Michal van Zelm
BY Caroline Albertine Minor
05-11-2019

De schaamte is listig binnen komen rollen. Hij is enigszins vertraagd, maar gaat daarom niet minder grondig te werk. Ik schaam me overal voor: mijn gezicht, mijn stem, het geld dat ik uitgeef en het geld dat ik niet uitgeef. Ik schaam me als ik denk aan het inpakken van mijn koffer – zaterdagavond puilt hij vast en zeker uit – en ik schaam me voor de manier waarop ik eerst een glas water leegdrink, het nog eens vul, het voor de helft opdrink en dan de rest door de wastafel spoel. Ik schaam me dat ik hier ben vanwege een boek dat ik meer dan drie jaar geleden heb geschreven en waarvan ik bijna niet meer weet waar het over gaat. Vervloekt zij heel de duivelse machinerie die in gang wordt gezet als iemand je schrijver begint te noemen en je er zelf in begint te geloven. Nu zit ik ook nog in een café te hoesten als een imbeciel! Voor dat soort dingen ben ik helemaal niet knap genoeg meer. Bovendien had ik mijn zoon moeten bellen om hem gelukkig Halloween te wensen, net zoals ik mijn dochtertje uit bed had moeten tillen, haar op haar neusje had moeten kussen en haar volle luier verschonen, om haar vervolgens haar eerste flesje te geven. O, wat mis ik die wonderbaarlijke kruidige geur van haar plas! In plaats daarvan krijg ik de koude vruchtensalade van de schaamte geserveerd, en een regen die gestaag mijn bolle ogen en mijn eenzaamheid kietelt. Nog niet eens zoiets prozaïsch als een afspraak met de pedicure wil vandaag lukken. Ik kwam op de afgesproken tijd aan bij een donkere, gesloten salon. Toen ik het nummer belde dat op de website stond, kon ik de telefoon achter de dichte glazen deur horen overgaan. ‘Je hebt Amberskin bereikt. We zijn er momenteel niet.’ Ik sprak een moedeloos maar niet verwijtend bericht in en droop af. Hoe toepasselijk dat ik vannacht een koortslip heb gekregen. In mijn mondhoek bloeit een roos van vlees. Om de een of andere reden blijf ik maar het gevoel houden dat het verkeer in deze stad niet echt is, dat het een soort speelgoedverkeer is. Ik ben er niet bang genoeg voor, ik beeld me zelfs in dat de stroom zal afbuigen, verdampen of voelen als een zachte zwanenvleugel, mocht hij me toch raken. Ondanks alles lukt het me om aan deze tafel bij dit raam drie gedichten af te maken:

Bepalingen

Ik heb over je gedroomd vannacht.
Je verliet me voor een percussionist
genaamd Veronica
verliet me zonder eerst
van mij te zijn geweest.
Dat kon je zomaar in mijn droom
net zoals alle ramen in het huis
openstonden naar de regen die
geluidloos viel

Het was een mooie en verdrietige droom
waarin we allemaal jonger waren
dan we eigenlijk zijn

je bepaalt niet zelf
van wie je houdt
in een droom en vannacht hield ik
van jou.

Mijn liefde strekte zich
moeizaam uit tot in de ochtend
totdat hij iets omgooide en
mijn dochter wakker werd
ze lijkt als twee druppels water
op haar vader

Ons kind zou
groot en lelijk worden
met twee harde ogen,
lange ernstige wangen.

Daar stond ik geen moment
bij stil toen ik je vannacht
vrolijk lachend aantrof
in Veronica’s armen.

Nu weet ik dat het zo beter is.
Wij twee mogen elkaar nooit krijgen.

Verjaardagsbrief

Geduldig breng ik
al zijn gebreken in kaart
na bijna vijf jaar is er een patroon
ontstaan en ik
kan de flexibele formules gebruiken
om hem te bespotten,
ik weet precies waar
en wanneer hij de mist in gaat.

