Het vliegveld voor de derde keer! Wie had kunnen denken dat één vliegveld zo veel prikkels kon bieden. Amsterdam. Terug naar de realiteit. Vandaag is het of al die onbekende gezichten waar ik eerder over schreef, mij niet aangaan. Ze zijn er wel, maar ik zie ze niet. Ze lopen langs, sjouwen met hun koffers, maken een dutje, hun hoofd tegen een ander hoofd geleund. Maar vandaag slechts schaduwen, vlekken, vormeloze voorwerpen. Ik zie de vliegtuigen opstijgen, hun neuzen breken door de lucht, de staarten raken bij het loskomen bijna de betonnen baan. De baan glimt van de regen, in de plassen het onderstel van de gele voertuigen beladen met bagage. Herrie, vertrekken, aankomsten, verplaatsingen. En ik zit in gedachten nog altijd ergens in Antwerpen, met korte flashbacks naar Den Haag.
Jaromír sms’t vanaf het centraal station in Antwerpen, hij is nog daar. We zijn nu in de prachtigste spoorwegkathedraal… het station… Als het ware een voortzetting van ons gesprek dat eigenlijk nog maar net, een paar uur geleden, was onderbroken door twee uur slaap.
Nog maar net had DBC Pierre naast het theater een non-stop-smoking bar ontdekt. Naar het schijnt de enige in Antwerpen, het zou zonde zijn die niet te bezoeken, nu die zo dichtbij was. Het zou zonde zijn om uit elkaar te gaan, nu we het zo goed met elkaar konden vinden. We zijn moe na vier dagen leven en werken op het festival, we halen talen door elkaar, de moedertaal vloeit samen met de aangeleerde taal. Alle grammaticale fouten en onnauwkeurigheden lossen op in het sterke trappistenbier. En het wemelt ervan. Tegen Didi zeg ik iets in het Engels, tegen Taco in het Slowaaks, maar geen van beiden merkt het en geeft me gewoon antwoord. Didi in het Nederlands, Taco in het Portugees. Denis, wiens moedertaal dezelfde is als die van mij, zegt iets tegen me in een vreemde taal, maar dat geeft niet, ik versta het wel, want ik wil het verstaan. Didi begint in het Tsjechisch. Ook Rudiš zou in het Tsjechisch kunnen spreken, maar die zit in zijn Duitse Engels tegen Ben Katchor aan te praten die constant een diep bedroefde uitdrukking op z’n gezicht heeft. Hij schenkt ons een korte, welwillende glimlach. Het geluid van gebroken glas in scherven op de grond, gelach, vermoeidheid, gelach. Why not? vraagt DBC Pierre. Gegiechel. Why not? Het lijkt of ik alle talen van de wereld begrijp, maar ook de geluiden die komen en gaan, alles en iedereen. Ik wil alle boeken lezen, van iedereen die hier is. Precies ontdekken wie wie is. Ik zal verbaasd zijn als ik het echt ontdek, zeer verbaasd. Voor complimenten is het dan te laat. Ik wil de kathedraal van Antwerpen gaan bekijken, het stenen plein zonder toeristen, vijf uur ’s ochtends, maar niemand wil met me mee.
Een dame in polkadotjurk zegt dat ze de man, die de tekst schreef van het liedje waarvan ik de ochtend daarvoor in mijn hotelkamer in Den Haag gedroomd had, zou laten weten dat het me zo ontzettend dierbaar geworden was. Ik val om van verbazing, zo klein kan de wereld toch niet zijn, zo’n toeval bestaat niet, ze kan hem toch niet kennen! Ik kom toch uit Manchester, zegt de dame rustig. Alle wegen van de wereld leiden naar Manchester, ook de rails van de hijskraan in Den Haag. De eenzaamheid van de kraanmachinist kan ons op dat moment echter niet opslokken, want wij zijn al lang opgeslokt door het Babylon van de talen.
Wij ook vliegveld met kater. De rustelozen.
Jaromír sms’t vanaf het vliegveld. Jaromír vliegt met Rudiš via Brussel naar Praag, Denis naar Parijs, Tatiana vliegt naar Portugal, Didi naar Leiden, Daphne met de trein naar Rotterdam, Sam haalt hopelijk het vliegtuig naar Londen, Patrick naar Canada, de dame uit Manchester naar Manchester. DBC Pierre is overal thuis waar een bar is, voor hem is het dus vrij makkelijk.
Het vliegveld. De rustelozen.
Het melancholische gevoel is ongewoon lang en diep.