Sebastiaan Chabot
Kerkhofgieter
06-11-2020

De twee vriendinnen die onder het afdakje van Jos’ viskraam hadden staan wachten op hun kibbeling, werkten de hete proppen vis mechanisch naar binnen. Zij wisten dat de vis te heet was om gegeten te worden, maar hun gehemelte en tong waren met de jaren verdoofd en zij waren niet van plan tijd in welke vorm dan ook, te verspillen.

Zij waren al een halve eeuw vriendinnen, Grant en Marjet, en zij spraken elke donderdagmiddag af in het Kurhaus hotel te Scheveningen. Grant was Amerikaanse, en Marjet was trots dat zij als enige van haar Leidse vriendinnen een vriendin uit Amerika had. Vijftig jaar geleden was Grant ten dans gevraagd in de balzaal van het Kurhaus door de dienstdoende luitenant-ter-zee der 1e klasse, en de volgende ochtend had zij het gevoel gehad dat ze nog danste, alsof ze op zee verbleef.

Een paar jaar later was haar luitenant blijven liggen op de bodem van een zee waarvan ze de naam niet eens kon uitspreken, en die dag werd zij een Scheveningse; zij bezocht elke zondag zijn lege graf en wachtte de rest van de week op zijn thuiskomen.

Marjets moeder lag naast het lege graf van de luitenant, en toen Marjet de kerkhofgieter aan Grant overhandigde, waren zij vriendinnen geworden en gebleven.

Zoals elke donderdag hadden ze rond 13 uur afgesproken om bij Jos voor een eerlijk bedrag te lunchen, alvorens de traptreden naar het Kurhaus op te lopen voor hun middagglas Sauvignon Blanc. De komende maanden zou het niet mogelijk zijn af te spreken in het Kurhaus, en dus hadden ze besloten een nachtje in het hotel te blijven slapen zodat ze nog een keer konden bijpraten en proosten op een leven dat er bijna op zat. Toen zij het terras op liepen, hun hoofden met daaromheen de strakke doorschijnende capuchons gebogen tegen de regen, passeerden ze zonder het te zien de oude, kale man die in de regen zat en naar de zee staarde. Hij staarde zo ver dat, ware de zee plat geweest, zijn blik van de wereld zou zijn gevallen. Ook hij had hier ooit gedanst, toen het Kurhaus zelf nog danste.

Naast de oude, kale man verplaatste een bediende een groot zwart beeld van een zeemeermin, tot hij dacht dat de zeemeermin precies in het midden van het terras stond.

Grant en Marjet hielden ervan om aan zee, achter een langwerpig raam, witte wijn te drinken en te praten over lang vervlogen tijden, totdat de zee in hun ogen waste. Marjet vertelde hoe ze als kind in de draaimolen had gezeten; Grant verhaalde over de vleugel in de balzaal en de eeuwige dans. Gedichten van in vergetelheid rakende levens. Of zoals de Britse schrijver Paul Mendez dinsdagavond op het Crossing Border Festival zei: ‘Ik heb de verhalen uit mijn jeugd herschreven en herschreven, om mezelf eraan te blijven herinneren wie ik ben en dat ik heb bestaan.’

Nog één keer zeiden Grant en Marjet hun leven hardop. Ze spraken van hun jonge jaren, toen hun haren nog lang waren en de Scheveningse wind er in verstrikt kon raken.

‘Enfin,’ zei Grant.

‘Nou, we zijn er weer, hoor,’ vond ook Marjet. ‘Wat is het toch heerlijk om van buiten te komen als je altijd binnen zit.’

 

Sebastiaan Chabot
16-11-20

Toen ik terugfietste van het Crossing Border Festival naar het Kurhaus en naar Grant en Marjet, zag ik dat het onweer dat boven zee had gehangen tot inkeer was gekomen.

Op de boulevard van Scheveningen jogde een man van middelbare leeftijd. Vlak voor het houten hokje van God hield hij zijn pas in, om pas na het hok het tempo weer op te schroeven.

