Volgens mij heb ik het nog niet verteld, dus bij dezen: die eerste dag in Den Haag – de dag dat ik tien kilometer heb gelopen en in Scheveningen ben geweest – nam ik rond een uur of tien ’s avonds, afgebrand na die eindeloze wandeling, een Uber terug naar mijn hotel. Maar voor ik het Mercure binnenging, bedacht ik dat ik nog niets had gegeten en ging op zoek naar een plek waar ik even rustig kon zitten. Onder het lopen – in een slakkengangetje, want ik was uitgeput – probeerde ik te bedenken hoe ik met mijn paar woorden Engels iets zinnigs zou kunnen zeggen.
Ik had een stille dag achter de rug, een dag te midden van veel Nederlands en een beetje Engels. Niet onaangenaam. Ik hou wel van dat taalisolement, van die opgelegde stilte. Net toen ik dat dacht, kwam ik op een paar honderd meter van het hotel bij een shoarmatent. Ik werd geholpen door een Egyptenaar die, god weet hoe, moeiteloos verstond wat ik bestelde. En op dat moment hoorde ik voor het eerst op mijn reis Spaans.
Het was een nachtmerrie: de Egyptenaar had een tv-programma opstaan over bachata, een muziekgenre uit Midden-Amerika dat vlak na de reggaeton in de mode kwam en niet te harden is, maar eindeloos in je hoofd blijft hangen. En nu schalde het dus uit die tv: een eindeloze bachataloop in een Egyptische snackbar in een oer-Hollandse stad. Op zo’n moment lijken grenzen iets puur denkbeeldigs. Maar schijn bedriegt. Je moet op je hoede zijn. Barrières zijn er weldegelijk: tussen talen, maar ook tussen sociale klassen, en ze komen tot uiting in allerlei kleine gebaren, soms onmogelijk te omschrijven, maar daarom nog niet minder reëel. Je moet er steeds op bedacht zijn.
Een paar dagen later moet ik er weer aan denken, als ik eindelijk in Amsterdam ben en in het Stedelijk Museum de expositie ‘The Crossing’ bezoek van de Colombiaanse kunstenaar Carlos Motta. Hoe graag we het tegendeel ook willen geloven, grenzen zijn nooit maar dan ook nooit denkbeeldig. Daar kun je je maar beter van bewust zijn, zodat je manieren kunt zoeken om anderen te helpen, te zorgen dat ze zich niet buitengesloten voelen en kunnen deelnemen aan wat we ‘de samenleving’ noemen.
Carlos Motta’s The Crossing is een video-installatie die een reeks interviews toont met immigranten, elf vluchtelingen die hun landen in het Midden-Oosten ontvluchtten, waar ze gediscrimineerd en vervolgd werden omdat ze homo of transseksueel zijn. We zien hen op elf verschillende schermen in twee zalen, ze praten tegen de camera, tegen ons, ze vertellen hun verhaal, hoe ze vanuit hun land de overtocht maakten naar Europa – in dit geval naar Nederland – om daar asiel aan te vragen. Maar ver weg van hun eigen land was het verhaal van hun verschrikkingen nog altijd niet ten einde: in de asielzoekerscentra werden ze net zo hard gediscrimineerd door hun homofobe en transfobe medevluchtelingen. De ellende die mensen elkaar aandoen is overal hetzelfde.
Dat is ongetwijfeld een ongemakkelijke waarheid, maar daar draait het kunstenaarschap vaak om: mensen verontrusten, herrie schoppen, praten over datgene waarover we liever niet praten.
Een gevaar hiervan is dat je in gemeenplaatsen vervalt of uiteraard het onderwerp misbruikt, omdat hedendaagse kunst over de migratiecrisis nu eenmaal goed verkoopt, in trek is bij curators, galeriehouders en musea, ook al ontbreekt het vaak aan een werkelijk kritische blik. Het is zaak om daar niet voor te zwichten. Om een gezichtspunt te kiezen dat de boodschap niet onschadelijk maakt. Om de ander ondanks alles voortdurend te blijven zien.
In een documentaire over zijn werk, die onlangs in première ging, verwoordt Alfredo Jaar dit beter: ‘Wanneer we iets over anderen vertellen, blijft alles wat we doen in zekere zin onscherp. Dat is mijn bekentenis aan mijn publiek. Ik beken dat alles wat ik doe op de een of andere manier onscherp is.’
Sommige foto’s die Rudy Kousbroek voor zijn teksten koos zijn onscherp. Dat viel me op toen ik de kans kreeg om een paar minuten door Opgespoorde wonderen te bladeren. De Nederlandse uitgave ziet er heel anders uit dan de Spaanse. Het is een prachtig boek met een groot formaat, waarin de foto’s goed tot hun recht komen en de bijbehorende tekst nauw met het beeld verbonden is, iets wat in de kleinere, eenvoudiger vormgegeven Spaanse editie deels verloren gaat.
In Amsterdam kwam ik erachter dat Opgespoorde wonderen nergens meer te krijgen is, dat je het alleen nog kunt vinden in bibliotheken, dat er nooit een herdruk is verschenen. Dat lot lijkt de besten altijd te treffen: een leven in het verborgene, in stilte, op het onscherpe deel van de foto.