Spinoza ligt begraven op het terrein van de kerk tegenover ons hotel. Het enige geluid in deze donkere ochtend komt van onze voetstappen op de herfstbladeren die de tuin bedekken. Taco heeft me voor zessen gewekt om samen met Lucy naar het graf van de filosoof te gaan. Zijn naam, Benedicti de Spinoza, verschijnt tussen het rood en geel van de bladeren, alsof iemand nog eerder dan wij is opgestaan om het marmer schoon te vegen.
Door de slaap duurt het even voor het tot me doordringt dat Baruch is veranderd in Benedicti. Werd Spinoza katholiek nadat hij verstoten was uit de Joodse gemeenschap? En waarom ligt hij in godsnaam bij een kerk begraven? Ik kijk om me heen en zie geen enkel ander graf. Is hij bekeerd en is hij daarvoor geëerd?
‘Ongelooflijk dat hij zo dicht bij het hotel ligt,’ merkt Lucy op.
Het werd me al vroeg duidelijk dat schrijven altijd een zekere mate van hekserij met zich meebrengt. Telkens als ik met een tekst begin word ik door raadselachtige gebeurtenissen dichter bij het onderwerp gebracht, alsof de echte wereld samenzweert met de verbeelding. Ook deze keer is het niet anders. Sinds ik begon aan de eerste column ben ik door alles in de richting van Spinoza en Salom Salem geduwd. Op de een of andere manier kom ik altijd uit bij het verleden.
In de tijd dat ik begon te schrijven aan mijn tweede roman, die zich gedeeltelijk afspeelt op Corsica, werkte ik tegelijkertijd aan een postdoctoraal over W.G. Sebald. In een Parijse boekhandel ontdekte ik een boek van de Duitse schrijver over precies dat eiland. Ik dacht dat ik gek werd. Het was te onwerkelijk om waar te zijn, het leek een aan mij persoonlijk gerichte boodschap. Nu, in het bijzijn van Spinoza, denk ik weer aan Sebald: door hem heb ik de stad ontdekt waar we straks, als het licht wordt, in een bus vol muzikanten, schrijvers en vertalers naartoe rijden.
Voordat ik Austerlitz las was Antwerpen alleen een naam, verder niets. Door Sebalds roman ging ik op zoek naar informatie over het ontstaan van de stad, haar inwoners en haar belangrijke handelspositie. Meer nog dan dat: Antwerpen kreeg een plaats in mijn hart omdat het de stad is waar de verteller het personage Austerlitz voor het eerst ontmoet. Hij zit op het station te wachten op een trein die hem ver weg van een dan nog onbestemde kwelling moet brengen. De oorsprong van die kwelling achterhaalt hij pas jaren later: op zijn vijfde werd Austerlitz op de trein naar Engeland gezet en overgedragen aan een adoptiegezin om hem te beschermen tegen de nazi’s. Voordat hij zijn achtergrond ontdekt, doolt hij rond op treinstations zonder te weten waarom.
Zo gaat dat met het verleden: onzichtbare herinneringen beloeren je, blijven aandringen en openbaren zich op mysterieuze wijze. Geestverschijningen die je schrik aanjagen met de bedoeling je verder te brengen. Eerst is er de angst, dan komen de vragen en met die vragen de drang grenzen te doorbreken, tot het uiterste te gaan en verder, op zoek naar het onbekende. Op deze onrust volgt het daadwerkelijke schrijven, de zoektocht naar betekenis, de weg die soms leidt naar de verwachte bestemming, maar zich vaker opsplitst in verschillende richtingen, de weg die bedriegt en misleidt, zonder dat je er zeker van kunt zijn ooit bij een antwoord uit te komen. Het is een avontuur zonder grenzen dat juist door die vrijheid het plezier en de pijn van zijn eigen bestaan in zich draagt.
*
Eenmaal thuis kan ik niet zeggen dat ik terug ben met een kant-en-klare roman onder mijn arm. Ik heb nooit minder dan twee, drie jaar over een boek gedaan. Een verhaal heeft tijd nodig, moet rijpen. Ik weet zelfs niet of ik het ooit zal voltooien, maar terwijl ik op het vliegveld zat te wachten op mijn vlucht, glimlachte ik, want ik wist dat ik niet alleen met meer vragen wegging uit Nederland, maar vooral ook met meer geestdrift, ervan overtuigd dat ik over grenzen heen was gegaan en daar, aan de andere kant, onvergetelijke dingen had meegemaakt.