Buiten is het ijskoud. De Haagse gebouwen gaan in de mist gehuld en het regent zachtjes. Een uitstekende dag om op mijn hotelkamer te blijven en de nieuwe roman van Juan Pablo Villalobos te lezen. Helaas heb ik beloofd iedere dag een column in te leveren en als ik Eduardo, de inquisitie-specialist, niet ga opzoeken heb ik niets om over te schrijven. Ik verzin geen verhalen. Zonder iets mee te maken schrijf ik niet. Als ik dus wil voorkomen dat ik mijn hele tekst moet wijden aan het lezen van een boek op een hotelkamer, erg vernieuwend, moet ik de miezer en de kou te lijf, de ergste vijanden van iemand die is opgroeid in de tropen.
Zonder paraplu of capuchon vertrek ik richting station. Google zegt dat het negen minuten lopen is, ik doe er zestien over. Als ik níet verdwaald was, was ik aan mezelf gaan twijfelen. Ik kijk naar welk perron ik moet en voel me, eenmaal in de wagon, weer een beetje thuis. Als het zou kunnen bracht ik mijn hele leven door in een trein, zwijgzaam de wereld aan de andere kant van het raam en de in- en uitstappende reizigers bestuderen. Tussen Den Haag en Amsterdam is het land vlak, de horizon strakgespannen.
Een treinreis is waardevoller dan een uur bij de therapeut. Ik keer terug naar mijn kindertijd, stel me betere dagen voor, gedenk mijn doden en vertel ze wat niemand anders te horen krijgt. De logische tijd verandert in de tijd tussen twee steden en gaat onverwacht snel voorbij.
Mijn telefoon stond op stil, pas als ik in Amsterdam ben zie ik het sms’je van Eduardo: hij komt een kwartier later. Ik doe er mijn voordeel mee, koop een Le Monde en ga koffie drinken. Na een kwartier krijg ik opnieuw een sms’je: of ik vast een restaurant wil kiezen en daar op hem kan wachten. Stilaan word ik onrustig, want ik kan er met mijn tropische hoofd niet bij dat ook Europeanen te laat kunnen komen. Toch blijf ik hoopvol: Eduardo komt heus wel opdagen, hij vertelt me alles, tot in de kleinste details, over Salom Salem en ik ga naar huis met een kant-en-klare roman onder de arm.
Omdat het ook in Amsterdam regent ga ik het eerste het beste café in, The Doors, typisch zo’n tent waar je als toerist afgezet wordt. Op mijn iPhone luister ik naar de Villagers, die gisteravond mijn hart hebben veroverd. Het album heeft de rake titel Awayland. In dat verre land woon ik als ik niet thuis ben.
Ik laat Eduardo weten waar ik zit en bestel thee met gember en citroen. Daarna appeltaart. Als ik weer op mijn telefoon kijk is het al laat. Drie kwartier in dit café en ik heb nog steeds niets gehoord van Eduardo. Ik bel hem, maar zijn telefoon staat uit, of hij heeft geen bereik. Misschien is zijn batterij leeg.
Het probleem met wachten is dat het een oneindige spiraal is. Je stopt pas met wachten als de ander er is. Als die niet komt opdagen blijf je wachten. Altijd is er die twijfel: als ik nu wegga, komt hij vast alsnog. Ik besluit het nog vijftien minuten vol te houden. Dan nog eens vijftien, en nog eens vijftien, en nog eens vijftien. Om vijf uur is het duidelijk dat hij niet meer komt, en ik neem de trein terug naar Den Haag. Ik mag niet te laat te komen voor mijn lezing vanavond.