Schrijver en journalist Dexter Filkins begint zijn presentatie op het Crossing Border Festival met de verontschuldiging dat hij geen Nederlands spreekt, en illustreert dat met een grapje. ‘Hoe noem je iemand die drie talen spreekt?’ aldus Filkins. ‘Drietalig. Hoe noem je iemand die twee talen spreekt? Tweetalig. En iemand die maar één taal spreekt? Amerikaans.’
Terwijl Dexter Filkins zich zo op een aardige en een beetje opgelaten manier verontschuldigt, komt het bij me op dat je ‘Amerikaans’ zou kunnen vervangen door ‘Italiaans’. Voor een Italiaan, en dat geldt ook voor een jonge, doorsnee belezen auteur, is het contact met een andere taal toch altijd meer een botsing dan een ontmoeting, een soort persoonlijke tragedie waarin die Italiaan probeert zich met de paar woorden die hij kent te redden en op de een of andere manier verstaanbaar te maken, zich onderwijl verontschuldigend voor zijn slechte uitspraak, geringe kosmopolitisme en tekortkomingen.
Een Amerikaan kent geen vreemde talen omdat hij dat niet hoeft: de halve wereld spreekt tenslotte zíjn taal. Maar waarom heeft een Italiaan alleen al moeite met Engels? Misschien is daar maar één echte reden voor: hij weet dat hij zich op de een of andere manier toch wel redt, met gebaren, gezichtsuitdrukkingen en een paar leuke grapjes. Zich kunnen redden is zo’n beetje onze nationale sport.
Ik ben pas twee dagen in Den Haag, maar toch heeft het festival me al veel stof tot nadenken gegeven: ideeën die ik niet helemaal scherp krijg en me nog niet helemaal eigen heb gemaakt, terwijl we van het ene optreden naar het andere hollen.
Twee indrukken tekenen zich wel al duidelijker af, opgedaan tijdens ontmoetingen met scholieren van de internationale school en met andere jonge schrijvers.
Het ontmoeten van scholieren is, voor mij, één van de leukste activiteiten die je als schrijver onderneemt. Kinderen zijn meestal enthousiast, nieuwsgierig, geïnteresseerd in het ontdekken van de praktische en bijzondere kanten van het werk van schrijvers, ze stellen gerichte vragen en luisteren aandachtig. We waren op een internationale school, dus voor die kinderen is het heel gewoon om met elkaar een andere taal te spreken dan thuis. En toch blijf ik me verbazen over de zekerheid waarmee ze tussen de verschillende talen, geografische achtergronden en gewoonten manoeuvreren. Ook mij begrijpen ze makkelijk, terwijl mijn Engels onzekerder is dan dat van hen. Ik geloof werkelijk dat er in de spontane uitwisseling, die de activiteiten van Crossing Border symboliseert, iets wordt verwezenlijkt wat sterk lijkt op een Europese identiteit. Ook de minder belangrijke details verbazen me. Zoals toen gisteravond bij de presentatie van de film Diary of a Times Square Thief de acteur het podium opkwam en een toespraak hield in het Engels zonder dat daar een tolk bij nodig was. Het hele publiek, waaronder ook ouderen, begreep zijn grapjes en moest erom lachen. Ik denk niet dat dat in Italië had kunnen gebeuren, niet eens voor een zaal vol studenten.
Al sinds de ontmoeting met docenten gistermiddag is me iets duidelijk geworden: over het algemeen worden Italianen als primitievelingen uit de derde wereld gezien, onderontwikkeld en bekrompen. Het zal wel aan onze politiek liggen (waar we niet over kunnen praten zonder ons te schamen), of aan onze beperkte talenkennis (we lezen vertaalde boeken en kijken naar nagesynchroniseerde films). Zo komen er, terwijl ik op dit festival het ene optreden na het andere bijwoon, twee tegenstrijdige gevoelens in mij op. Aan de ene kant schaam ik me voor de toestand van mijn land, omdat onze boeken niet in het buitenland worden vertaald, onze auteurs relatief onbekend zijn en we moeite hebben ons verstaanbaar te maken in een gedeelde taal. Aan de andere kant voel ik een vreemde nationale trots die me aan het denken zet. Ik denk aan de schoolkinderen van vanochtend, stuk voor stuk nieuwsgierige wereldburgers, waaronder vast veel goede lezers, die bijna allemaal in minstens drie verschillende talen lezen. En ik denk ook aan de Italiaanse kinderen, wel altijd een beetje gegeneerd en in verlegenheid met vreemde talen, maar die Latijn en Grieks leren op school en een natuurlijke affiniteit hebben met kunst, die leren van oude geschiedenis te houden en passages uit hun hoofd te citeren. En dan vind ik het een beetje jammer dat die kant van mijn land keer op keer verloren gaat in moeizame communicatie die er maar niet in slaagt internationaal te worden. En ik denk dat misschien alleen door ons meer onder anderen te begeven en beter onze ideeën te verspreiden (bij dit soort gelegenheden), de situatie misschien zal verbeteren, en dat misschien in de toekomst ook in bioscopen of op festivals in Italië geen vertalers meer nodig zullen zijn.
De tweede indruk, die ik heb opgedaan tijdens de ontmoeting met andere jonge auteurs, vertel ik jullie morgen…
Liesbeth Dillo
VOOROORDELEN EN VERRASSINGEN
BY Federica Manzon
20-11-2008