Er is iets mis
met zijn handen
ondanks hun grootte en hun
sierlijkheid heeft hij er eigenlijk
maar weinig aan
zijn vingers kunnen geen knopen leggen
of gordijnkoorden repareren, als
er midden in de nacht een knapt en ik
wakker word van het geluid, maar verder niemand:

Blijf je me nou echt voor altijd kwellen door viool uit te spreken met zo’n vulgaire F?

Ik weet dat ik degene ben die ziek is
en ik wacht maar tot de liefde
terugkeert in mijn stramme leden
zoals je kunt wachten op een jaargetijde
of op de brief die mijn vriend me stuurde
voor mijn verjaardag.
Het is zes dagen geleden
vandaag en in de brievenbus
tref ik iedere ochtend dezelfde berg
ingezakte reclamefolders aan.

Thuisblijver

Ik bekijk mezelf te vaak in de spiegel
waar mijn dochter bij is
en laat haar zo zien
hoe je binnen de lijntjes blijft
een eerloze gewoonte,
en met de jaren
steeds deprimerender.

‘Ik had misschien meer foto’s
van mezelf moeten maken,’
fluisterde mijn moeder
alsof het al te laat was.
Maar als er te veel tijd
tussen gaat zitten
voel ik me een gevangene
van hun ogen, meegesleurd
door hun eindeloze
kijk! kijk! kijk!
dat is een mens
en dat een glimmende eend, een boom met longvormige bladeren
een gat in de straat vol werklui en popmuziek
– tot ik buiten adem ben en
vol verlangen
naar mijn eigen
geheime gezicht.

Het is nog steeds de vraag
op wie van mijn kinderen ik het meest lijk.

Michal van Zelm
18-11-19

Het was al bijna kwart voor en mijn taxi was er nog niet. Dat zei ik tegen Amit, die bij me was komen staan op het pleintje voor het hotel en vroeg of ik naar Centraal moest. Ik ga rechtstreeks naar Amsterdam, zei ik, maar mijn taxi komt maar niet. Toen er nog eens tien minuten waren verstreken en geen van onze taxi’s waren verschenen, sprongen we samen in de eerste de beste taxi die het Spui op kwam gereden. Op dat moment wist ik nog niet hoe hij heette, en toen we ons eindelijk aan elkaar voorstelden, dacht ik dat hij Achmed zei. De naam Amit leerde ik pas kennen toen ik zijn visitekaartje aannam en ik mijn vergissing inzag, maar dat hoeft me er toch niet van te weerhouden de naam als een soort special effect boven de scène te laten zweven. Misschien had hij me trouwens al een hand gegeven (en zodoende ook zijn naam) toen we in de schuine regen voor het hotel stonden te wachten. Maar dan heb ik er in ieder geval geen erg in gehad. Ik was niet echt met mijn aandacht bij de vriendelijke Noord-Indiaas uitziende man die in zijn windjack stond te verkleumen. De gedachte dat ik mijn vlucht zou missen en nog langer moest wachten voor ik mijn dochter weer vast kon houden verontrustte me. Het is niet ver van het Mercure-hotel naar Den Haag Centraal; we waren er in een paar minuten. Amit haalde zijn creditcard tevoorschijn, maar de chauffeur stond erop dat hij alleen contant geld aannam. Opgelucht gaf ik hem een briefje van twintig, dat hij, eveneens opgelucht, met een knikje in zijn borstzakje stopte. Het duurde even voordat ik begreep dat hij niet van plan was om me wisselgeld te geven. ‘Twintig euro,’ zei ik, ‘voor zo’n ritje?’ Hij schudde zijn hoofd, half verontschuldigend, half afwerend. ‘No change.’ Amit vroeg of hij soms een grapje maakte, maar de chauffeur verzekerde ons dat daar geen sprake van was. No change betekende simpelweg no change. Geen van beiden hadden we tijd om met hem in discussie te gaan, en we lieten de triest kijkende chauffeur met zijn fooi wegrijden. Amit voelde zich duidelijk opgelaten omdat ik flink had moeten betalen voor zijn ritje naar het station, en toen we gecheckt hadden of we de volgende trein naar het vliegveld zouden halen bood hij me een kop koffie aan. Ik stemde in. Behalve dat ik zin had in koffie, was ik, nu ik er zeker van was dat ik mijn vlucht zou halen, in een opperbest humeur. Ik sprankelde als een sterretje! Ik vond alles interessant en om ieder grapje moest ik hartelijk lachen, of ik kwam met een spitsvondige reactie, en na een minuut of veertig in de trein voelde het alsof ik Amit beter had leren kennen dan de mensen met wie ik de afgelopen vier dagen had doorgebracht. Niet eens omdat hij zo bijzonder veel over zichzelf vertelde – behalve dat hij voor Maersk werkt en in Zuid-Afrika woont met zijn vrouw en dochter, en dat hij ontzettend veel suiker in zijn koffie doet, weet ik niets van Amit Tandor. Het waren de vragen die hij me stelde, en de manier waarop, waardoor zich langzaam maar zeker een beeld aftekende van iemand die verlangt naar iets waarvoor het misschien al te laat is. Ik beloofde dat ik zou bellen.

