Gisteren was ik getuige van een ontroerend tafereel. Vier vertalers van onze groep hadden elkaar opgezocht in de gangen van het theater waar het grootste gedeelte van het festival zich afspeelde en tijdens hun gesprek over de ervaring van het vertalen van de eerste teksten voor dit blog wisselden ze neuroses uit alsof het voetbalplaatjes waren. Het was onvervalste groepstherapie. Ik voelde me een indringer, type dubbelspion, dus ik hield mijn mond, maakte mezelf onzichtbaar en luisterde. Een van hen zou zeggen dat schrijvers geobsedeerd zijn – of zouden moeten zijn – door woorden, door zinsopbouw, door de grammaticale mogelijkheden van de taal waarin ze verkozen hebben te schrijven. Maar naast vertalers zijn schrijvers – zijn wij – ongeschoeide karmelieten, moederskindjes, of leeuwen die geen vlees lusten (ik gebruik expres drie spreektalige uitdrukkingen uit Argentinië om mijn vertaler in moeilijkheden te brengen). Zoals de Argentijnse schrijver Alan Pauls opmerkte, zijn vertalers de laatste lezers die nog aan close reading doen: lezen met een microscoop; het zijn dieren die afgericht zijn om een soort onverdraagzame argwaan te koesteren. Vertalen is slavernij, monnikenwerk: vertalers zijn op een haast aandoenlijke manier gebonden aan de brontekst waarmee ze werken. Terwijl ik naar ze stond te luisteren drong dat tot me door. Een van hen zag er verward uit omdat hij vier uur lang had geprobeerd om het juiste woord te vinden; een ander leed eronder (werkelijk lijden, de beste man voelde zich slécht) dat hij zijn tekst had moeten loslaten na hem zeven keer te hebben nagelezen. Ik denk dat we veel van vertalers kunnen leren, vooral als lezers. Al vraag ik me tegelijkertijd af: kun je zo leven, kun je zo dicht bij het object van je obsessie komen zonder je te branden?
Later was ik bij het interview met José Eduardo Agualusa, een zevenenvijftigjarige Angolese schrijver die over de hele wereld wordt gelezen. Agualusa sprak over wat het betekent om in Afrika te zijn geboren, over hoe het fundamentele gevoel van daar thuishoren zijn karakter heeft gevormd, hoe deze nationale en continentale identiteit zijn literatuur en zijn blik op de wereld is binnengesijpeld. Ik had hem nog nooit live gezien, maar je kunt je makkelijk voorstellen dat het iemand is die ertoe veroordeeld is om altijd min of meer over hetzelfde te praten. Zijn Afrikaanse afkomst is zíjn thema, en als een schrijver zichzelf met een thema opzadelt, is het heel moeilijk om daar later vanaf te stappen. Ik kom uit een familie van schrijvers (schrijvende vader, dichtende moeder) en dat is míjn thema, de kleine kerker van betekenis waar ik misschien wel de rest van mijn leven zal doorbrengen. Dat is tenslotte een veroordeling maar ook een keuze; ik schrijf zélf keer op keer over mijn ouders (zelfs nu doe ik het weer!), ik draai om het onderwerp heen, verken de omgeving, probeer nieuwe flanken te vinden daarvandaan dat terrein te bestormen.
Een paar weken geleden was ik enkele dagen in Londen en op een mooie, zonnige namiddag belandde ik op een beroemde hoek van Hyde Park die bekend staat als Speakers’ Corner. Terwijl ik keek naar de mensen die staand op krukjes hun redevoeringen afstaken tegen vier of vijf toevallige luisteraars, vroeg ik me af waarvoor, maar vooral waaróm ze dat doen. Om iemand te overtuigen, om zich te ontladen als een soort catharsis of om een ideologie te verspreiden zoals een virus zich verspreidt? Terwijl ik naar ze luisterde dacht ik dat literatuur misschien wel hier op neerkomt: iemand die staand op een krukje op een hoek van een zonovergoten plein het enige zegt wat hij te zeggen heeft.