Het is een fraai gebouw, lijkt een beetje op een kasteel. Ik heb gehoord dat recht en vrede en de vrijheid van meningsuiting hier allemaal samenwonen, in deze stad met de naam die ik maar niet kan uitspreken zonder te spugen, en in dit gebouw, met op de top van de hoogste toren een pralende haan.
Op de bank zit een meisje, ze is blond en eet marshmallows. Ze ziet eruit alsof ze besloten heeft om een nieuwe paragraaf aan de internationale wetgeving toe te voegen, over vertrouwen: ze heeft ogen die zeggen dat je nergens bang voor hoeft te zijn. Zo’n meisje om samen mee op het dak van hoge gebouwen te klimmen, naar beneden te spuwen, naar de camera te glimlachen, een foto te nemen, je tong uit te steken naar de hellende hemel.
Ik ken haar wel: ze heet Laura Marling. Ze zingt over grote dingen op een lichte manier, alsof ze het heeft over ijsjes eten op een zomeravond ergens in een pretpark.
Ik voel dat ik met Laura over iets gewichtigs wil praten. En dus begin ik over de oerzonde:
‘Voel jij ook een vreemd schuldgevoel in dit soort plaatsen?’ vraag ik. ‘Dat overkomt me soms als ik voor zulke belangrijke gebouwen sta: plots heb ik het gevoel alsof ik iets verkeerds heb gedaan. Net als toen ik nog een kind was en bang was dat ik zonder het te beseffen een reep chocolade in een winkel had gestolen, en me onder mijn bed ging verstoppen voor de autoriteiten.’
Laura kijkt me aan alsof ik een in één keer opgegeten oliebol ben. Ze werpt een blik op het gebouw, op de haan, de torens.
‘Ik vind dat dit kutgebouw lijkt op een stripkasteel’, zegt ze kortaf.
Ze staat op en schopt tegen een steen aan de rand van het monument. Ik bedenk dat ze lijkt op de Laura in haar liedjes: rebels, onbezorgd. Misschien heeft ze ook wel haar eigen geheime zorgen, maar ze zingt ze over de daken alsof het leven een spel is.
‘En bovendien,’ zegt ze dan, ‘heb ik niet de gewoonte om me schuldig te voelen. Meestal geef ik mijn moeder van alles de schuld, dat lucht op. Moet je ook proberen.’
Ze ziet er opeens uit als een ondeugend kind. Ze zegt:
‘Ik heb wel zin om een relletje te schoppen, misschien brengt dat wat leven in het hele systeem.’
Ze staat al voor de deur, probeert door de poort naar de binnenplaats te gaan. Ik aarzel, maar ga haar toch achterna. Een bewaker houdt ons tegen en wil ons pasje zien.
‘We zijn kunstenaars,’ probeer ik. ‘We hebben geen pas nodig. Bovendien hebben we iets te vertellen. Mijn vriend de filosoof heeft gezegd dat het internationaal recht de laatste jaren in een crisis is beland. Denk er maar eens over na. Sinds de terroristische aanslagen in 2001 heeft de wet niet meer dezelfde betekenis als vroeger. Ik denk dat het ook iets te maken heeft met de economische crisis. Het probleem van de soevereiniteit van staten en zo. Als we nou eens naar binnen gingen om onze mening te geven?’
Ik ondersteun mijn woorden door met mijn armen in de lucht te zwaaien.
‘Dat noemen ze vrijheid van meningsuiting,’ voeg ik er nog aan toe, trots dat ik die uitdrukking kan gebruiken.
‘Ga maar ergens anders heen om aan vrijheid van meningsuiting te doen. Ga voor mijn part naar een pretpark. Marshmallows hebben jullie al.’
Laura vindt de bewaker een idioot. En ik ben ook stom.
‘Als je wilt praten over vrijheid van meningsuiting en over de wet, dan moet je ze niet bij naam noemen, dat verpest het helemaal,’ zegt ze.
‘Wat moet ik dan zeggen?’ vraag ik een beetje gekwetst.
Ze haalt haar schouders op.
‘Hoe zou ik dat moeten weten? Praat maar over oliebollen.’
‘Maar ik wil praten over belangrijke dingen,’ zeg ik. ‘Ik wil praten over vrijheid!’
‘Nou, ga je gang,’ zegt Laura. Ze klinkt ongeduldig. ‘Vertel maar iets. Je bent vrij om te zeggen wat je wilt, ik luister.’
Ik denk even na. Nu moet ik iets belangrijks zeggen. De spanning stijgt en Laura ziet er ongeduldig uit.
‘Nou?’
Ik kan niets bedenken. Oliebol is het enige woord dat in me opkomt.
Dan schieten me Griekse begrippen te binnen.
‘Wist je dat vrijheid van meningsuiting oorspronkelijk komt van het Griekse woord parrhesia? En ook isegoria heeft dezelfde betekenis. Mijn vriend de filosoof heeft gezegd dat…’
Laura onderbreekt me.
‘Wat!? Nu je eindelijk eens de mogelijkheid hebt om te zeggen wat je wilt, sta je te praten over oude dode woorden! En dat durft zich schrijver te noemen! Je bent zo onorigineel dat ik ervan moet walgen.’
‘Bedenk jíj dan iets origineels,’ zeg ik.
Ik zwijg gekwetst. Ik ben niet van plan nog een woord te zeggen. Ik ben zo stom als Karadzic in de rechtszaal.
Ze haalt haar schouders op. Dan glimlacht ze, en zegt:
‘Cross your fingers hold your toes, we’re all gonna die when the building blows.’