Madelon Janse
BY Naoise Dolan
09-11-2020

Wat een weekend. We hebben een jaar achter de rug waarin goede mensen verschrikkelijke dingen zijn overkomen, dus het is fijn om te zien dat de balans nu naar de andere kant doorslaat. Ik ben geen Biden-supporter en de Amerikaanse politiek behelst meer dan ‘Trumpiaanse slechtheid’, maar toch… ik wilde zeggen: ‘moge hij de wind altijd in de rug hebben’, maar naar aanleiding van een vraag die Madelon stelde, zocht ik dat op en besefte ik dat dit helemaal geen uitdrukking is waarmee je iemand kwaad toewenst, zoals ik als kind altijd dacht. Om de een of andere reden stelde ik me voor dat de wind die persoon dan van iedereen wegblies, wat me in dit geval een betere uitkomst zou lijken. (In het westen van Ierland staan nota bene windmolens die van Trump zijn. Ik hoop dat ze omvallen en dat hij eronder staat wanneer het gebeurt.)

Ik hoop dat het festival mensen gisteren een uitweg bood om de spanning in de aanloop naar de uitslag een beetje te ontvluchten. Gisteravond presenteerde Crossing Border de winnaars van de Europese Literatuurprijs, een prijs voor de beste hedendaagse Europese roman die in het voorgaande jaar in Nederlandse vertaling is verschenen. Om het tienjarig bestaan van de prijs te vieren, waren er in 2020 twee jury’s, een panel dat grotendeels uit studenten bestond, dat Frère d’âme (Meer dan een broer) van David Diop bekroonde, en een panel met auteur Abdelkader Benali aan het hoofd, dat Spring (Lente) van Ali Smith koos. De prijs wordt ook aan de vertalers uitgereikt: Martine Woudt, Karina van Santen en Martine Vosmaer. Uit de verschillende uitkomsten blijkt hoe sterk prijsuitreikingen worden beïnvloed door geluk. Voor elke grote winst die het nieuws haalt, is er waarschijnlijk iemand die het net niet geworden is, en zijn er anderen die het naar eigen inschatting, of die van hun moeder, net niet geworden zijn.

Madelon, die deze blogposts in het Nederlands vertaalt, was geïnteresseerd in de verschillende omslagen van mijn debuutroman in diverse landen, dus ik had me voorgenomen om wat algemener uit te leggen waarom die van land tot land verschillen, mochten anderen zich dat ook afvragen. Uitgevers hebben mijn roman met verschillende omslagen uitgebracht, zowel in het Engels als in vertaling. Ze baseren die keuze op hun eigen identiteit als imprint en op de specifieke behoeften van hun markt. Als een van mijn uitgevers voorbereidingen treft om het boek te laten drukken, krijgt een grafisch vormgever een instructie voor het omslag; niets al te specifieks, vaak wordt er eerder een bepaalde sfeer geschetst dan dat er gezegd wordt: ‘Zet dit erop’. De vormgever komt met een eerste ontwerp en als de uitgever tevreden is, wordt het ontwerp nog ter goedkeuring naar mij en mijn agent gestuurd. Als ik iets echt lelijk vind kan ik dat aangeven, maar tot nu toe ben ik blij met al mijn omslagen. Dat is altijd een hele opluchting want voor Ieren is ergens nee tegen moeten zeggen de pijnlijkste kwestie van het menselijk bestaan. Op de schaal van stressvolle ingrepen valt het ergens tussen je blindedarm laten verwijderen en een openbuikoperatie ondergaan.

Afgezien van mijn vetorecht bemoei ik me niet zo met omslagen of andere marketingaspecten, want het gaat daarbij meer om het uitdragen van de visie van de uitgever dan om de persoonlijke voorkeuren van de auteur. In mijn geval hebben een paar landen vergelijkbare omslagen gekozen; voor de Nederlandse vertaling wordt bijvoorbeeld een variatie op mijn Amerikaanse omslag gebruikt, terwijl ze in Spanje de Britse hebben aangepast. Elk taalgebied heeft een uniek uitgeeflandschap waarvan de uitgever het beste op de hoogte is, en binnen dat landschap heeft elke uitgever zijn eigen ethos. Dat heeft allemaal invloed op het omslag waar we uiteindelijk op uitkomen.

