Ik weet niet hoeveel lezers genoeg geduld hebben gehad om tot hier te komen. Hoe dan ook, ik ben dankbaar en zal nu wat orde aanbrengen in de ideeën uit de blogs hiervoor.
In mijn vorige blog stelde ik voor om literaire verhalen niet te beschouwen als sciencefiction, maar als speculatieve fictie. Het is goed mogelijk dat iemand dit al eerder heeft geopperd; als dat zo is, vergeef me. In ieder geval staat vast dat het speculatieve een grotere plek inneemt in sciencefiction dan in welk ander genre dan ook (met uitzondering van fantasy, want het vermogen om te speculeren hoort ten slotte bij de verbeelding).
Speculatieve literatuur hoeft natuurlijk niet utopisch te zijn. Het verhaal van Borges is net zo min utopisch als bijvoorbeeld de roman Plop van Rafael Pinedo, een van de fascinerendste staaltjes taalkundige speculatie die ik ken. Het is echter ook niet dystopisch (misschien zou je het eerder ‘heterotopisch’ noemen). Geïnspireerd door deze vraagstukken besloot ik voor het eerst in lange tijd een verhaal te schrijven, waarin het volgende gebeurt.
In het jaar 2020 vindt de eerste bemande missie naar Mars plaats. Ergens gedurende de reis wordt het contact verbroken en worden de expeditieleden dood verklaard. Maar wat er eigenlijk gebeurt is dat de bemanning, ver verwijderd van alle toestellen waardoor we denken zoals we denken, praten zoals we praten, et cetera, nieuwe manieren van leven ontwikkelt en om een of andere reden (die ons natuurlijk vreemd is) de communicatie verbreekt. Eenmaal aangekomen op Mars zetten ze een koepel op en beginnen ze hun nederzetting te bouwen. De groep, bestaande uit experts op alle denkbare gebieden en geselecteerd met het oog op diversiteit, brengt een samenleving tot stand die radicaal anders is. Enkele generaties later is het moment van aankomst niet meer dan een lang vervlogen mythe in een conceptuele kosmos die wij natuurlijk niet kunnen begrijpen.
Met dit idee heb ik al tientallen blaadjes gevuld in wat ik het ‘Mars-schrift noem, maar het is me nog niet gelukt om een einde te verzinnen. Dankzij het boek van Le Guin (dat ik nog niet had gelezen toen ik het plot bedacht) begrijp ik nu waarom: normaal gesproken verzet ik me tegen het idee van alwetendheid en probeer ik alles wat ik schrijf tekstueel te onderbouwen, oftewel mijn teksten kunnen zowel in hun eigen universum bestaan als in dat van ons. Maar hoe maak ik iets dat radicaal alien is verstaanbaar in het hier en nu? Dat is de vraag waar ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ en De ontheemde vanuit de literatuur antwoord op geven.
Hier stop ik. Het speculatieve genre is de literaire vorm die ons toestaat onder de loep te nemen wat niet is, wat anders is. Je een ‘andere’ wereld voorstellen is politiek bedrijven in vetgedrukte letters. Sinds het vormen van de vrijhandelszones lijkt het onmogelijk om het kapitalisme nog weg te denken; dat de literatuur daar iets over kan zeggen is noch een boutade noch naïviteit. ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ is geen filosofische tekst van Berkeley; De ontheemde is geen boek over het anarchisme. Beide verhalen doen iets wat je alleen kunt doen met literatuur. Speculatieve fictie komt neer op het opstellen van wat regels en accepteren dat we niet weten waartoe ze leiden, tot op het punt dat we ze niet meer kunnen volgen. Door deze manier van onderzoeken en experimenteren kunnen de meest complexe politieke onderwerpen onbevreesd benaderd worden.