05-11-19

De schaamte is listig binnen komen rollen. Hij is enigszins vertraagd, maar gaat daarom niet minder grondig te werk. Ik schaam me overal voor: mijn gezicht, mijn stem, het geld dat ik uitgeef en het geld dat ik niet uitgeef. Ik schaam me als ik denk aan het inpakken van mijn koffer – zaterdagavond puilt hij vast en zeker uit – en ik schaam me voor de manier waarop ik eerst een glas water leegdrink, het nog eens vul, het voor de helft opdrink en dan de rest door de wastafel spoel. Ik schaam me dat ik hier ben vanwege een boek dat ik meer dan drie jaar geleden heb geschreven en waarvan ik bijna niet meer weet waar het over gaat. Vervloekt zij heel de duivelse machinerie die in gang wordt gezet als iemand je schrijver begint te noemen en je er zelf in begint te geloven. Nu zit ik ook nog in een café te hoesten als een imbeciel! Voor dat soort dingen ben ik helemaal niet knap genoeg meer. Bovendien had ik mijn zoon moeten bellen om hem gelukkig Halloween te wensen, net zoals ik mijn dochtertje uit bed had moeten tillen, haar op haar neusje had moeten kussen en haar volle luier verschonen, om haar vervolgens haar eerste flesje te geven. O, wat mis ik die wonderbaarlijke kruidige geur van haar plas! In plaats daarvan krijg ik de koude vruchtensalade van de schaamte geserveerd, en een regen die gestaag mijn bolle ogen en mijn eenzaamheid kietelt. Nog niet eens zoiets prozaïsch als een afspraak met de pedicure wil vandaag lukken. Ik kwam op de afgesproken tijd aan bij een donkere, gesloten salon. Toen ik het nummer belde dat op de website stond, kon ik de telefoon achter de dichte glazen deur horen overgaan. ‘Je hebt Amberskin bereikt. We zijn er momenteel niet.’ Ik sprak een moedeloos maar niet verwijtend bericht in en droop af. Hoe toepasselijk dat ik vannacht een koortslip heb gekregen. In mijn mondhoek bloeit een roos van vlees. Om de een of andere reden blijf ik maar het gevoel houden dat het verkeer in deze stad niet echt is, dat het een soort speelgoedverkeer is. Ik ben er niet bang genoeg voor, ik beeld me zelfs in dat de stroom zal afbuigen, verdampen of voelen als een zachte zwanenvleugel, mocht hij me toch raken. Ondanks alles lukt het me om aan deze tafel bij dit raam drie gedichten af te maken:

Bepalingen

Ik heb over je gedroomd vannacht.
Je verliet me voor een percussionist
genaamd Veronica
verliet me zonder eerst
van mij te zijn geweest.
Dat kon je zomaar in mijn droom
net zoals alle ramen in het huis
openstonden naar de regen die
geluidloos viel

Het was een mooie en verdrietige droom
waarin we allemaal jonger waren
dan we eigenlijk zijn

je bepaalt niet zelf
van wie je houdt
in een droom en vannacht hield ik
van jou.

