en bands te kijken), zaten de vertalers verschanst in hun kamer de hele nacht door te werken om hun vertaling de volgende ochtend om negen uur te kunnen inleveren. Dus petje af.
Fijn dat An en de anderen nu eindelijk hun slaap kunnen inhalen.
Zo, het is bijna vijf uur.
Ik voel dat ik nu móet stoppen met schrijven en mijn column ergens in moet leveren.
Ik denk dat ik deze tekst op een USB-stick zet, de trap van mijn flat af loop, naar de Lloyds-pub aan de overkant ga en hem aan een onbekende aan de bar geef.
[NB: Uiteindelijk heb ik de USB-stick aan een oude man met een grote, rossige baard gegeven, die een krant stond te lezen. Hij zei alleen maar: ‘Hartelijk dank,’ en stopte hem in de zak van zijn tweed jasje alsof het ‘de normaalste zaak van de wereld’ was.]