Dat was het eigenlijk voor nu; verder bestond mijn weekend vooral uit twee soorten schermtijd: werk inhalen en het tegenovergestelde van doemscrollen, hoe dat ook mag heten. Endorfinescrollen? Ik ben blij dat Trump heeft verloren.

Madelon Janse
16-11-20

Mijn laatste epistel! Ik heb deze week hetzelfde gedaan als altijd – schrijven, interviews geven, administratie – dus dacht ik, laat ik wat ideeën over kunst neerpennen. (De natuurlijke toevlucht.)

Via fictie doe je indirect ervaringen op, dus het is een relatief goedkoop en praktisch antwoord op apocalyptisch denken. Als het einde nabij is, bieden romans nieuwe werkelijkheden, vluchtig en af te danken, als een proefpakket met gratis samples. We verstuiven de diffuse extracten uit boeken totdat ze ons vullen. De tekst zet ons daartoe aan, omdat geschreven zinnen hooguit kunnen zinspelen op beelden en concepten die lezers in hun verbeelding voltooien. Aan de hand van fictie leiden we geen andere levens, maar borduren we daar met ons eigen leven op voort.

Mensen komen echter ook bij elkaar om kunst te bespreken. Verveelvoudigen ze levens door zowel zichzelf als de bestaansvormen die ze zelf uit de tekst tot leven hebben gewekt, uit te wisselen? Of is gemeenschappelijkheid een inkrimping, aangezien al die ruimtes in één ruimte worden gedrukt? Misschien wijst de uiteindelijke compressie uit dat het onmogelijk is om meer ervaringen te hebben dan een ander die net zo lang heeft geleefd als jij. Ogenschijnlijk is het ene leven enerverender dan het andere, maar niemand neemt alles vanaf het eerste ogenblik in zich op, dus al die snelle indrukken komen uiteindelijk neer op evenveel zintuiglijke prikkels als je zou krijgen wanneer je een paar dingen door en door zou kennen. Fictie is een weldoordachte bewerking. Het verschil tussen een boek lezen en naar een muur staren is niet dat het boek je meer laat zien, maar dat de dingen die het boek je laat zien wellicht meer de moeite waard zijn. (Niet altijd. De kwaliteit van boeken wisselt, net als die van muren.)

Maar mensen waarderen verschillende dingen, en ‘waarderen’ kan hier breed worden opgevat – ik geniet vaak van boeken die een licht werpen op dingen die ik betreur – dus bezorgdheid over de positie van kritiek is existentieel. We zijn bang om tijd te verspillen aan de belabberde aanbeveling van een ander en – wanneer we het oneens zijn – voor het huiveringwekkende besef dat er geen fundamentele waarheid of maatstaf bestaat, misschien niet eens binnen onszelf. We wijken af, zowel van elkaar als van onszelf. Afhankelijk van de manier waarop we bij een tekst zijn uitgekomen, lezen we hem anders. Discussie plaatst die verschillen tegenover elkaar; we proberen ons standpunt te stutten en soms lukt dat, maar we lopen evengoed de kans om sterker te gaan twijfelen.

Die lastige subjectiviteit komt ook tot uitdrukking in taal. De begrippen ‘overgewaardeerd’ en ‘ondergewaardeerd’ gaan deels over de toekenning van middelen, maar impliceren toch zeker ook dat de spreker intrinsiek verontwaardigd is omdat te veel of te weinig mensen iets goed zouden vinden. Zou er in een socialistische samenleving ooit iemand drammen dat kunst ‘overgewaardeerd’ of ‘ondergewaardeerd’ is? Ik zeg van niet, al was het maar omdat het een uitstekend argument voor socialisme is.

Dit zijn allemaal dingen die ik nog intensiever zou hebben overwogen als ik Crossing Border fysiek had kunnen bijwonen, alleen al door erin ondergedompeld te worden. Maar ook door online deel te nemen en het hele jaar door met digitale evenementen mee te doen heeft de gemeenschappelijke leeservaring me beziggehouden.

Maar goed! Om het wat minder abstract af te ronden: ik ben het festival dankbaar voor de uitnodiging, Elinor voor het coördineren van dit project en Madelon voor de vertalingen. Petje af dat het ondanks de moeilijke omstandigheden toch is gelukt en alvast veel succes voor volgend jaar!

