Als ik eenmaal voet op Nederlandse bodem zet, heb ik al vijfenzeventig nachten niet in mijn eigen bed geslapen.
De laatste stad waar ik was, was New York. Een hotelkamer met uitzicht op Times Square. Zo hoog in het gebouw dat ik de mensen beneden op straat niet eens kon onderscheiden. De muziek die er klonk kwam van sirenes.
Dat klinkt misschien flitsend, maar ik heb de afgelopen weken mijn ondergoed steeds moeten wassen met de gratis zeepjes en in de wasbak van hotelbadkamers. Echte maaltijden moeten verruilen voor zakjes zoute pinda’s en chocoladerepen. Al weken heb ik altijd en overal dezelfde afgetrapte bruin suède laarzen aan.
Ik heb me niet goed op dit deze trip voorbereid. Op een tussenstop vóór Schiphol krijg ik van het vliegveld twee uur gratis WiFi. In de gehaaste laatste minuutjes google ik nog snel het Nederlands voor ‘do you speak English’ en ‘thank you’. Ik ben dolblij als ik lees dat het woord voor ‘sorry’ sorry is. Ik verwacht dat ik dat vrij veel ga gebruiken. Om me te verontschuldigen voor mijn eentaligheid. Voor het feit dat ik een van die achterlijke Engelstaligen ben die alleen Engels spreken.
Het eerste wat ik zie als ik Schiphol binnen loop is een Starbucks, wat een beetje een teleurstelling is. Eenmaal op het perron bestudeer ik een snoepautomaat, op zoek naar cultuurverschillen. In Nederland hebben ze een soort wafel in knalroze verpakking. Verder hebben Nederlandse tussendoortjes tamelijk veel weg van Amerikaanse.
Ik neem een late trein naar Den Haag. Het heeft iets waanzinnig poëtisch om voor het eerst met een land of plaats kennis te maken in het donker. Uit dansende schaduwen en flikkerende lichten probeer ik de stad in elkaar te puzzelen. Het eerste wat ik zie bij aankomst: nog een Starbucks.
Op mijn hotelkamer zoek ik door de waas van mijn jetlag heen opnieuw naar cultuurverschillen. Het valt me meteen op dat op een dienblad naast de waterkoker ook drie soorten kruidenthee liggen. Nederlanders zijn vast gezonder dan Amerikanen, stel ik vast. In de badkamer valt mijn oog op een bordje met de aansporing om mijn handdoeken te hergebruiken. Nederlanders zijn vast ook meer met het milieu bezig dan Amerikanen, stel ik vast.
Ik zet mijn raam open zodat ik in slaap kan vallen op de muziek van deze nieuwe stad. Het gonzen van voorbijrijdende trams. Stemmen op weg naar huis door de nacht. De rommelende wieltjes van een koffer. Een bizar soort gerinkel – maar misschien is dat wel de jetlagwaas die mijn dromen binnendringt.
’s Ochtends doet het zachte kloppen van het kamermeisje me denken aan de specht in Iowa. Ik sta op, ga voor het raam staan en speur de straat af naar vogels. De poëzie van de stad is verbleekt in het daglicht, merk ik. Mijn kamer kijkt uit op kantoorgebouwen, appartementencomplexen.
Ik ben nog nooit zo uitgelaten blij geweest om een kauw te zien. Hij staat bij een zebra alsof hij wacht tot het licht op groen springt. In Amerika hebben ze geen kauwen. Sinds ik vijfenzeventig nachten geleden uit Ierland wegging uit Ierland vertrok heb ik nog geen kraai gezien.
Het licht springt op groen en de kauw begint met kleine hupjes over te steken. Zich totaal niet bewust van hoe blij hij me heeft gemaakt.