Een busje van het Scheveningse familiebedrijf Rip b.v. stopte voor strandtent De Golfslag. Althans, wat er nog van over was: houten vlonders en staande schotten waar de ramen uitgehaald waren. De rest van de strandtent lag al in containers opgeslagen en zou morgenochtend vroeg met een grote hijskraan worden opgehaald, om pas in maart te worden teruggebracht, als de strandtenten weer opgebouwd zouden worden.

Rip b.v. specialiseerde zich in graaf- en sloopwerk, en er was werk aan de winkel. Twee leden van de familie Rip met schouders die uit het havengebied kwamen, begonnen de vlonders in hun wagen te laden. Vader Rip rookte een sigaret en gaf aanwijzingen. De laatste restjes zomer werden vakkundig weggewerkt; dat kon je met een gerust hart aan Rip b.v. overlaten.

In de Waves-bar van het Kurhaus dronken Grant en Marjet een laatste glas witte wijn. In de lobby van het hotel stonden hun koffers gereed voor vertrek.

‘Vorig jaar rond deze tijd hadden we een villa gehuurd in Portugal,’ zei Grant.

‘Wat leuk,’ vond Marjet.

‘Ja, nee, wacht nou even.’

‘Ja?’

‘Had ik extra betaald voor een eenpersoonskamer, want ik kan niet naast iemand liggen sinds Leo dood is, en wat denk je, was het eenpersoonsbed een uitklapbank in de keuken, en je moest door de keuken om bij de wc en de douche te komen. Vijf personen, één badkamer, één wc. En Kees lag al in die andere eenpersoonskamer. Dat doe ik dus nooit meer.’

‘Wat een schande.’

‘Ze dekten wel de tafel.’

‘O, lekker zeg.’

‘Ach, heerlijk. We konden zo aanschuiven.’

‘Waarom gaf Kees die kamer dan niet aan jou?’

‘Weet ik niet. Hij was er een dag eerder, en hij stond de kamer niet af.’

‘Ach ja, zo ken je de mensen weer, hè.’

‘Zo ken je de mensen.’

Een tachtigjarige man in driedelig pak liep ondersteund door zijn vrouw naar de statafel waar het desinfectiemiddel stond. Zijn vrouw druppelde de alcohol op zijn handen en zorgde ervoor dat het ook schoon werd tussen de vingers van haar man.

Toen zij aan een tafeltje bij het raam zaten, kwam de barman op hen afgelopen.

‘Kan ik iets voor u inschenken?’

‘Niemand houdt van mij!’ riep de man met trillende onderlip uit.

‘Ach, dat valt wel mee,’ zei zijn vrouw rustig, die duidelijk vaker met de uitroepen van haar man te stellen had.

‘En jij zeker niet!’

‘Koffie, meneer?’ probeerde de barman.

‘Hij wel,’ antwoordde de vrouw zonder van haar menukaart op te kijken. ‘En voor mij een stuk appeltaart met slagroom. Hij is toch wel een beetje zuur, hè, de appeltaart? Anders hoeft het van mij niet.’

Grant en Marjet, die een paar tafeltjes verderop zaten, hadden de binnenkomst van de nieuwe oude mensen nauwlettend in de gaten gehouden. ‘Weet je,’ zei Grant. ‘Als je het mij vraagt krijgen al die jonge mensen allemaal vroeg oude handen van dat spul. Wij hebben al oude handen, dat scheelt. Maar die jongelui.’

Marjet keek even naar haar gekreukelde handen.

‘Als ik die twee daar zo zie schuifelen, hè,’ fluisterde Grant nu. ‘Dan ben ik zo bang… Ik ben zo bang dat ik net zo word als zij. Zo grijs en oud en dicht bij de laatste duidelijkheid van de dood.’

‘Ach,’ zei Marjet. ‘Mocht die tijd komen, moet je gewoon dromen ooit geleefd te hebben, en de onwaarschijnlijkheid daarvan.’

09-11-20

Even moest ik denken aan de woorden van zangeres Keeley Forsyth, ‘My love, I think it’s raining.’ Toen was het tijd om Grant en Marjet en het Kurhaus te verlaten en de regen in te gaan: een volgende Crossing Borderavond wachtte. Donderdagavond was het de beurt aan de Schotse dichter Robin Robertson.