09-11-20

Wat een weekend. We hebben een jaar achter de rug waarin goede mensen verschrikkelijke dingen zijn overkomen, dus het is fijn om te zien dat de balans nu naar de andere kant doorslaat. Ik ben geen Biden-supporter en de Amerikaanse politiek behelst meer dan ‘Trumpiaanse slechtheid’, maar toch… ik wilde zeggen: ‘moge hij de wind altijd in de rug hebben’, maar naar aanleiding van een vraag die Madelon stelde, zocht ik dat op en besefte ik dat dit helemaal geen uitdrukking is waarmee je iemand kwaad toewenst, zoals ik als kind altijd dacht. Om de een of andere reden stelde ik me voor dat de wind die persoon dan van iedereen wegblies, wat me in dit geval een betere uitkomst zou lijken. (In het westen van Ierland staan nota bene windmolens die van Trump zijn. Ik hoop dat ze omvallen en dat hij eronder staat wanneer het gebeurt.)

Ik hoop dat het festival mensen gisteren een uitweg bood om de spanning in de aanloop naar de uitslag een beetje te ontvluchten. Gisteravond presenteerde Crossing Border de winnaars van de Europese Literatuurprijs, een prijs voor de beste hedendaagse Europese roman die in het voorgaande jaar in Nederlandse vertaling is verschenen. Om het tienjarig bestaan van de prijs te vieren, waren er in 2020 twee jury’s, een panel dat grotendeels uit studenten bestond, dat Frère d’âme (Meer dan een broer) van David Diop bekroonde, en een panel met auteur Abdelkader Benali aan het hoofd, dat Spring (Lente) van Ali Smith koos. De prijs wordt ook aan de vertalers uitgereikt: Martine Woudt, Karina van Santen en Martine Vosmaer. Uit de verschillende uitkomsten blijkt hoe sterk prijsuitreikingen worden beïnvloed door geluk. Voor elke grote winst die het nieuws haalt, is er waarschijnlijk iemand die het net niet geworden is, en zijn er anderen die het naar eigen inschatting, of die van hun moeder, net niet geworden zijn.

Madelon, die deze blogposts in het Nederlands vertaalt, was geïnteresseerd in de verschillende omslagen van mijn debuutroman in diverse landen, dus ik had me voorgenomen om wat algemener uit te leggen waarom die van land tot land verschillen, mochten anderen zich dat ook afvragen. Uitgevers hebben mijn roman met verschillende omslagen uitgebracht, zowel in het Engels als in vertaling. Ze baseren die keuze op hun eigen identiteit als imprint en op de specifieke behoeften van hun markt. Als een van mijn uitgevers voorbereidingen treft om het boek te laten drukken, krijgt een grafisch vormgever een instructie voor het omslag; niets al te specifieks, vaak wordt er eerder een bepaalde sfeer geschetst dan dat er gezegd wordt: ‘Zet dit erop’. De vormgever komt met een eerste ontwerp en als de uitgever tevreden is, wordt het ontwerp nog ter goedkeuring naar mij en mijn agent gestuurd. Als ik iets echt lelijk vind kan ik dat aangeven, maar tot nu toe ben ik blij met al mijn omslagen. Dat is altijd een hele opluchting want voor Ieren is ergens nee tegen moeten zeggen de pijnlijkste kwestie van het menselijk bestaan. Op de schaal van stressvolle ingrepen valt het ergens tussen je blindedarm laten verwijderen en een openbuikoperatie ondergaan.

Afgezien van mijn vetorecht bemoei ik me niet zo met omslagen of andere marketingaspecten, want het gaat daarbij meer om het uitdragen van de visie van de uitgever dan om de persoonlijke voorkeuren van de auteur. In mijn geval hebben een paar landen vergelijkbare omslagen gekozen; voor de Nederlandse vertaling wordt bijvoorbeeld een variatie op mijn Amerikaanse omslag gebruikt, terwijl ze in Spanje de Britse hebben aangepast. Elk taalgebied heeft een uniek uitgeeflandschap waarvan de uitgever het beste op de hoogte is, en binnen dat landschap heeft elke uitgever zijn eigen ethos. Dat heeft allemaal invloed op het omslag waar we uiteindelijk op uitkomen.

Dat was het eigenlijk voor nu; verder bestond mijn weekend vooral uit twee soorten schermtijd: werk inhalen en het tegenovergestelde van doemscrollen, hoe dat ook mag heten. Endorfinescrollen? Ik ben blij dat Trump heeft verloren.