Mijn liefde strekte zich
moeizaam uit tot in de ochtend
totdat hij iets omgooide en
mijn dochter wakker werd
ze lijkt als twee druppels water
op haar vader

Ons kind zou
groot en lelijk worden
met twee harde ogen,
lange ernstige wangen.

Daar stond ik geen moment
bij stil toen ik je vannacht
vrolijk lachend aantrof
in Veronica’s armen.

Nu weet ik dat het zo beter is.
Wij twee mogen elkaar nooit krijgen.

Verjaardagsbrief

Geduldig breng ik
al zijn gebreken in kaart
na bijna vijf jaar is er een patroon
ontstaan en ik
kan de flexibele formules gebruiken
om hem te bespotten,
ik weet precies waar
en wanneer hij de mist in gaat.

Er is iets mis
met zijn handen
ondanks hun grootte en hun
sierlijkheid heeft hij er eigenlijk
maar weinig aan
zijn vingers kunnen geen knopen leggen
of gordijnkoorden repareren, als
er midden in de nacht een knapt en ik
wakker word van het geluid, maar verder niemand:

Blijf je me nou echt voor altijd kwellen door viool uit te spreken met zo’n vulgaire F?

Ik weet dat ik degene ben die ziek is
en ik wacht maar tot de liefde
terugkeert in mijn stramme leden
zoals je kunt wachten op een jaargetijde
of op de brief die mijn vriend me stuurde
voor mijn verjaardag.
Het is zes dagen geleden
vandaag en in de brievenbus
tref ik iedere ochtend dezelfde berg
ingezakte reclamefolders aan.

Thuisblijver

Ik bekijk mezelf te vaak in de spiegel
waar mijn dochter bij is
en laat haar zo zien
hoe je binnen de lijntjes blijft
een eerloze gewoonte,
en met de jaren
steeds deprimerender.

‘Ik had misschien meer foto’s
van mezelf moeten maken,’
fluisterde mijn moeder
alsof het al te laat was.
Maar als er te veel tijd
tussen gaat zitten
voel ik me een gevangene
van hun ogen, meegesleurd
door hun eindeloze
kijk! kijk! kijk!
dat is een mens
en dat een glimmende eend, een boom met longvormige bladeren
een gat in de straat vol werklui en popmuziek
– tot ik buiten adem ben en
vol verlangen
naar mijn eigen
geheime gezicht.

Het is nog steeds de vraag
op wie van mijn kinderen ik het meest lijk.