Dichter Robertson schreef een eerste roman over D-Day-veteraan Walker. Na de oorlog probeert Walker zichzelf in grote Amerikaanse steden als New York en San Francisco te demonteren, om zichzelf daarna schroefje voor schroefje weer in elkaar te kunnen zetten. Walker komt er echter achter dat hij zichzelf al definitief opgeheven heeft. Robertson: ‘He only found out there is a way to lose and a way to lose more slowly.’ In het proza van de Schotse dichter zit nog altijd een poëtisch verlangen.

Waarom heet hij eigenlijk Walker? vroeg interviewer Hans Bouman.

‘Because Walker walks, it’s in his name and nature,’ aldus de Schotse dichter.

Soms, als je gedachten overzees in onstuimig weer verkeren, kan zoveel helderheid opluchten.

Vrijdagavond opende Crossing Border met een podium voor leerlingen uit het voortgezet onderwijs. Op het podium verscheen de dertienjarige Dia. Voordat zij kon beginnen moest Dia de microfoon naar beneden trekken. Ik zag dat ze achter de lessenaar alsnog op haar tenen stond. Dia had een gedicht geschreven; ze kon zich geen dag herinneren dat haar ouders niet gescheiden waren. Omdat ze niet thuis kon blijven wonen, verhuisde ze van tante naar tante tot de tantes op waren. Toen kwam ze in ‘de opvang’ terecht. De dertienjarige Dia sloot haar gedicht af met de volgende regel: ‘Ik heb dit leven niet gemist.’ De toekomst van Crossing Border is in goede handen.

CNN sprak later die avond van historical poetry: ‘Trump’s presidency might end with a first female Vice President of color.’

Robin Robertson, de dertienjarige Dia, Kamala Harris. Alle drie op hun eigen manier: debutant.

Vroeger namen mijn ouders mij geregeld mee naar Scheveningen voor een stranddag. Mijn moeder zei dan: ‘Denk erom, je mag tot je enkels de zee in, en geen centimeter verder, begrepen?’ Ik keek papa vragend aan. Nou, gebaarde hij, tot je knieën dan.

Dat ging een tijdje goed, tot het niet meer goed ging.

Toen ze even niet opletten zette ik mezelf af. Ik sprong vooruit, en was voor het eerst tot voorbij mijn knieën in de zee. Direct voelde ik een gulzigheid, een ziedende kracht en een bereidheid tot geweld; ik zou maar een klein slokje voor de zee zijn.

Zo voelt debuteren: voor het eerst tot voorbij je knieën de zee in gaan.

07-11-20

Grant bestelde nog twee glazen witte wijn; Marjet dronk vlug haar glas leeg voordat de nieuwe glazen op tafel werden gezet.

‘Het is binnenkort weer z’n sterfdag,’ zei Grant.

‘Van Leo? Nu alweer? Mijn god wat gaat de tijd toch hard, de laatste tijd.’

‘Hij heeft me nooit begrepen, Leo.’

‘Misschien dat het daarom werkte.’

‘Wat je zegt, ja.’

‘Alstublieft, dames.’ De barman zette bedachtzaam twee nieuwe glazen Sauvignon neer. Hij droeg plastic handschoenen en zijn brede glimlach ging schuil achter een mondkapje.

‘We krijgen geeneens een nootje,’ zei Grant.

‘Ik zou wel een zoutje lusten,’ beaamde Marjet.

‘En de zee ziet er ook niet uit.’

‘Moet je kijken, die cocktails die daar gaan, ik ben blij dat ik ze niet besteld heb.’

‘Zien er niet uit.’

‘Wel leuke lampen.’

‘Nou, welterusten schat.’

‘Je bedoelt proost.’

‘Ach ja, proost, welterusten, één pot nat.’

Grant nam een slok zo groot als een zeemansgraf; Marjet gooide gewillig haar reserves overboord maar moest drie keer slikken om haar Amerikaanse vriendin bij te houden.

‘Wat een donkere lucht, hè?’

‘Dan zie je de pier niet zo goed.’

