Anne Moraal
Stem
09-11-2020

Het kan niet anders. Het moet wel. Natuurlijk komt het goed. Het was alsof we elkaar de laatste weken probeerde te bezweren. Het zou goed komen, vertelden we onszelf, terwijl we wisten dat het de vorige keer helemaal niet goed gekomen was. Dat er ook een tweede golf zou kunnen komen die roodgekleurd was en nog eens vier jaar zou duren. Maar het ís goed gekomen. Godzijdank.

Het was er ook een goede dag voor, moet ik zeggen. Ik liep door Den Haag (Dag Hoevelaken!), de zon brak door en ik bedacht me hoe anders Den Haag er volgend jaar uit moet zien, hoeveel beter. Als de straten weer gevuld zijn, de horeca weer open is en er weer een ‘normaal’ Crossing Border, mét subsidie, kan plaatsvinden. Ik checkte in bij mijn hotel en de hotelkamer mét psychedelische jungle achterwand beviel me meteen. Nog steeds op afstand, maar een stuk dichterbij dan de andere dagen, bezocht ik het festival. The Raven Studio zinderde, alsof ze daar wisten welk nieuws er aan zat te komen. En de timing was perfect: na afloop van het middagprogramma werd de uitslag bekend. Joe Biden wordt de nieuwe president. Kamala Harris, de eerste vrouwelijke vicepresident.

Die avond ontmoette ik de andere Chronicles voor het eerst. We gingen in gesprek over deze week en de boeken die we schreven. Sholeh Rezazadeh vertelde hoe ze in het Nederlands dingen durfde te schrijven, die ze in het Farsi niet eens kon uitspreken. Hoe de emotionele afstand tot het Nederlands groter is waardoor ze in onze taal vrijer kan schrijven. Sebastiaan Chabot herkende zich in haar verhaal: hij had zijn boek eerst geheel in het Engels geschreven voordat de Nederlandse versie zoals wij die nu kennen er was. Ik zei niets, maar ik wist precies waar ze het over hadden. Bij mij zit de emotionele lading echter niet in de taal, maar in uitgesproken woorden. Alsof op het moment dat ik bepaalde woorden in mijn mond neem ik ze nooit meer kan terugnemen. Dat negatieve woorden dan pas realiteit worden. Zolang ik die woorden, die gedachten, bij me houdt zijn ze veilig. Ik ben niet zo’n prater, zo noemen ze dat. Geschreven tekst geeft mij de mogelijkheid om woorden die ik niet kan, of durf, hardop te zeggen, toch te vertellen. Op papier kan ik ze bekijken, aanpassen, de juiste nuance meegeven. Doordat ze de klankkleur van mijn stem niet dragen zijn ze minder van mij en meer van de lezer.

Op het moment dat Sholeh en Sebastiaan dit vertelden, zei ik niets. Omdat ik er met mijn stem niets over zeggen kan. Ik hoop dat ik in ieder geval lichtjes knikte, zodat ze wisten dat ik hen begreep. Maar, mezelf kennende, deed ik zelfs dat waarschijnlijk niet. Daarom nu, hier.

 

Anne Moraal
16-11-20

Ik kwam terug uit Den Haag en liep de woonkamer in. Op het eerste gezicht zag mijn huis er nog precies zo uit als ik het had achtergelaten, maar er bekroop me een vreemd gevoel. Alsof ik werd bekeken. Ik sloeg er niet veel acht op en deed de dingen die je doet als je thuiskomt: je tas neerzetten en je voornemen om die meteen uit te pakken (en dat niet te doen), de ramen opendoen, koffie zetten. Weer kreeg ik het gevoel dat ik bekeken werd en uit mijn ooghoek zag ik een klein wit bolletje achter het raam. Twee kleine, priemende oogjes keken me strak aan. Een kip. En niet zo’n huis-tuin-en-keuken-beest waar je aan denkt als je het woord ‘kip’ hoort. Dit was een extreem klein kipje, geen kuiken, maar echt een volwassen kip in het klein. Ze was wit met wat zwarte puntjes en leek totaal niet onder de indruk van mijn aanwezigheid. Het kipje was niet alleen. Een stukje verderop liep er een bruin exemplaar zelfverzekerd door de tuin, alsof ze dat al jaren op deze manier deed. Maar, ik heb helemaal geen kippen.

