…ja natuurlijk is ‘betekenisverlies’ het eerste woord dat zich opdringt. Maar dat
impliceert een juiste richting, een waarachtig noorden, zolang ik maar de goede
kant op kijk. Het volgende woord is ‘relikwie’, op de voet gevolgd door ‘heilige’, en
daar zit ik helemaal niet op te wachten. Toch is het hier, het ongenode beeld, van de
eeuwenoude Cuthbert, vanuit Lindisfarne meegevoerd naar Durham, mogelijk via
de Asda-supermarkt in Chester-le-Street, mogelijk in een winkelwagentje. Cuthberts
koerier-monniken berichtten dat het lichaam, ondanks de ouderdom en de zware
reis door Northumbria, nog altijd zuiver en onbezoedeld was. Een vertaling zonder
verlies. Een absolute betekenis. O, de wonderbaarlijke onmogelijkheid ervan!
Onlangs zag ik een film van Richard Pryor ‘Live in New Orleans’ op tv. Hij vertelde
van een bezoek aan Zimbabwe, waar een plaatselijke bewoner aan hem en zijn
vrienden had gevraagd: ‘Welke taal spreken jullie thuis?’ ‘Engels,’ zeiden ze. ‘Ja, ja,’
zei de ander, ‘iedereen spreekt Engels. Maar welke taal spreken jullie thuis?’ De
Amerikanen wisten zich geen raad, tot een van Pryors vrienden antwoordde: ‘Nou,
je zou kunnen zeggen dat ik “jive” spreek.’ Laat me dus bekennen dat ik van de zes
talen van mijn ouders – Turks, Grieks, Tagalog, Cebuano, Spaans, Engels – alleen
de laatste vloeiend spreek. Maar laat me ook aanspraak maken op talige diversiteit,
want ik beheers het Engels in vele verschillende vormen.
Het pleegt het gesprek te laten stokken. Het gaat als volgt. ‘Crista.’ (Alleen Crista.
Vertaling: ze kunnen mijn achternaam niet uitspreken.) ‘Dat is een ongewone
naam. Waar komt hij vandaan?’ (Vertaling: Oké, niemand vraagt tegenwoordig
waar iemand vandaan komt, maar je bent niet werkelijk Engels/Brits, of wel? Vertel
me wat je eigenlijk bent.) Dus ik vertel ze dat de naam Grieks is, of mogelijk Duits.
Ze kijken verward. Ik beken dat ik niet Grieks of Duits ben. Er valt een stilte, totdat
ze vragen wat voor soort wezen ik dan wel ben (‘Wat is je achtergrond?’ of ‘Waar
komen je ouders vandaan?’). Als ze al te zeer in verlegenheid zijn gebracht of als de
stilte al te lang duurt, kom ik uit mezelf met de benodigde informatie. ‘Filippijns!
Turks!’ (Vertaling: er is niet zo iets als een Turkse Cyprioot.) ‘Wat exotisch/
fascinerend/ongewoon!’ Het teken voor een geïnteresseerde blik op het gezicht van
de spreker. ‘En welke taal spraken jullie thuis?’ ‘Engels.’ ‘Ja, ja. Iedereen spreekt
Engels. Maar welke taal spraken jullie thuis?’ Ik stamel dat het de enige taal was
die mijn ouders gemeenschappelijk hadden. ‘O! Natuurlijk,’ zeggen ze. (Vertaling:
ik moet wel een idioot zijn dat ik niet vijf andere talen spreek.) En het geeft
me af en toe ook wel het gevoel dat ik de boel bedonder; niet alleen ben ik geen
authentieke Brit, ik ben evenmin een authentiek lid van een andere etnische groep.
Het is alsof de monniken Cuthberts kist openden en moesten toegeven, ja, hij was
inderdaad wel een beetje begonnen te meuren.
Ik ken een paar woorden in het Tagalog en het Turks maar die fungeren als
synoniemen, een paar extra woorden in de thesaurus. Mooi is maganda is guzel.
Door een vreemd toeval ken ik één enkel woord in het Nederlands: Walloon. Ik
weet echter niet hoe je dit precies zou moeten vertalen en of het een neutrale of
geringschattende term is. Wellicht is het extreem beledigend en proest de vertaler
momenteel koffie over het computerscherm. Wellicht is het volstrekt alledaags.
Maar ik ben zo Engels dat ik alleen maar kan denken aan de overeenkomst met
‘wealhas’, het Angelsaksische woord waar Wales aan is ontleend en dat, simpelweg,
vreemdeling betekent.
Nawoord
Krijn Peter, de vertaler, laat me per e-mail weten dat Walloon helemaal geen
Nederlands is. ‘Het is een vreemde gewaarwording,’ zegt hij, ‘hoewel zonder meer
intrigerend, om als Nederlandse lezer geconfronteerd te worden met een woord
dat volgens de auteur Nederlands is, maar dat je niet, of niet echt, als zodanig
herkent.’ Hij wijst echter op een vergelijkbaar woord – Wallonië – dat refereert aan
Franstalig België. Volgens zijn woordenboek zou het woord voor een inwoner van
Wallonië – Waal – teruggaan op de Oud-Engelse term ‘wielisc’, dat zoveel betekent
als vreemd, buitenlands… en Welsh.
Met een nogal dom gevoel zoek ik snel de plek op waar ik mijn ene Nederlandse
woord was tegengekomen – een Engelstalige autobiografie van een Filippijns-
Nederlandse schrijver – en zie dat het woord eigenlijk ‘allochtoon’ was. Een vreemde
route heeft mij vandaar naar de Belgen geleid: allochtoon = buitenlander = wealhas/
wielisc = Wales + allochtoon = Walloon. De zonderlinge symmetrie ervan bevalt me,
de manier waarop de verkeerde weg toch naar een woord voert dat betrekking heeft
op taal en identiteit, waarbij Walloon gedefinieerd wordt als niet Vlaams. Ik email
Krijn Peter over allochtoon; gelukkig blijkt dit authentiek Nederlands te zijn.