‘Maar die vind ik ook zo lelijk.’

‘Zo is-ie wel mooi, in de mist.’

‘Zijn dit nou twee muziekstukken door elkaar?’

‘Nee, volgens mij is het jazz.’

‘Nou ik hoor piano en dan weer wat anders. Ik bedoel, geef die pianist wat te drinken.’

‘Ja, speelt-ie eens wat anders.’

‘Of houdt hij helemaal op.’

‘Je had hier vroeger ook nieuwjaarsconcerten met jazz, waar we heengingen.’

‘Ja, toen.’

‘Nu ga ik ’s avonds niet meer weg.’

‘Dat heb ik steeds vaker, om drie uur. Dan doe ik de deur vast op slot.’

‘Nou ja, het is gebeurd.’

‘Het is gebeurd, net zoals wij.’

‘Nog even.’

‘Hoe is het nou met Evert?’

‘Niemand die het weet.’

‘En Wien? ik hoor helemaal niks meer van haar.’

‘Het is een beetje een treurwilg.’

‘Als ik haar niet bel, spreken we elkaar nooit.’

‘Er is weinig van over, van Wien. En ze loopt zo moeilijk, hè.’

‘Het is bepaald geen dollebek, nee.’

‘Maar ze kon zo lachen.’

‘Ja, maar ik heb me altijd afgevraagd of het echt was, of het oprecht was.’

‘Zaterdag hebben we afgesproken, maar ja, het kan zomaar zijn dat ze afzegt.’

‘Ja joh, kan jou het schelen, bel je mij toch?’

‘Jij belt ook nooit.’

‘Toch zitten we hier.’

‘Ja, heerlijk hè.’

‘Ach man, zalig.’

06-11-20

De twee vriendinnen die onder het afdakje van Jos’ viskraam hadden staan wachten op hun kibbeling, werkten de hete proppen vis mechanisch naar binnen. Zij wisten dat de vis te heet was om gegeten te worden, maar hun gehemelte en tong waren met de jaren verdoofd en zij waren niet van plan tijd in welke vorm dan ook, te verspillen.

Zij waren al een halve eeuw vriendinnen, Grant en Marjet, en zij spraken elke donderdagmiddag af in het Kurhaus hotel te Scheveningen. Grant was Amerikaanse, en Marjet was trots dat zij als enige van haar Leidse vriendinnen een vriendin uit Amerika had. Vijftig jaar geleden was Grant ten dans gevraagd in de balzaal van het Kurhaus door de dienstdoende luitenant-ter-zee der 1e klasse, en de volgende ochtend had zij het gevoel gehad dat ze nog danste, alsof ze op zee verbleef.

Een paar jaar later was haar luitenant blijven liggen op de bodem van een zee waarvan ze de naam niet eens kon uitspreken, en die dag werd zij een Scheveningse; zij bezocht elke zondag zijn lege graf en wachtte de rest van de week op zijn thuiskomen.

Marjets moeder lag naast het lege graf van de luitenant, en toen Marjet de kerkhofgieter aan Grant overhandigde, waren zij vriendinnen geworden en gebleven.

Zoals elke donderdag hadden ze rond 13 uur afgesproken om bij Jos voor een eerlijk bedrag te lunchen, alvorens de traptreden naar het Kurhaus op te lopen voor hun middagglas Sauvignon Blanc. De komende maanden zou het niet mogelijk zijn af te spreken in het Kurhaus, en dus hadden ze besloten een nachtje in het hotel te blijven slapen zodat ze nog een keer konden bijpraten en proosten op een leven dat er bijna op zat. Toen zij het terras op liepen, hun hoofden met daaromheen de strakke doorschijnende capuchons gebogen tegen de regen, passeerden ze zonder het te zien de oude, kale man die in de regen zat en naar de zee staarde. Hij staarde zo ver dat, ware de zee plat geweest, zijn blik van de wereld zou zijn gevallen. Ook hij had hier ooit gedanst, toen het Kurhaus zelf nog danste.

Naast de oude, kale man verplaatste een bediende een groot zwart beeld van een zeemeermin, tot hij dacht dat de zeemeermin precies in het midden van het terras stond.