02-11-19

Het kleine meisje in bed had hetzelfde lage voorhoofd en dezelfde glanzende wenkbrauwen als Dunia, en ik hoopte vurig dat ze niet dood was. Maar ze was dood, en toch zag ze er zo levend uit dat ik besloot dat het niets hoefde te betekenen. Haar handen lagen als zeesterren op het koele linnen gespreid, haar wangen en haar ronde mond waren zachtroze. Ik ben de naam van de schilder vergeten, maar dat doet er niet toe. Niets doet er toe. Even later liep ik in de zon met mijn veel te zware tas, tevreden dat ik de rij in de museumwinkel zo kwajongensachtig had ontweken: ik had gepast geld en een briefje neergelegd met “hier, voor de vijf ansichtkaarten” erop en toen het pand met fiere stappen verlaten. Ik kreeg er nog net geen hartkloppingen van. De rest van de dag was het zaak om niet al te erg te verdwalen, de juiste straten in te slaan en de vier windstreken in gedachte te houden. In een tweedehands winkel aan de gracht kocht ik een jas van schapenvacht met roodleren boorden en ik trok hem meteen aan. ‘Lucky lucky girl,’ zei de verkoopster terwijl ze me de kassabon overhandigde. Toen ik een paar uur later mijn hand in een van de diepe jaszakken liet glijden vond ik twee kauwgomballen en stak er dankbaar een in mijn mond (ik ben mijn tandenborstel vergeten, en ik heb er ook niet meer aan gedacht er een te kopen). Het was in het Escher-museum, dat ik trouwens niet per se wilde bezoeken: ik weet niets van zijn werk, maar het was te vroeg om al terug te gaan naar het hotel, en Paleis Lange Voorhout lag van sinistere weelde te glimmen in de namiddagzon. In het oude gebouw waren een boel hoge spiegels waarin ik mijn jas onopvallend kon bewonderen, en in een van de zalen draaide een film die de indruk wekte dat Eschers leven net zo vrij van menselijke fouten was als zijn litho’s aan de muren. De Eschers verhuisden van het ene huis naar het andere, en van het ene land naar het andere, terwijl de jaren vrolijk verstreken. Zijn zoons en zijn vrouw waren er al die tijd bij, maar als een achtergrondgeluid, en altijd (ergens in het midden) was er een schone, stille kamer waar Maurits zijn duizelingwekkende zwart-witte werelden in alle rust kon uitdenken. Al die uren dat zijn kamerdeur dicht was, dat zijn rug – als je de al moed had om de deur open te doen – het enige was wat je van je vader, van je man te zien kreeg. Ik verliet het museum in mineur en moest mijn best doen de dood niet binnen te laten in mijn gedachten over het leven. Hier heb je de vijver met zijn gouden glans, en daar de silhouetten van de torens, en daar, daar op dat bankje zit toch een oud vrouwtje met open mond naar dat alles te staren! Ze heeft het er maar druk mee, om al die schoonheid in zich op te nemen, en ze heeft alleen haar gezwollen benen om haar te dragen. Ik haast me naar het hotel, de hoofdpijn dreunt als paardenhoeven achter mijn voorhoofd. Lucky, lucky, lucky.

01-11-19

Gisteren zei mijn zus aan de telefoon dat ze een nagelknippertje naar de studiezaal had meegenomen, zodat ze ten minste haar teennagels kon knippen. Ze heeft het onbehagelijke gevoel dat haar scriptie slimmer is geworden dan zij. ’s Avonds laat, als ze het licht uitdoet en van de universiteit op Amager naar huis fietst, voelt ze wel eens iets wat een beetje op rust lijkt, maar de volgende ochtend is het weer alsof ze recht in een donker braambos staart. ‘Ik zou eigenlijk filoloog moeten zijn om over dit onderwerp te schrijven,’ verzuchtte ze, ‘en je krijgt trouwens nog een cadeautje van me. Voor je verjaardag.’ Ik stond in de keuken gnocchi te bakken en was blij om haar nasale stem te horen terwijl de geur van de bruinende boter het vertrek langzaam vulde. Vanuit haar draagzak bestudeerde Dunia de bewegingen van mijn mond. Af en toe boorde ze haar gezicht in mijn borst. Ik weet nog steeds niet wat dat gebaar betekent. Soms doet ze het een paar dagen niet, maar het komt steeds weer terug. Het verontrust me niet. Niet alles wat ik niet begrijp, verontrust me. Het gaat de goede kant op. Het is me opgevallen dat sommige oudere vrouwen een jonge, haast kinderlijke stem hebben. Als je je ogen dichtdoet kun je het meisje voor je zien dat erbij hoort, en als je ze weer opendoet, is ze niet helemaal verdwenen maar blijft ze in het gezicht van de oudere vrouw hangen als een schaduw die langzaam vervaagt. Met zo’n vrouw zat ik in de metro, op weg naar het vliegveld, waar ik wel heel erg op tijd ben aangekomen. Een man zoekt samen met zijn zoon tevergeefs naar een stopcontact, maar ze kijken elkaar bemoedigend aan en geven me op die manier het gevoel dat het allemaal wel goed komt. Ik zal nooit de kans krijgen om ze (onder andere) daarvoor te bedanken. Meteen toen Nitesh binnenkwam wilde ik weg. Mijn tas stond al klaar naast de piano, met mijn wanten en mijn sjaal erbovenop. De zon scheen door de vuile ruiten naar binnen en ik zag het speelgoed oplichten: geel, turquoise, paars, felroze. We hielden het afscheid kort en droog, dat wilde ik zo. Ik vergat de zak met luiers niet en ik zette het fietsje van mijn zoon klaar. Ik dacht eraan dat ik van ze hield, en ik herinnerde me het tegen ze te zeggen.

