Mijn verkoudheid gaat zo langzamerhand over, dankzij Jessa en die vreemde doorzichtige capsules die ze me gegeven heeft.
Gisteren heb ik het grootste deel van de dag in bed doorgebracht en de artikelen van de andere schrijvers gelezen. Ik was onder de indruk van de verschillen: Yan’s spontane humor; Marek’s aanleg voor culturele en historische analyse; Kaweh’s fascinerende narratieve spelletjes en de ingewikkelde relaties tussen hemzelf en de personages waarover hij schrijft.
Ten slotte, rond vijven, besloot ik m’n kamer te verlaten om te gaan lunchen en een korte wandeling te maken voordat mijn lezing begon. Al bij het eerste vleugje koude lucht op mijn gezicht moest ik hard niezen.
Bah, niet weer.
Ik dacht dat ik een tijdreis gemaakt had, of dat mijn koorts weer terug was – wat ik zag konden alleen maar hallucinaties zijn. Op straat was een enorme optocht: honderden mensen met felgekleurde kleren uit vroeger tijden. De meesten hadden om de een of andere reden gouden oorbellen in hun rechteroor. Ze liepen langs en werden toegejuicht door de toeschouwers.
Er was muziek en allerlei vreemde dieren, waaronder een kruising tussen een ezel en een geit. De paarden waren kleiner en dikker dan ik gewend ben. Midden tussen dit alles reed een stoomauto voorbij.
Het was de intocht van Sinterklaas.
Ik deed hetzelfde als iedereen om me heen: ik haalde mijn mobieltje uit m’n zak en maakte foto’s, terwijl ik glimlachte, en snoepjes en cadeautjes van de zwarte slaven kreeg. Dat is toch hoe interactie met de ander, en het leren kennen van andere culturen en beschavingen werkt?
Moet je, voor interactie met de ander, echt eerst iets vreemd vinden, dan een poging om het te begrijpen voorwenden, en het vervolgens imiteren?
Het snoep dat ik kreeg, vond ik niet lekker – het smaakte naar kaneel – en ik voelde me ongemakkelijk bij het zien van honderden zwartgeschminkte mensen in een land met een lange geschiedenis van handel in Afrikaanse slaven.
Ik had ergens al gelezen dat rondom dit feest elk jaar een controverse ontstaat. Daar bleef ik aan denken, het onderwerp spookte door mijn hoofd terwijl ik de trappen naar de Koninklijke Schouwburg op klom, op weg naar de bovenste verdieping, naar het paradijs…of de Paradijszaal.
Het overschrijden van grenzen betekent helemaal niet dat je het eens bent met alles wat je vindt, of dat je alles tolereert – net zoals je nooit helemaal tevreden en in perfecte harmonie bent met de plaats waar je vandaan komt. Soms is kritisch zijn, dieper kijken naar wat onder de oppervlakte ligt, de manier om een andere grens die binnenin je ligt te overschrijden – de grenzen van je noties van de wereld en je begrip daarvan, verder gaan dan bestaande beelden van die wereld.
Toen ik de Paradijszaal inliep, werd Kaweh Modiri’s film vertoond op een klein scherm. De film vertelt het verhaal van een schrijver die in Amsterdam woont en die – alsof hij een huurmoordenaar is – een onruststoker volgt die zijn laptop gestolen heeft. Modiri’s film, met zijn complexe plot en het spel van de personages in een absurdistisch doolhof in de straten van Amsterdam, lag me nader aan het hart. Ik zag in de film een ingewikkelder en stimulerender beeld dan het beeld dat naar voren komt op festivals en in reisgidsen.
Bij mijn vertrek uit het hotel in Den Haag, wierp ik een blik op de ansichtkaarten voor toeristen, want ik heb al een tijdlang de gewoonte die te verzamelen in elk land waar ik kom. Er waren foto’s van windmolens en groene weiden, landschappen en standbeelden van historische figuren. Geen van de kaarten sprak me aan en ik kocht er uiteindelijk geen. Ik wou dat ik in plaats daarvan een foto kon vinden van Ome Omar, de hoofdpersoon van Modiri’s film. Misschien zou die voor mij Nederland beter vertegenwoordigen.