Ik zette meteen een zoektocht naar de eigenaar van de diertjes op touw en hield me vooral bezig met vragen als: wat als we de eigenaar niet vinden? Of wat als de kat van de buren doorkrijgt dat er hier twee hele kleine kipjes rondlopen. Met mijn man, die ook thuis was, gebeurde iets anders. Hij ontfermde zich over de kipjes alsof hij twee lang verloren vriendjes weer terug zag. Hij haalde broodkorstjes voor ze en een bakje water. Met een kratje en wat handdoeken maakte hij een nestje voor ze. Hij had opgezocht dat het een Aziatisch kippenras was dat slecht tegen de kou kon. Hij was niet bij de beestjes weg te slaan. Via via kwam ik na 2 uur de eigenaren op het spoort, onze achterburen. Een kat had de kippen onze kant op gejaagd. Over de telefoon overlegde ik met de eigenaresse dat ze de kipjes op kon komen halen. Toen ik de telefoon ophing keek ik de tuin in, naar mijn man die daar stond met het witte kipje op zijn arm en de bruine die op zijn hoofd in slaap was gevallen. Ik liep naar buiten en hij zei: ‘van mij mogen ze blijven.’ Ik vertelde dat de achterburen de kippen binnen 10 minuten zouden komen ophalen. Mijn man bleef stil.

De achterbuurvrouw kwam met haar zoontje stopte de kippen in een kartonnen doosje en bedankte ons. De dag verliep verder zoals die dagen verlopen: ik pakte mijn tas niet uit en liet mijn koffie koud worden. ’s Avonds op de bank keek ik foto’s terug van de avond ervoor, toen ik nog in Den Haag was en over mijn boek vertelde en eindelijk de andere schrijvers had ontmoet. Mijn man bekeek op zijn telefoon de foto’s die hij van de kipjes had gemaakt en zei niets. Het contrast tussen het festival en mijn leven in Hoevelaken had niet groter kunnen zijn. Toen hoorden we buiten iets ritselen in de bladeren. Uit het donker verscheen een klein bolletje achter het raam, met kleine oogjes die naar binnen keken.

09-11-20

Het kan niet anders. Het moet wel. Natuurlijk komt het goed. Het was alsof we elkaar de laatste weken probeerde te bezweren. Het zou goed komen, vertelden we onszelf, terwijl we wisten dat het de vorige keer helemaal niet goed gekomen was. Dat er ook een tweede golf zou kunnen komen die roodgekleurd was en nog eens vier jaar zou duren. Maar het ís goed gekomen. Godzijdank.

Het was er ook een goede dag voor, moet ik zeggen. Ik liep door Den Haag (Dag Hoevelaken!), de zon brak door en ik bedacht me hoe anders Den Haag er volgend jaar uit moet zien, hoeveel beter. Als de straten weer gevuld zijn, de horeca weer open is en er weer een ‘normaal’ Crossing Border, mét subsidie, kan plaatsvinden. Ik checkte in bij mijn hotel en de hotelkamer mét psychedelische jungle achterwand beviel me meteen. Nog steeds op afstand, maar een stuk dichterbij dan de andere dagen, bezocht ik het festival. The Raven Studio zinderde, alsof ze daar wisten welk nieuws er aan zat te komen. En de timing was perfect: na afloop van het middagprogramma werd de uitslag bekend. Joe Biden wordt de nieuwe president. Kamala Harris, de eerste vrouwelijke vicepresident.

