Een specht landt op de tuintafel en begint met de punt van zijn snavel tegen de stok van de parasol te tikken. Ik zou eigenlijk moeten schrijven, maar in plaats daarvan zit ik naar het terras te staren. Als ik de specht zo bezig hoor realiseer ik me dat dit dezelfde onregelmatige roffel is die ’s ochtends uit de eik bij mijn raam komt. Dit is mijn Amerikaanse wekker. Ik had me er alleen nog niet toe kunnen zetten om mijn hoofd van het kussen op te tillen en het te onderzoeken.
Sinds het eind van de zomer verblijf ik als writer in residence in een blokhut onder een eik à la Thoreau in Walden. In Iowa. In het Middenwesten van de Verenigde Staten. Als ik dat aan mensen vertel trekken ze hun wenkbrauwen op en zeggen: ‘Iowa? Serieus?’ Ik neem aan dat ze mij met hippere, wereldser delen van dit continent associëren. Een vleiende gedachte – blijkbaar kom ik prestigieuzer en wereldser over dan ik in werkelijkheid ben.
Aan mijn bureautje in de hut probeer ik te schrijven over een belevenis die ik nog niet heb beleefd Ik heb alleen een programma van het festival. Een vlechtwerk van digitale draden. Een paar voorzichtige verwachtingen. Ik zie voor me hoe de gezichten van het programma op me wachten in Den Haag, pen, papier of plectrum in de aanslag. Dan schiet me te binnen dat niemand van ons daar nog is natuurlijk. We zijn nu nog over de aardbol verspreid, zonder notie van elkaars dagelijkse gewoontes. De vergezichten achter elkaars raam, de ritmes waarop elk van ons schrijft. Of zingt. Of speelt.
Ik begin te typen op de maat die de specht hamert, maar vrijwel meteen, misschien omdat hij beseft dat de stok geen boom is en naar bittere lak smaakt in plaats van naar voedzaam hout, vliegt hij weg.
De muziek waar ik in Iowa op schrijf begon met het zachte snerpen van zangcicaden, tuinsproeiers en grasmaaiers. In de loop van de herfst veranderde de instrumentatie en werden ze vervangen door bladblazers, het tikken van mijn elektrische kacheltje, de fluit van een trein in de verte. Ze komen samen een kakelende kakofonie, even onregelmatig als de specht. Onvertaalbaar.
Ik staak mijn schrijfpogingen. Klap mijn laptop dicht. Pak mijn sjaal. Als de deur van de hut met een klik in het slot valt kom ik mijn specht weer tegen. Dit keer roffelt hij tegen de planken van de blokhut. Verf lijkt hem minder te storen dan lak. Hij negeert me wanneer ik voorbijloop.
En terwijl ik voorbijloop komt het weer boven drijven: spechten hameren niet om een gat te maken, maar om geluid te produceren. Hameren is hun taal, hun muziek. Ze hameren niet om het hout te proeven, maar om te communiceren.
Hoewel niemand van ons er al is, is het nooit te vroeg en zijn we nooit te ver bij elkaar vandaan om een gesprek te beginnen, bedenk ik. Ik moet de digitale draden uit mijn scherm opdiepen en ze in Iowa uitwerpen. Bij Prairie Lights, de lokale boekwinkel, kan ik ze in tastbare, leesbare objecten omzetten. Op mijn omzwervingen door de omgeving kan ik de liedjes meenemen, ze neuriën voor de paden, de rivier, de eekhoorns. Sommige draden doen me denken aan vrienden die ver weg in prestigieuzer, wereldser oorden zitten, dus werp ik die draden ook naar mijn vrienden uit, om zo een nieuw vlechtwerk te spannen.