07-11-20

Ik hoop dat iedereen een fijn weekend heeft en van het festival geniet. Op vrijdag stond er een gesprek met mijn Italiaanse vertaalster, Claudia Durastanti, op het programma. Ze heeft mijn roman geweldig vertaald en ik ben erg blij met de manier waarop het boek in Italië is ontvangen. Mijn uitgever Edizioni Atlantide heeft het boek een prachtig omslag gegeven en was fantastisch om mee samen te werken. Het is een van de eerste vertalingen die verschenen is, dus ik heb recensies voorbij zien komen en ben een paar keer geïnterviewd over de Italiaanse publicatie. Meestal e-mailen ze me de vragen in het Engels, geef ik antwoord en worden mijn antwoorden vervolgens vertaald en opgeschreven.

Gisteren gaf ik zo’n interview. Ik vind het altijd interessant om met internationale lezers over Ierse literatuur te praten. Niet-Engelstaligen hebben over het algemeen minder vooroordelen over wat Iers is, omdat de Ierse diaspora zich vooral concentreert in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Australië, dus terwijl die landen bepaalde beelden over ‘het moederland’ hebben overgenomen van Ierse immigranten, bekijkt de rest van de wereld ons minder bevooroordeeld, als ze al naar ons kijken. (We zijn maar een klein landje. Ik geloof niet dat andere landen beseffen hoe klein we zijn. Nog geen vijf miljoen inwoners! Hoezo weten mensen dat Ierland bestaat? Hoezo weten Ieren überhaupt dat Ierland bestaat?)

Over de diaspora gesproken, iets anders waaraan ik gisteren heb gewerkt is een artikel over een project van fotografe Tami Aftab, die Iers, Pakistaans en Engels is. Haar grootmoeder verliet Ierland als tiener en Tami maakte de terugreis samen met de vrouwen uit haar familie voor de afronding van een fotoproject dat ze in opdracht deed. Het is een verhaal dat genoegdoening geeft, want afgaande op wat Tami me heeft verteld toen ik haar interviewde, is haar carrière als kunstenares precies wat haar grootmoeder haar zou hebben toegewenst. Zoals voor veel Ieren geldt, zowel hier als verder van huis, zat creativiteit al bij haar in de familie voordat er ooit geld mee te verdienen viel. Mijn vader houdt erg van fotografie, maar zou er nooit van hebben durven dromen om te proberen er de kost mee te verdienen en mijn grootmoeder verslond boeken, maar is nooit op het idee gekomen om zelf te schrijven, dus mijn eigen ervaringen klonken door in Tami’s verhaal.

Waar ik nu tegen aanloop bij het schrijven van het stuk is dat ik al op het dubbele van het totale aantal woorden zit, omdat Tami zo gepassioneerd over het project vertelde. Ik kijk ernaar uit om het, zodra ik erin geslaagd ben mijn woordenvloed in te dammen en het goede te bewaren, in te leveren en te delen, en dat iedereen haar prachtige foto’s kan zien. Ik kan nauwelijks geloven dat ik deze zin typ, maar ze heeft Leitrim stijl gegeven. (Mijn familie van vaderskant komt allemaal uit Leitrim, dus ik mag dat zeggen en zou iedereen die niet uit Leitrim komt neerknuppelen als ze zo’n uitspraak zouden doen.)

Verder signeer ik boekmerken en stuur ik ze weer terug naar mijn uitgever, zodat ze in boeken geplakt kunnen worden. Ik ben helemaal niet goed in zulk soort dingen en reageer verbaasd en met enige argwaan als ik het een keer weet klaar te spelen. Als ik dingen op de post moet doen, ben ik er altijd heilig van overtuigd dat zich elk moment een logistieke ramp kan voltrekken en dat ik al mijn bezittingen dan per ongeluk naar Moskou blijk te hebben opgestuurd.

Ik ben ook iets heel bijzonders aan het voorbereiden om naar mijn agent te sturen, maar ik ga niet vertellen wat. Ik denk dat ik de belofte van duistere hints uit mijn eerste blog waarschijnlijk niet waar ga maken. Ik weet niet waarom ik zo geheimzinnig doe – het maakt me niet zo’n goede blogger – maar het maakt het wel makkelijker om mijn werk gedaan te krijgen en daar gaat het uiteindelijk om.