Die avond ontmoette ik de andere Chronicles voor het eerst. We gingen in gesprek over deze week en de boeken die we schreven. Sholeh Rezazadeh vertelde hoe ze in het Nederlands dingen durfde te schrijven, die ze in het Farsi niet eens kon uitspreken. Hoe de emotionele afstand tot het Nederlands groter is waardoor ze in onze taal vrijer kan schrijven. Sebastiaan Chabot herkende zich in haar verhaal: hij had zijn boek eerst geheel in het Engels geschreven voordat de Nederlandse versie zoals wij die nu kennen er was. Ik zei niets, maar ik wist precies waar ze het over hadden. Bij mij zit de emotionele lading echter niet in de taal, maar in uitgesproken woorden. Alsof op het moment dat ik bepaalde woorden in mijn mond neem ik ze nooit meer kan terugnemen. Dat negatieve woorden dan pas realiteit worden. Zolang ik die woorden, die gedachten, bij me houdt zijn ze veilig. Ik ben niet zo’n prater, zo noemen ze dat. Geschreven tekst geeft mij de mogelijkheid om woorden die ik niet kan, of durf, hardop te zeggen, toch te vertellen. Op papier kan ik ze bekijken, aanpassen, de juiste nuance meegeven. Doordat ze de klankkleur van mijn stem niet dragen zijn ze minder van mij en meer van de lezer.

Op het moment dat Sholeh en Sebastiaan dit vertelden, zei ik niets. Omdat ik er met mijn stem niets over zeggen kan. Ik hoop dat ik in ieder geval lichtjes knikte, zodat ze wisten dat ik hen begreep. Maar, mezelf kennende, deed ik zelfs dat waarschijnlijk niet. Daarom nu, hier.

 

07-11-20

Op vrijdag is er markt op het dorpsplein in Hoevelaken. Er staat een groentekraam, een loempiakraam, een bloemenkraam, een kipkraam, een broodkraam (al hoor ik bij de Hoevelakers die enkel brood koopt bij de lokale bakker en zonder op te kijken altijd aan deze kraam voorbijloopt), een viskraam en een Turkse delicatessenkraam (de grote, groene olijven en hummus ontbreken op geen enkele Hoevelakense borrel). Ik ging naar de markt, liep een rondje, kocht niets, maar voelde me goed over het feit dat ik toch even buiten was geweest.

Ik ben tijdens het festival gekoppeld aan een Italiaanse vertaler, Francesco Panzeri, en nadat ik de markt had bezocht had ik met hem een gesprek via Zoom. Hij woont in Italië op een plek die ik ieder jaar bezoek, waardoor ik me zijn leven voorstel zoals mijn vakanties zijn. We hadden het over begrippen die soms lastig te vertalen zijn. Het woord bungalow bijvoorbeeld, de letterlijke vertaling komt zo ongeveer neer op het Italiaanse woord voor een hut in de wildernis (waarbij ik deze vertaling uiteraard weer fout kan hebben). De werkelijke bungalow waar ik in woon ligt in een woonwijk waar voornamelijk bejaarden wonen. De enige wildernis die hier te vinden is, is het gras waarvan ik me steeds voorneem het te maaien maar het nooit doe. De vertaling is inmiddels aangepast, geen Italiaan denkt meer dat ik in het buitengebied woon. Ik hoop dat Francesco heeft genoten van de rest van zijn vakantiedag.

Ik probeerde me onder te dompelen in het festival. Ik luisterde de podcast KOFFIEDIK toen er werd aangebeld. De postbode met een pakketje voor de buurvrouw. Ik wist dat ze thuis was en zei dus ook: ‘Ze is gewoon thuis.’ De postbode haalde zijn schouders op en liep weg. Ik pakte de doos op van de grond en liep drie stappen naar mijn buurvrouw.

‘Maar ik ben gewoon thuis,’ zei ze toen ik haar het pakketje overhandigde.

‘Dat zei ik ook,’ zei ik.

Thuis probeerde ik de podcast weer aan te zetten om verder te luisteren toen er wederom werd aangebeld. De andere buurvrouw.

‘Is er voor een pakketje voor mij bezorgd?’ vroeg ze.

‘Nee,’ zei ik, ‘er was wel een pakketje voor de andere buurvouw.’

‘Hm,’ reageerde de andere buurvrouw en keek meewarig in de richting van het desbetreffende huis, ‘weet je zeker dat dat niet mijn pakketje was.’

