Ik schrijf mijn boeken in de Franse taal. Maar nooit, nooit, heb ik gevoeld dat die taal de mijne is. Hij behoort me niet toe. Ik ‘beheers’ hem niet. Hij komt niet natuurlijk, als vanzelf, in me op (en uit me). Ik spreek hem, schrijf hem, iedere dag in Parijs waar ik sinds tien jaar woon. Anderen zeggen dat ik een goed niveau heb. Ze prijzen me. Ik word er niet door geraakt. In mijn hoofd is het moeilijker, onduidelijker.
Ik huiver ten aanzien van de Franse taal. Sinds het begin, sinds de kindertijd, in Marokko, naakt, arm, niets te eten, geweld op dagelijkse basis, opgesloten in een lotsbestemming die de mijne niet was, die ik dubbel verloochende door mijn homoseksualiteit. Nee, het Frans, de koloniale, kille, intellectuele, mooie taal, is voorbehouden (nu nog steeds) aan de rijken van mijn eerste land. Lang geleden hebben ze me mijn ondergeschiktheid in die taal overduidelijk gemaakt. Mijn eeuwige vernedering. Ik kreeg er duizelingen van. En vreselijke complexen: steeds als ik begin te schrijven, duiken ze weer op. Steeds als ik schrijf, huiver ik van binnen, diep van binnen, daar waar ik mezelf niet ken. Maar toch blijf ik schrijven. Schrijven terwijl ik niet op mijn plek ben, triest, verliefd zonder te weten waarom, in strijd. Altijd in strijd. Schrijven, autobiografisch, vanuit mezelf. Mezelf, mijn ‘ik’. Ik, alleen, in paniek en dan in extase. Ik in de mensengekte, stil, hoorbaar. Ik naar de mensen toe, in mijn gekte, met mijn moeder en haar dictatuur waar ik niets aan kan doen.
Ik schrijf in het Frans. Het doet me pijn. Het geeft me afstand: ben ik dit nog wel? Ik gebruik segmenten van mijn leven, mijn levens, in Marokko, in Parijs. Ik reconstrueer ze, geef ze een nieuwe vorm. En ik hoop (biddend) dit: veranderen.
Ik schrijf in het Frans met een Arabische inslag die in mij zit. Ik schrijf Arabisch Frans. De taal en cultuur van Marokko. Dat wat ik heb meegekregen. Wat ik zonder het te weten, zonder het te willen, heb geleerd. Ik ben mijn eigen vertaler. Bewust en onbewust. Ik ben in overschrijding: ik geef me over, naakt, seksueel, ruw, teder zelfs tegen mijn wil, een kleine Marokkaanse Jean Genet. Steeds weer in de chaos. Die van de talen. Twee vijandige talen. De een niet voor mij, de ander heilig, te heilig. Iedere keer vertolk ik mijn leven opnieuw. Ik speel met mijn leven. Ik ben in de Toren van Babel tijdens diens val. Ik ben er ondersteboven van, letterlijk. Stomverbaasd. Verbouwereerd.
Schrijven helpt me niet om te leven, noch om mijn complexen te overwinnen, noch om van mijn neuroses af te komen. Schrijven betekent voor mij waarnemen hoe veelzijdig ik ben. Ambivalent. Bezeten. Overwonnen. Laatste mens. Eerste mens. In het bloed.
Met die instelling kom ik naar Crossing Border. Aan de slag met die denkbeelden in een andere taal. Onder invloed van andere ervaringen. Me overgeven aan een andere vertaler (vertaalster) dan ikzelf, een andere ‘overschrijder’. Die bij me binnen zien komen. Ik ben op voorhand gegrepen. Klaar om me te laten verslinden. Om mijn weg door de chaos voort te zetten. In volledige naaktheid. Ik ben niet bang om kou te vatten.