De keuken in het Indonesische restaurant lag in het verlengde van de eetzaal, dus nu ruikt mijn rode winterjas naar gebakken rijst. Ik heb hem naast het open raam aan een kleerhanger gehangen en ik heb steeds het gevoel dat er iemand in een rode jas achter het gordijn rustig toekijkt hoe ik zit te werken. Adrienne Rich schrijft in 1974 of ’75: “Totdat we elkaar gevonden hebben, zijn we alleen.”

03-10-19

Ik mailde Elinor en Marcelle dat ik over mijn deelname aan het festival had nagedacht, maar dat ik mijn dochter toch geen drie dagen zou kunnen missen. Toen ik de uitnodiging had aangenomen had ze nog geen gezicht, was ze nog maar een prille, vrolijke mogelijkheid. De zomer ontnam me het zicht op het najaar dat nog onwerkelijk voelde en ver weg. Maar in oktober is ze al zes maanden – en wie weet wat ze dan allemaal kan!? Rechtop zitten in haar kinderstoel? Gekookte groenten eten en kleine stukjes brood? Misschien slaapt ze ’s nachts weer, in plaats van aan een stuk door hardop te brabbelen, tijdens de uren die nu vol vreemde gaten zitten. Een maand is een eeuwigheid in de tijdsbeleving van een klein kind, en ik – ik zal niet veranderd zijn. Ik schreef dat mijn vriend had aangeboden om mee te gaan, om voor mijn dochter te zorgen terwijl ik aan het festival deelnam. Strikt genomen had hij dat niet gedaan. Het klopt wel dat we deze optie hadden besproken, maar hij had niets beloofd. Het idee om met een klein kind op een hotelkamer gevangen te zitten sprak hem niet aan. Daar kon ik wel inkomen. Ik zag al voor me hoe mijn dochter jengelend over de vaste voerbedekking zou rollen waarvan de hotelkamer ongetwijfeld voorzien zou zijn. Grijs als donderwolken of rood als ossenbloed. En ik zag al voor me hoe ze in de regen door de vreemde straten zouden lopen, schuilend in cafés en musea, hoe ze plastic lepels op de grond zouden laten vallen en een slabbetje vergeten, haar hondjesrammelaar tussen de etensresten en de lege kopjes op tafel. Zodra ik de mail verstuurd had, realiseerde ik me dat niets van dit alles zou gaan gebeuren. Ik zal in mijn eentje gaan. Ik zal in de metro stappen en daarna in het vliegtuig – alleen. De aankomst, de mensen, het bed, de vloerbedekking en de handdoeken in de hotelkamer, de vreemde talen en de kannen vruchtensap bij het ontbijtbuffet – ik zal het allemaal zelf moeten klaarspelen. Sinds de geboorte van mijn dochter in mei heb ik alles als het ware door een dubbele bril gezien, ga ik gebukt onder haar gestaag groeiende gewicht en de vele verschillende voorwerpen die nodig zijn om haar ritme erin te houden. Ach, dat dierbare, fragiele ritme, barse leenheer van mijn dagen! In Den Haag zal ik me buiten zijn invloedssfeer bevinden, licht als een veertje en angstwekkend overbodig. De eerste keer dat ik zonder mijn zoon op reis ging, werd ik al na een dag getroffen door een gevoel van onwerkelijkheid. Hij was elf maanden oud. De euforie over dat ik weer ongestoord kon lezen, wandelen en slapen was afgezwakt, en ik doolde rusteloos door de geplaveide straten, door het universiteitspark en langs de oevers van de Cam. De middeleeuwse pracht van de stad was aan mij niet besteed. Als een ontsnapte gevangene verlangde ik ernaar te worden opgepakt en teruggeleid naar mijn cel. Mijn vlucht vloog me al snel naar de keel.