Eerst glipt er een dag voorbij doordat ik mijn jetlag weg moet slapen, dan eentje doordat ik geconcentreerd aan het schrijven ben. En de dagen zijn ondertussen zo kort geworden dat ik Den Haag vooral in het donker beleef.
Hoe nieuwsgierig ik ook ben naar mijn omgeving, ik aarzel ook om haar mystiek weg te nemen door een plattegrond of een waaier aan toeristenfoldertjes uit te vouwen. Misschien voel ik me hier meer op mijn gemak wanneer alle galerieën, musea en souvenirwinkels hun deuren voor de nacht hebben gesloten en de rekken met ansichtkaarten naar binnen zijn gehaald. Dan zie ik alleen nog de spookachtige schoonheid van de kale bomen en de gebochelde bruggetjes, het uitgelichte metselwerk van de historische gebouwen. Onder mijn voeten de diverse stroken die samen een straat vormen. Tramrails, fietspaden, grijze stoeptegels. Ze snijden dwars door het beton, als een vlechtwerk. Zodra het donker is wordt de poëzie die ik bij aankomst zag weer aangevuld.
Annelies Verbeke verwoordt dat beter dan ik het kan. Waar eindigt het gedicht en begint het verhaal? vraagt zij.
In mijn hotelkamer laat ik de tv non-stop aan staan, op BBC World, omdat ik er niet tegen kan om in stilte te schrijven. De minister-president van India die een bezoek aan Londen brengt; babylijkjes in Beieren; de zelfmoordaanslagen in Parijs; het goede weer in Spanje.
In Den Haag daarentegen begint het steeds harder te waaien. De wind geselt de vlakke muren van het hotel en huilt. Hij rukt aan de vlaggen onder mijn raam. Het suizende geluid dat ze maken doet me aan skydiven denken, laat me in mijn dromen uit vliegtuigen springen. Ik word elk uur van de nacht wel een keer wakker, omdat er zo veel gebeurt en alles zo nieuw en intrigerend is. Zelfs mijn onbewuste blijft constant alert, bang om iets te missen.
Maar als ik ga zitten om te schrijven zijn het juist de nietigste details die me trekken. Niet de aanblik van het Binnenhof, maar die van een plantje op een vensterbank in het kantoor aan de overkant, de blaadjes tegen het glas gedrukt. Niet de muziek van het festival, maar het lied van een eenzaam blikje dat hortend en stotend over het plein rolt. Waarheen en hoe ver ik ook reis, ik breng de wereld om mij heen altijd onmiddellijk en onwillekeurig terug tot het nietige, het bekende.
In ieder verhaal zit minstens één personage uit een ander verhaal, zegt Annelies. En in de Karma Lounge op het festival kom ik, alsof deze uitspraak even bewezen moet worden, een Ier tegen die het dorp waar ik woon kent. Het getijdok, de olieraffinaderij.
Als ik in mijn eentje terugloop naar het hotel, door de donkere stad, weet ik ineens waarom Den Haag me ’s nachts zoveel beter bevalt. Er zijn minder fietsen. De hele dag door zwermen ze door de straten. Staan ze hutjemutje aan relingen vastgeketend. Ik snap niet hoe het kan, maar ze lijken nooit te botsen. Misschien worden Nederlanders geboren met eenzelfde gevoeligheid als spreeuwen, het vermogen om allemaal samen perfect synchroon te bewegen zonder elkaar ook maar met een elleboog te raken. Misschien ziet elke stad in Nederland er vanuit de lucht uit als één grote spreeuwenwolk van fietsers.
Het laatste liedje van de avond komt weer bij me bovendrijven. Jonathan Jeremiah zong zachtjes, veelbetekenend: Like the birds, let’s fly off to the sun…