‘Ja,’ zei ik.

‘Hm,’ zei de buurvrouw en liep zonder verder iets te zeggen richting haar eigen huis. Ze opende de deur en voordat ze naar binnenging keek ze nog een keer om naar het huis van de andere buurvrouw.

In mijn huis zijn er slechts twee plekken waar het draadloze internet sterk genoeg is om een livestream af te spelen. Het is er echter niet continu sterk genoeg, waardoor ik terwijl Iduna Paalman een gedicht voordroeg met mijn laptop naar de andere kant van mijn huis moest lopen om de verbinding weer op gang te krijgen. Bij dichters voel ik altijd een bepaalde jaloezie, omdat zij een taal spreken die ik wel begrijp maar zelf niet machtig ben. Toen ging de bel weer. Door het raam zag ik dat de andere buurvrouw weer voor de deur stond. Ze had het pakketje van de eerste buurvrouw in haar handen, het karton gescheurd. Snel draaide ik me op, hopend dat ze me niet had gezien.

‘Er staat iemand voor de deur,’ riep ik naar mijn man, ‘kun jij even opendoen?’

 

06-11-20

Je hebt schrijvers die ervan houden: aandacht, het podium. Die zelfverzekerd plaatsnemen op een stoel, heldere antwoorden geven, het publiek in durven kijken en een passage kunnen voorlezen zonder een enkele fout te maken. Zo ben ik niet. Ik houd niet van ogen die op mij gericht zijn. Want die ogen zien iets dat ik niet kan zien: mezelf. Die hoofden denken dingen waar ik nooit achter kan komen en omdat ik toch nooit helemaal over de kinderlijke behoefte om door iedereen aardig gevonden te worden ben gegroeid, leef ik altijd met de angst dat die gedachten misschien wel negatief zijn. Erger nog: het kan niet anders dan dat sommigen van die gedachten negatief zijn. Het meest absurde is dat het me daarbij niet gaat om de kritiek op mijn boek of wat ik schrijf. Ik vind oprecht dat iedereen van mijn werk mag vinden wat zij of hij wil, zolang ze me dan ook nog maar een beetje aardig vinden.

Ooit zat ik in het publiek van een televisieprogramma. Ik had voor mezelf al een plekje ergens achteraan uitgezocht, ver weg van de camera’s. Op het moment dat ik er heen wilde lopen, tikte de opnameleider me op mijn schouder en zei: ‘Ga jij maar hier zitten.’ Hij wees een stoel aan die zich vlak achter de gast van het programma bevond, tegenover een grote camera. Ik had natuurlijk gewoonweg kunnen weigeren en vastberaden naar de andere plek kunnen lopen, maar dankzij de behoefte om sympathiek gevonden te worden door de opnameleider nam ik braaf plaats op de gevreesde stoel vooraan. Ik heb niets meegekregen van het programma, ik kon enkel de camera in de gaten houden terwijl ik probeerde om mijn gezicht zo natuurlijk en ontspannen mogelijk te houden. Als ik er maar niet gek uitzag op tv. Het resultaat van deze opnames zag ik een dag later terug: ik ben inderdaad prominent in beeld. En ik zag er behoorlijk gek uit op tv. Het was me duidelijk niet gelukt om naturel over te komen. Als versteend zit ik stijf rechtop terwijl ik met een doodse blik continu de camera in kijk. Het programma duurde een uur en al die tijd ben ik in beeld en al die tijd beweeg ik niet.

