Om kwart voor vijf ‘s middags laat ik mijn werk voor wat het is en neem de tram naar zee. Het is Halloween maar ik ben in Den Haag, niet Hollywood, waar er meer waarde aan die feestdag wordt gehecht. Er zijn op straat geen konijnenoren of draculacapes te bekennen, en eerlijk gezegd ben ik daar blij om. Het kan niet alle dagen feest zijn. Met elke halte maak ik me meer zorgen dat het al te laat is en dat er eenmaal op het strand niets zal zijn dan pikzwarte kust en het klotsen en klappen van de golven die me treiteren met hun verborgen schoonheid.
Ik bereik de zee bij het staartje van de zonsondergang en het uitzicht is bijzonderder dan tijdens het eindeloos Instagrambare uur van goud. Het heeft iets lieflijks om het daglicht zich op zijn eigen melancholische, tijdelijke manier terug te zien trekken. Tinten oranje en grijsblauw lopen uit door het duister, geleidelijk en vloeiend als een aquarelvlek. Rechts ligt een reusachtige pier met daarop een verlicht reuzenrad en een of ander elektriciteitstorentje. Ik denk aan vervallen Engelse kustdorpjes en aan Dogman, de verontrustende Italiaanse film die ik een paar weken geleden heb gezien over een hondentrimmer in een sjofele buitenwijk van Rome die van het rechte padje raakt. Het was geen meesterwerk, maar de schuldbewuste, hondstrouwe blik van de hoofdrolspeler is me bijgebleven. Gebouwen en attracties aan zee hebben iets verdrietigs en dreigends. Het zal te maken hebben met de nevenschikking van de grote, tijdloze elementen en het menselijke seizoensgebonden vermaak. De mens verpest alles. Er zouden moorden kunnen worden gepleegd en het water zou lichamen kunnen wegspoelen.
Binnen een paar minuten is het donker op het strand en jaag ik mezelf de stuipen op het lijf door onder de houten balken van de pier door te lopen op zoek naar een strandtent. De strandtent werd hoopgevend beoordeeld op Yelp om zijn heerlijke, relaxte sfeer en middelmatige eten. Ik beeld me een blauw-groen verlichte inrichting in, als de grot van een zeemeermin, eventueel wat engelenhaar aan het plafond dat zeewier moet voorstellen, de muren en bijzettafeltjes bedekt met een schelpenmozaïek. Lou Reed of Groove Armada zachtjes op de achtergrond. Achter de bar zal een jonge, getatoeëerde man of vrouw staan, met lang haar, een vlotte glimlach en tijdens een gap year verzamelde armbanden. Mijn mojito zal te slap dan wel te sterk zijn.
Maar als ik aankom bij het blauwe pijltje van Google Maps ligt er enkel zand en schroot. De vrouw in het dichtstbijzijnde restaurant vertelt dat de strandtent alleen in de zomer open is. Ik voel me een sukkel want het is al bijna november. Ik bestel zeebaars die wordt geserveerd met een zompige salade en liefdeloze frietjes. Het is het soort maaltijd dat een laatkomer toekomt. De uitbater van het restaurant heeft vlassig haar als een overspannen componist en ijsbeert met zijn handen op zijn rug door het restaurant, alsof hij iemand in elkaar wil timmeren. Maar de serveerster is heel vriendelijk. Ik drink twee kleine glazen lauwe witte wijn en bedenk dat ik me van vis nooit vol voel. Bij het afrekenen komt de gedachte in me op dat, als voor een teleurstellende maaltijd niet zou hoeven worden betaald, de meeste mensen een stuk rijker zouden zijn.
Eenmaal buiten neem ik een zandpad dat voor de helft is overwoekerd door lang gras. Het achterafweggetje leidt naar de troebele maan en god mag weten wie, waar en wat nog meer: waarschijnlijk een bouwput. Omdat ik al de hele avond in een morbide bui ben, heb ik het idee dat ik de zee kan horen gapen terwijl het water hem in zijn schuimbekkende mond loopt. Ik maak met mijn telefoon een foto van het pad en ga op zoek naar de tramhalte.