06-11-20

Het was hartverwarmend om het Crossing Border festival zich deze week te zien ontvouwen. Er is zo’n bruisende selectie van stemmen bijeengebracht. De Engelstalige literaire wereld kan oogkleppen op hebben, dus ik bewonder literaire gemeenschappen die in hun evenementen blijk geven van het besef dat niet de hele wereld in het Engels plaatsvindt. Zelfs binnen de Engelstalige bubbel hebben bijvoorbeeld Amerikaanse critici de neiging Ierse romans te lezen alsof ze zich in Brooklyn afspelen. Ik streef ernaar om romans te benaderen vanuit de aanname dat ik niet alles zal begrijpen. Er hoeft niet per se een probleem bij mij of bij de tekst te liggen, er is eerder sprake van wrijving waaruit blijkt dat ik bijleer.

Diezelfde betrokkenheid is een van de genoegens van vertaald worden. Het is een eer om te zien hoeveel zorg de vertaler aan mijn werk besteedt, en de moeite die een lezer van een vertaling soms moet doen om cultuurspecifieke kwesties te begrijpen getuigt ook weer van een bijzonder soort aandacht. Bovendien kan ik mensen zich het hoofd laten breken over de klinkerhutspot ‘Naoise’.

Het laatste wat ik voor Crossing Borders heb gedaan was mezelf opnemen terwijl ik uit mijn debuutroman voorlees. Ik moet toegeven dat ik iedere keer weer het eerste hoofdstuk doe, omdat ik dan geen context hoef te geven of het plot hoef te beschrijven. Een veelgehoorde misvatting is dat het feit dat je boeken schrijft ook betekent dat je er goed over kunt praten. Ik ben niet goed in praten, daarom schrijf ik juist. Soms kom ik toch niet onder het praten uit, vooral wanneer ik door iemand geïnterviewd wordt die mijn werk niet gelezen heeft (dat komt vaker voor dan je zou denken), maar ik doe het liever niet omdat ik dan onvermijdelijk een interpretatie meegeef. Tegenwoordig wordt er van alles uit de kast gehaald om mensen te vertellen hoe ze boeken moeten lezen. Veel daarvan ligt buiten de macht van de auteur; buiten de pagina’s om kies ik niets, van de manier waarop het boek wordt beschreven tot de auteurs met wie ik word vergeleken, dus ik kan die dingen negeren, omdat ik ze niet in de hand heb gehad. Ik ben chaotisch en heb geen spanningsboog, dus je zou dingen negeren een natuurlijke gave kunnen noemen.

Het spreekt vanzelf dat dit een enge week is, aan het einde van een eng jaar. Moet je gruwelen en absurditeiten aankaarten als die je het meeste hebben beziggehouden, maar je er niets zinnigs aan toe te voegen hebt? Mijn angst en paniek zijn die van iedereen. Als we geen van allen aan een gevoel kunnen ontsnappen, weet ik niet of het een blijk van solidariteit zou zijn als ik alles nog eens zou herhalen; het voelt eerder als een nodeloze echo. Maar de blog zou op een vreemde manier niet kloppen als ik het helemaal niet zou noemen, dus bij deze: ik ben bang.

Het was leuk om mijn laatste blogpost te zien verschijnen en Madelons vertaling te zien. Ik moet toegeven dat ik geen Nederlands spreek, al staat het wel op het lijstje van talen die ik ooit wil leren (99% van de dingen die ik in mijn leven van plan ben, ga ik ‘ooit’ doen). Het is denk ik lastig om geïnteresseerd te zijn in Engels en niet ook geïnteresseerd te raken in de meeste andere talen, want het heeft van alles wel wat opgezogen (deels natuurlijk dankzij het charmante enthousiasme waarmee de Britten het geëxporteerd hebben). Als Ierse vind ik het beladen om in het Engels te schrijven. Ik beheers het Iers maar amper. Ik zou er nooit met literaire precisie in kunnen laveren, en zelfs als dat wel zo was, zou ik geen groot lezerspubliek hebben. Er bestaan epistemologische waarheden over mijn volk en ons verleden waar ik nooit toegang toe zal krijgen omdat ze in de Ierse taal zijn opgesloten. Maar goed, ik zal het meeste over de meeste dingen ook nooit te weten komen, dus dat is een opbeurende gedachte om mee te eindigen.

Ik kijk uit naar de rest van het festival dit weekend!