Gisteren ging ik met een groep Amsterdamse studenten in gesprek over mijn boek. Zoals die dingen in de huidige werkelijkheid gaan, vond ook deze ontmoeting digitaal plaats. Van tevoren maakte ik mij minder zorgen dan gewoonlijk, de knoop die ik normaal gesproken in mijn maag voel in aanloop naar dergelijke evenementen ontbrak. Want, zo dacht ik, dan zien we elkaar in een overzicht van kleine schermpjes. Ik zou beschermd zijn achter een waas van pixels. De opzet bleek anders: degene die aan het woord was verscheen scherm vullend en kraakhelder. En het werd nog erger, want na vijf minuten bevroor mijn beeld net op het moment dat ik knipperde. De rest van het uur zag ik mezelf alleen nog met mijn ogen dicht en mijn mond open. Ik zat op kilometers afstand van mijn publiek, maar mijn ergste nachtmerrie was werkelijkheid geworden. De studenten leken echter niets door te hebben. Ze bleven slimme vragen stellen, hadden scherpe analyses, waren geïnteresseerd en leken me zelfs ook wel aardig te vinden.

24-09-20

Nog niet zo lang geleden woonde ik in de stad. De Grote Stad. De stad waar de meeste schrijvers worden geboren, ook ik.

Anderhalf jaar geleden ben ik verhuisd. Naar Hoevelaken. Dat ken je waarschijnlijk niet, of, jawel, van het knooppunt, de files. Bij Hoevelaken rechts- of linksaf. Net niet het midden van het land, net niet de Veluwe. We hebben een dorpsplein dat, naar ik vermoed, in de jaren ’70 is ontworpen en waarvan het middelpunt een achthoekig gebouw is. Hierin huist het gemeenteloket van de gemeente Nijkerk (open op dinsdag  09.00-11.30 & donderdag 09.00-11.30), een fysiotherapeut, een kerk, een sportschool en Grand Café/Zalencentrum De Haen.

Niet lang nadat ik was verhuisd bestelde ik bij De Haen een grote fles mineraalwater. De jongen van de bediening keek me even vragend aan en ik zei dat als ze geen grote flessen hadden, dat een klein flesje ook goed was. De jongen zei dat hij het in de keuken moest navragen. Twee minuten later zag ik hem uit de achterdeur verdwijnen en in de richting van de supermarkt rennen (Hoevelaken telt drie supermarkten, waarvan er eentje aan het plein grenst). Nog eens twee minuten laten stond de jongen weer aan mijn tafel met een plastic fles Spa Rood van anderhalve liter dat hij in een wijnkoeler voor me neer zette.

‘Bedankt,’ zei ik.

‘Geen probleem,’ zei de jongen en liep naar het volgende tafeltje.

Een jaar gelden stopte ik met mijn vorige baan. Het was een goede baan, een baan waar ik voor had moeten vechten, voor moest blijven vechten. Waar ik voor bleef vechten, vechten, vechten. Zo hard, dat ik pas te laat besefte dat het een kansloze strijd was, omdat ik nergens meer vóór vocht. Ik vocht enkel nog tegen mezelf.

Ik had een afscheidsborrel met bitterballen en glitters en een playlist die ik zelf had mogen samenstellen.

Negen maanden geleden werd ik moeder.

Zeven maanden geleden ging Nederland in lockdown.

Natuurlijk is het even wennen als je verhuist.

Als je stopt met je baan.

Als je moeder wordt.

Als de hele wereld op slot gaat en weer open en weer op slot en gelukkig toch weer open. Nee, toch niet. Grand café De Haen moet ook weer dicht.

Ik woon in een bungalow, ontworpen door een architect die ook delen van de Efteling schijnt te hebben bedacht. We hebben een plat dak, een grote tuin en een uitkijktoren waar mijn werkkamer zich bevind. De toren doet denken aan een stuurhut, met z’n houten balken en ramen aan weerszijden. Het is er altijd te warm of te koud. De lichten doen het niet en er ligt oud grijs tapijt. Maar dit luchtschip heeft mijn blik veranderd. Vanaf hier bekijk ik nu al maanden de wereld die, ondanks de lockdown, geruststellend weinig verandert. Waar de stilte in De Grote Stad inmiddels oorverdovend moet zijn, is de stilte van Hoevelaken precies de stilte zoals die al jaren klinkt.

Het is even wennen, maar ik weet inmiddels, verandering is vaak goed. Voor je het weet staat er geen klein flesje, maar anderhalve liter water op tafel. Dus kom maar op. Over een paar dagen vertrekt dit luchtschip naar Den Haag.