Grant en Marjet hielden ervan om aan zee, achter een langwerpig raam, witte wijn te drinken en te praten over lang vervlogen tijden, totdat de zee in hun ogen waste. Marjet vertelde hoe ze als kind in de draaimolen had gezeten; Grant verhaalde over de vleugel in de balzaal en de eeuwige dans. Gedichten van in vergetelheid rakende levens. Of zoals de Britse schrijver Paul Mendez dinsdagavond op het Crossing Border Festival zei: ‘Ik heb de verhalen uit mijn jeugd herschreven en herschreven, om mezelf eraan te blijven herinneren wie ik ben en dat ik heb bestaan.’

Nog één keer zeiden Grant en Marjet hun leven hardop. Ze spraken van hun jonge jaren, toen hun haren nog lang waren en de Scheveningse wind er in verstrikt kon raken.

‘Enfin,’ zei Grant.

‘Nou, we zijn er weer, hoor,’ vond ook Marjet. ‘Wat is het toch heerlijk om van buiten te komen als je altijd binnen zit.’

 

24-09-20

Op de boulevard van Scheveningen staat een hok dat volledig uit hout bestaat en waarbinnen het Woord van God wordt verkondigd. Je kan er bijbels kopen, en samenvattingen van de Bijbel. Bij heldere hemel opent een man in een roze bodywarmer om acht uur ’s ochtends met een grote roestige sleutel de deur van het hok. Bij slecht weer is hij er tussen tien en elf. Zijn roze bodywarmer heeft hij altijd aan, ongeacht het seizoen. Vanochtend opende hij om half elf. In de ruit brandt het woord ‘OPEN’. Achter het hokje van God begint het strand, daarna de zee. Boven zee hangt een onweer dat geen haast heeft aan land te komen.

Op het strand worden de strandtenten afgebroken en de strandbedjes opgestapeld en in grote containers opgeborgen. Het seizoen van strandtent El Niño was een slechte, en ook De Golfslag heeft betere tijden gekend. Een blonde jongen onder een paraplu probeert vergeefs de vuren van beachclub Zanzibar te doven.

Op het buitenterras van het Kurhaus hotel is een man in de regen aan het dweilen. Hij gooit grote emmers kokend water uit over de terrastegels, waarna hij de watermassa van het terras en de trappen af de boulevard op trekt. Zijn water verdwijnt vlak voor het houten hok van God in een put.

Naast het Woord van God staat een draaimolen. De draaimolen is ingepakt en zal pas als de lente op gang komt weer gaan draaien. Naast de ingepakte draaimolen staat een viskraam waar je kibbeling en haring kunt halen. Jos is eigenaar van de viskraam en bedient de frituur. Naast mij staan twee vrouwen die al een halve eeuw vriendinnen zijn, te wachten op twee porties kibbeling. Ze hebben doorschijnende poncho’s over hun jassen aangetrokken en hun capuchons zitten strak om hun hoofden gebonden.

Een man stopt bij de kraam, maar blijft op zijn fiets zitten. ‘Hoe is het verder, Jos?’

‘Hé, Arie. Nou ja, zo zo, hè.’

‘Ja?’

‘Zondag heb ik echt helemaal niks gedaan. Maandag was ik laat wakker.’ Een zware hoest maakt zich van Jos meester, terwijl hij een mandje kibbeling in het vet laat zakken. Een hoest die van zee komt, niet van land. ‘O-o-o-o-o.’

‘Nu weer dinsdag, hè?’

‘Ja, ja.’

‘En verder?’

‘Ja, rustig. Maar gelukkig is het geen zomer meer. Deze stilte is normaal voor de tijd van het jaar, dat is me al heel wat waard.’

Even verderop horen we de man in roze bodywarmer tegen de wind en de regen in roepen dat er ook een andere weg is.

De twee vrouwen kijken bezorgd onder het afdakje van de viskraam vandaan naar boven, naar de donkere wolken en de onophoudelijke regen.

‘Wordt hem niet meer vandaag, hè?’

‘Weer niet.’