08-10-20

Ik ben Naoise, ik ben een Ierse schrijfster en mijn debuutroman Exciting Times is eerder dit jaar verschenen.[1] Het zijn vreemde tijden, zoals elke werk-e-mail inmiddels automatisch voor je aanvult. Tegelijkertijd heeft het publicatieproces van een roman van nature al iets unheimisch. Ik had de eerste versie in 2017 af, dus het voelt enigszins vervreemdend om getuige te zijn van de vlaag verse reacties op iets dat ik al zo lang geleden heb gemaakt.

Ik las laatst een artikel van Martin Amis waarin hij literaire fictie in de jaren zeventig omschrijft als een ‘onzichtbare en onschuldige bezigheid’, zonder alle ‘nevenactiviteiten’ die auteurs tegenwoordig ondernemen; geen evenementenprogramma, geen pers, geen profielschetsen, misschien een paar recensies.

Dit vergeten we als we bespreken welke invloed de pandemie op boeklanceringen heeft gehad. De focus ligt steeds op wat er is veranderd, op wat er nu digitaal wordt gedaan, op wat er volledig is geschrapt, maar als ik naar Amis’ omschrijving kijk, krijg ik de indruk dat de huidige uitgeefwereld veel meer wegheeft van die uit 2019 dan van het hermetische tijdperk vóór de inbelverbinding. Rond deze tijd vorig jaar begonnen de eerste interviews, nu geef ik nog steeds interviews en volgend jaar zal ik er waarschijnlijk ook nog genoeg geven. In mijn ogen is publiceren in 2020 nog altijd een proces waarbij je maar beter van je eigen stemgeluid kunt houden.

Verder probeer ik gewoon door te gaan. Ik werk nu voornamelijk aan m’n tweede of derde roman, afhankelijk van hoe je het bekijkt. Vóór de roman die ik nu aan het schrijven ben, heb ik een boek geschreven dat ik niet wil laten uitgeven, dus laten we mijn huidige manuscript de tweede roman noemen die anderen zullen lezen.

Daarnaast schrijf ik korte verhalen en cultuurkritische stukken voor verschillende publicaties en ga ik binnenkort fotografe Tami Aftab interviewen over een persoonlijk project waarvoor ze haar Ierse grootmoeder en haar familieverhaal vastlegt. Ik heb verschillende digitale auteursevenementen gedaan en begin oktober heb ik het Cheltenham Literature Festival bijgewoond. Ik sprak daar in een panel met Camilla Pang en Abigail Bergstrom over neurodiversiteit en in een ander panel met Octavia Bright over mijn eigen roman. Ik was nooit eerder in Cheltenham geweest, maar ik heb me laten vertellen dat de coronaproof versie veel minder drukbezocht was dan normaal. Wat er aan sappige, terloops opgevangen gespreksflarden ontbrak, werd goedgemaakt in bewegingsruimte.

Persoonlijk worstel ik met de situatie, zoals iedereen. Ik maak me zorgen over mijn familie, mijn vrienden, en over hoe het met de wereld gesteld is. Soms zou ik willen dat ik een meer visionaire schrijfster was. Maar ik schrijf nu eenmaal het beste over mensen en dingen die niet zouden moeten bestaan maar toch bestaan, zonder dat ik per se een uitweg bied, behalve lachen om de regelrechte absurditeit ervan. Ik moet er maar op vertrouwen dat er een rol voor zwarte humor is weggelegd in een ecosysteem waarin andere schrijvers andere dingen doen. Ik denk dat deze houding in elk geval te prefereren is boven mezelf ophemelen als een soort profeet. Ik schrijf romans en ben blij als mensen ervan genieten.

Mensen zijn vaak benieuwd naar mijn ‘werkroutine’. Soms verzin ik er een, omdat die vraag me het gevoel geeft dat ik er een zou moeten hebben. Maar mensen die iets kunnen, hebben vaak de grootste moeite om te vertellen hoe ze het precies doen, en zo ben ik als het op schrijven aankomt. Mensen leren schrijven is een kunst op zich.

Ik kijk ernaar uit om de komende weken meer blogs te schrijven. Ik verklap liever niet al te veel over work-in-progress, maar misschien geef ik hier en daar wel een duistere hint.

[1] De Nederlandse vertaling (Opwindende tijden, vertaald door Lisette Graswinckel) verschijnt op 29 oktober.