Er gaat weleens iets mis als je in dit tempo schrijft. Je zegt Powerpoint waar je Excel bedoelde. Schrijft bare in plaats van bear. Komt erachter dat je aan het slot van al je columns een Nederlands woord gebruikt dat je nooit hebt uitgelegd aan je Spaanstalige en Engelstalige lezers. (Vrienden, sorry dat ik er nu pas mee kom, maar gezocht betekent deseado.)
Maar het pakt ook weleens boven verwachting goed uit. Je legt sommige verbanden alleen doordat je improviseert en je bent vrijer omdat er geen tijd is voor gêne. Snel schrijven benadert de ervaring die je hebt op een podium, die kwetsbaarheid waar ik het ook over had in een andere column, maar vooral die directheid. Op het podium, net als vlak voor een deadline, ben je waar je bent. In een onverbiddelijk hier en nu.
Op dit punt weet mijn innerlijke oma (die gêne net zoiets onbenulligs vindt als bij elkaar passende sokken) me over te halen tot een anekdote.
Het gebeurde vier jaar geleden. We lagen te slapen en werden wakker van een lach. Mijn lach, besefte ik verbaasd. Een lachaanval die zo onbedaarlijk was, dat hij al snel omsloeg in een huilbui. Ik stond op uit bed, waar mijn man half in zijn slaap nog nagrinnikte om mijn aanstekelijk gelach, en liep naar de badkamer om uit te huilen. (Zoiets raars – en ik zeg dit met het kleine beetje gêne dat zelfs oma me toestaat – overkomt me normaal nooit.) Daarna zat ik nog lang op de badrand de droom te overdenken waaruit ik zojuist was ontwaakt, en er werd me iets duidelijk.
(Iets wat misschien niet waar was, maar wel zeer verhelderend op die manier waarop alleen fictie ons kan verlichten.)
In mijn droom bezocht ik met vier onbekenden een appartement dat te huur stond, onder leiding van een makelaar. Opeens flitste overal licht aan en iemand riep dat het pauze was. De enige die zich verbaasde was ik. De zogenaamd onbekenden liepen gezamenlijk naar buiten om te roken en ik ontdekte dat er zich voor mij lange rijen pluche stoelen bevonden. Het appartement was maar een decor. De bezichtiging een toneelrepetitie. Toen ik dat begreep barstte ik zo hard in lachen uit dat ik er wakker van werd.
Na die catharsis, nog steeds in de badkamer, legde ik voor het eerst het verband woningen-theater en telde de jaren. Op mijn vingers. En ik begreep: ik ben verslaafd aan huizen kijken sinds ik stopte met toneel.
Als kind en als jongvolwassene draaide mijn hele leven om het schrijven en opvoeren van toneelstukken. Dat zou ik altijd blijven doen, zeker te weten. Maar aan die overtuiging kwam een eind nadat ik het proza eenmaal ontdekt had. Ik schreef een verhaal en was meteen verkocht: ik was niet langer afhankelijk van repetities, regisseurs, andermans ego’s… ik kon alles zelf! Compleet nieuwe werelden scheppen. In mijn eentje.
Wie schrijft is de hele dag een personage. (In elk geval gedurende de uren dat je erin slaagt je af te sluiten voor internet en je te concentreren op het leven van andere levens.) En dit is, naar mijn bescheiden mening, het allerleukste beroep ter wereld. Er kleven wel een paar ernstige nadelen aan. Je krijgt er zo goed als niet voor betaald, om maar iets te noemen. Bovendien werk je zonder een tweetal zaken die bij toneel juist centraal staan. Het ene is je lichaam. En samenwerking, een teamverband, is het tweede.
Als ik hierover nadenk besef ik dat een project als The Chronicles niet alleen waardevol is vanwege het plezier van het festivalbezoek, maar ook omdat het tijdelijk voorziet in wat wij (en dan bedoel ik óók de vertalers, evengoed schrijvers, al willen ze daar zelf niet van horen) als beroepsgroep normaal het hardst missen: salaris, ja, maar ook een lichaam – je verplaatst je, je bent ergens, je danst samen – en vooral: een team.
Op een podium staan betekent attent zijn op de aanwezigheid van de ander. Zien wat er gebeurt aan randen van je blikveld. Afgelopen weken heb ik op die manier geschreven: met een schuin oog op Annie McDermott en Heleen Oomen. Bedankt allebei, dat jullie net zo obsessief bezig zijn met de verschillende betekenislagen van elk woord als ik.
En door dit alles ben ik iets gaan vermoeden.
(Iets wat misschien niet waar is, maar wel zeer verleidelijk op die manier waarop alleen verlangens ons kunnen prikkelen.)
Ik ben gaan vermoeden dat meer vertalingen van mijn werk en meer uitnodigingen voor festivals misschien het middel zijn om mijn huizenverslaving eindelijk te overwinnen.
Attentie! Mijn oma en ik doen de volgende oproep: uitnodiging gezocht.