Hallo en welkom bij mijn tweede bericht, dat jullie niet is toegestuurd uit de veelbelovende omgeving van een opwindend en onbekend Den Haag, maar uit de iets bekendere omgeving van mijn eigen bank, die ik vanochtend, nog vrij sensationeel, niet bleek te kunnen achterlaten. In plaats van een etentje met mijn medeschrijvers en vertalers, en misschien wel te mogen genieten van die karakteristieke spanning van een avondje in een onbekende stad, zit ik in mijn pyjama een pizza te eten en dit verslag te schrijven over dingen die ik niet heb gedaan op een plek waar ik nog niet ben.
Het is vreemd, maar niet onprettig. Vandaag voelde als een dag die nooit heeft bestaan. Niet alleen ben ik op de verkeerde plek, maar bijna iedereen die ik ken denkt dat ik elders ben, waardoor ik, voor tenminste vierentwintig uur, ook niet echt besta.
In ons huidige, hypermoderne bestaan is niet-bestaan nog een pittige klus. Ons bestaan wordt ons voortdurend opnieuw bevestigd, onze aanwezigheid steeds weer aangekondigd en door onszelf waargemaakt. Het meest noemenswaardige van vandaag, waarin tijd en plaats even geen grip op me hadden, was hoe weinig ik ervoor voelde om anderen in te lichten. Toen ik de stad inliep om eten te kopen waarvan ik niet had gepland dat ik het nodig zou hebben, voelde het alsof ik dit stiekem deed. Voor één dag leidde ik een heimelijk en onerkend leven. Ik was nergens, en niemand, en die gedachte maakte me onverwacht blij.
Er wordt ons vrijwel onophoudelijk opgedragen onszelf te definiëren, herkenbare vormen te maken van het rommelige gepriegel des levens dat ons wordt voorgezet. Het doel, wordt ons verteld, is een constante zelfverwezenlijking, ‘weten wie je bent’, en weten wat je wil. Dergelijke garanties geven zekerheid, maar beperken ons ook. Als ik altijd ben waar ik gepland had te zijn, zal ik in feite altijd zijn wíé ik gepland had te zijn.
Als aanwezigheid op Crossing Border een kans is om de esthetische en linguïstische grenzen die onze artisticiteit afbakenen te bestuderen en te ontrafelen (waar houdt de muziek bijvoorbeeld op en begint het schrijven; waar komen vertaling en expressie samen?), dan is mijn afwezigheid, al is het maar een dag, een kans om de onzichtbare grenzen te ontdekken die wie we zijn scheiden van wie we niet zijn, en waar we zijn van waar we niet zijn; een reminder dat, ondanks al ons geplan en gezond verstand en onze invloed en ogenschijnlijke grip op de realiteit, ieder van ons steeds opnieuw een opening moet zien te vinden in het semidoorlaatbare membraan dat dát wat we willen zijn scheidt van dat wat is.
Tegen de tijd dat deze column wordt gepubliceerd zal ik, als alles volgens plan verloopt, het vliegtuig hebben gepakt dat ik vandaag had moeten pakken en zijn teruggezakt in de uitgestippelde gang van zaken. Het zal waarschijnlijk zelfs lijken alsof vandaag nooit heeft plaatsgevonden. In veel opzichten is dat ook zo. Maar als dit zich ooit weer voordoet (wat op een dag ongetwijfeld het geval is) zal ik me hopelijk kunnen herinneren, zelfs wanneer de onvermijdelijke irritatie en stress die voortvloeien uit geruïneerde plannen aan me beginnen te vreten, hoe het was om weggevaagd te zijn uit een moment dat op mij wachtte, en hoe vreemd bevrijdend het voelde om in plaats daarvan een plaats en tijd in te nemen waar ik eigenlijk nooit onderdeel van had moeten zijn.