Eigenlijk had ik beloofd te vertellen welke indruk de ontmoeting met andere jonge schrijvers op me heeft gemaakt. Daar ben ik gisteren blijven steken, en zou ik nu dus verder moeten gaan, maar in de tussentijd is er al weer zoveel gebeurd. Daarom laten we het verhaal over de jonge schrijvers (dat jullie misschien wel een beetje saai vinden) nog even zitten, want ik moet opschieten en actueel blijven.
Vanochtend hebben we een bezoek gebracht aan het Vredespaleis, een gewichtige en officiële plek, die een sfeer van traditie en etikette ademt. Het is helemaal gebouwd met materialen uit verschillende landen: Italiaans marmer, Duits ijzer en Amerikaans hout. Op de een of andere manier zag ik in het gebouw de betekenis van ons verblijf hier besloten liggen: een mengelmoes van identiteiten en verschillen, van musici en schrijvers, van artiesten van verschillende nationaliteiten, die allemaal in de stad rondlopen, elkaar tegenkomen, kletsen en ideeën uitwisselen, en (al is het maar voor even) samen iets opbouwen.
In een officiële, stijlvolle kamer hebben we zitten luisteren naar een vertaler die vertelde over zijn werk. Een vertaler van documenten en officiële akten, eigenlijk geen literatuur. Misschien hebben sommige dingen die hij zei daarom wel des te meer indruk op me gemaakt. Als antwoord op de vraag van Liesbeth wat iets tot een goede vertaling en iemand tot een goede vertaler maakt, somde hij heel serieus objectieve regels op, maar besloot uiteindelijk met de stelling: ‘Een goede vertaler is iemand die goed kan schrijven in zijn eigen moedertaal.’ Iemand dus die op zijn beurt een beetje schrijver is, en of hij nou een literaire tekst of een processtuk vertaalt, het gaat om die (misschien aangeboren) gave.
Als we het gebouw verlaten, staat er een harde wind en is er sneeuw op komst. Ik duik diep in de kraag van mijn jas, terwijl ik luister naar wat de anderen over het gesprek zeggen en ik volg ondertussen mijn eigen gedachtengang, naar aanleiding van de woorden van de vertaler. Nu pas doe ik een ontdekking, die eigenlijk ontwapenend eenvoudig is: als we een tekst ter vertaling geven, leggen we hem in handen van een andere auteur die, door te vertalen, op zijn beurt ook schrijver wordt. Ik denk aan de vragen die Liesbeth me vanochtend bij het ontbijt stelde, over een paar zinnen uit mijn tekst. Haar twijfels over de juiste woordkeuze hebben me, in mijn eigen taal, een verborgen rijkdom aan nuances doen ontdekken, waar ik nooit zo bij stil had gestaan. Ze hebben me in een klap bewuster gemaakt van het gewicht van ieder afzonderlijk woord, van alle mogelijke betekenissen.
Maar nu loop ik het gevaar dat mijn verhaal te serieus en saai wordt.
Ik zou willen afsluiten met een leuke observatie van Abdellah. Hij loopt naast me als we het Vredespaleis verlaten en zegt: ‘Is het je opgevallen? Vertalers stellen een heleboel vragen over hun werk, maar schrijvers praten nooit over hun werk.’
Dat klopt, het was mij ook opgevallen. Ik weet niet hoe Abdellah, Chris of Laia hierover denken, maar ik schaam me altijd een beetje om over mijn eigen werk te praten, alsof ik er niet te veel mee te koop wil lopen. Zelfs als ik word uitgenodigd voor festivals en presentaties in Italië, zeg ik als mensen me vragen wat ik doe: ‘Ik ben redacteur’. Nooit: ‘Ik ben schrijver’. Misschien geneer ik me een beetje, schrijven lijkt me nog steeds een voorrecht van mensen die niets beters te doen hebben, en gepubliceerd te worden een beloning waarvoor ik niets bijzonders gedaan heb om hem te verdienen. Of misschien schaam ik me ervoor schrijver te zijn, op de manier waarop je je schaamt voor het meest verborgen deel van jezelf, waaraan je het meest gehecht bent en dat je probeert te beschermen tegen nieuwsgierige blikken. Misschien kunnen vertalers daarom wel over hun eigen werk praten en schrijvers niet. Misschien hebben schrijvers, na het schrijven, wel niet veel meer te zeggen.
Liesbeth Dillo
SCHRIJVERS, ALS JE BEGRIJPT WAT IK BEDOEL
BY Federica Manzon
21-11-2008