Er zijn ruwweg twee soorten festivals, het ene is een feest der muziek en het andere een feest der literatuur. De muziekedities zijn die waar je bijvoorbeeld je handen kunt warmen aan een brandstapel van vlammende mobiele wc’s (Leeds Festival, 1998; dansend naast de oproerpolitie) of de waarheid kunt ontdekken over wiskundige structuren in de natuur (Aphex Twin, Reading Festival, 1999). Bij de literatuuredities heb je meer kans je favoriete schrijver (die naamloos zal blijven, Haye-on-Wye Literary Festival, 2002) dusdanig dronken te zien dat hij met zijn hoofd op de toog in slaap was gevallen, of te luisteren naar je favoriete dichter (eveneens naamloos, Haye-on-Wye, 2002) die zich mompelend door jouw lievelingsgedichten werkt. Nu ik het zo stel, zijn ze niet eens zo verschillend. Beide festivalsoorten maken je los van je dagelijkse beslommeringen.
Het is daarom een machtig mooi idee dat Crossing Border muziek en schrijven bijeenbrengt. Er bestaat een prachtig festival in Laugharne in Wales, een dorpje waar het ‘schrijfschuurtje’ van Dylan Thomas stond, dat voor mij het perfecte voorbeeld is van de potentie van de combinatie woorden en muziek. De meeste voordrachten en optredens vinden plaats in of rondom de drie pubs in het dorp. Het valt niet te voorspellen of je bij de urinoirs schouder aan schouder zult staan met DBC Pierre, een bandlid van The Clash of de stervleugelspeler van de Laugharne Rugby Club. Er heerst totale gelijkheid. Er heerst totale chaos. Des te beter.
Het Latitude Festival in Suffolk in het zuiden van Engeland kent een wat chiquere aanpak. De muziekpodia zijn aan de ene kant van het veld en de kunst en literatuur zijn aan de andere kant. Ik kan me herinneren dat ik keek naar Patti Smith die voorlas in de poëzietent (waar honderden mensen zich naar binnen hadden gewurmd om te luisteren) en vervolgens de heuvel op liep om haar liedjes te zien zingen in de spelonkachtige en stampvolle muziekarena.
Er zijn veel dingen waar ik zin in heb als ik naar het programma van Crossing Border kijk. John Cooper Clarke, punkdichter en godfather van de stand-up poëzie. Edwyn Collins, een geweldige muzikant wiens recente opwindende optredens verbluffend te noemen zijn ondanks zijn wonderbaarlijke herstel van een hersenbloeding. Dan is er nog David Vann die met ‘Legend of a Suicide’ een van mijn favoriete boeken van dit jaar heeft geschreven. Jamie Lidell komt, een artiest die zo soulvol zingt, zo virtuoos en authentiek Motown, dat het moeilijk voor te stellen is dat het om een sullig blank kereltje gaat dat debuteerde in de electrowereld. En we hebben Roddy Doyle – een fantastische romanschrijver, maar wat mij betreft nog beter in korte verhalen. Ik kan niet wachten om hem te zien.
Nu heb ik er echt zin in.
Aangezien ik sinds een paar jaar deel uitmaak van een performance poëziegezelschap, Aisle 16, ben ik van een toevallige festivalganger verworden tot een hardcore bikkel die tien festivals per zomer op rubberlaarzen lauw bier drinkt. Ik zet een tent op in minder dan vijf minuten. Ik weet een waterdichte broek op waarde te schatten. Ik kan door een opeengepakte menigte zigzaggen met zowel beleefdheid als vaart. Toch is het werkelijk goede nieuws dat we – tijdens Crossing Border – in een hotel logeren. Ik zal niet wakker worden in een korst van m’n eigen zweet, verschrompeld door uitdroging, naar lucht happend terwijl de zon door het tentzeil brandt. Dat is een feestje waard.