Wanneer je in Tsjechië het woord “grens” laat vallen, haalt dat bij veel mensen onbewust een onveilig gevoel naar boven. Het roept een soort beschermingsinstinct op. De grens is voor Tsjechen zoveel als verboden terrein. Zelfs vandaag de dag stuit je bij een boswandeling in het Tsjechische grensgebied nog op massieve bunkers die als vreemde, betonnen paddenstoelen uit de grond komen. Begroeid met mos en scheve boompjes die zich trachten vast te hechten in de naalden verzameld op de daken van de bunkers, hangt er binnen een vochtige grotlucht vermengd met de geur van verroest ijzer, die aan bloed doet denken. Als kind hebben we vaak oorlogje gespeeld bij de bunkers, maar niemand die de smalle en pikdonkere bunkergangen in durfde te gaan.
We waren kleine jongens die elkaar met katapulten beschoten, dramatisch neervielen op de uitgevallen boomnaalden en deden alsof we dood waren. Onbewust voerden we echter een ritueel uit. Die kinderspelletjes, het bos doorzeefd van onzichtbare kogels, onzichtbaar wondbloed, de onzichtbare dood in een onzichtbaar gevecht, dat alles heeft die plekken jarenlang vervuld met een oorlog, die zich er ooit daadwerkelijk moet hebben afgespeeld.
Vanaf 1935 is de grensversterking ontstaan. Deze was bedoeld als steunpunt tegen nazi Duitsland dat de Tsjechische grensgebieden begon op te eisen. Dit bunkernetwerk is echter nooit gebruikt, aangezien president Beneš na het Verdrag van München in 1938 aftrad en de Tsjechen opriep de wapens neer te leggen, waarmee hij een zeker bloedbad wist te voorkomen, maar tegelijkertijd een van de grootste trauma’s van de Tsjechische moderne geschiedenis creëerde. De Tsjechen verloren niet alleen hun idealen maar ook hun grenzen, en werden de bevolking van een “protectoraat”. Een cynische en dubbelzinnige benaming voor de toenmalige staatsvorm.
Met dat de oorlog ten einde kwam en de Tsjechen hun idealen hervonden, ging het grensgevecht weer verder en werd er in een gevoel van “eerlijke woede” begonnen aan de evacuatie van de Duitse bevolking, waarbij vele gruweldaden werden begaan ten opzichte van mensen die met het nazisme helemaal niets te maken hadden. Ondanks dat er zich later bewust weer mensen in de grensstreek hebben gevestigd, is het nooit gelukt dit afstervende gebied nieuw leven in te blazen. Hele dorpen gingen ten onder en waren al binnen tientallen jaren spoorloos verdwenen.
Het zijn plekken waar je kunt zien hoe snel het bos is. Hoe kort het tijdsbestek waarin schimmel en verrotting de draagbalken van een dakconstructie doen vergaan, waarin onkruid muren doet scheuren, door daken heen groeit, huizen verandert in puin, dat vervolgens spoedig onder de bosgrond zal verdwijnen. Het landschap kan na verloop van tijd alles wel verwerken, wat het ook moge zijn. Het heeft geen boodschap aan het streven van de mens, aan landsgrenzen, aan wat er in het verleden is gebeurd of aan andere abstractie waarvoor al eeuwenlang gemoord wordt.
Ik vind het heerlijk wandelen door dat grensgebied, waar in vergane kerken reeën rustig staan te grazen. Wandelen door die verlaten zone. Een zone als uit een psychologisch filmdrama van de Russische Tarkovski. Je stuit zo nu en dan op een stuk grond dat onverwacht vlak is, begroeid met jonge boompjes, een overblijfsel van weer een historische etappe. Deze vreemde vlaktes waren ooit onderdeel van de verboden zone van het ijzeren gordijn. Omgeploegde en glad gestreken aarde waarin de voetsporen achter zouden blijven van diegenen die een poging deden om de grens over te steken. Niet ver daar vandaan begon een driedubbel hek dat onder stroom stond.
Enige tientallen jaren geleden werd er nog met scherp geschoten op hen die de grens probeerden over te steken. Waar het woord “grens” altijd al een bepaalde nare ondertoon heeft, roept de woordverbinding “de grens oversteken” in Tsjechische context nagenoeg ontzetting op. Tsjechische toeristen zijn bij alle grensovergangen op de wereld nerveus: alsof iemand ze betrapt op iets verkeerds. Ze zijn altijd netjes, beleefd, en als ze door de gebruikelijke paspoortcontrole heen zijn, voelen ze een merkwaardige en enorme opluchting, een soort onderdrukt gejuich. Hetzelfde speelt zich af bij de culturele grenzen. We zijn nog altijd te verlegen, te veel bezig met wat er op het gebied van cultuur “zou moeten worden gedaan”, we hebben nog altijd te weinig zelfvertrouwen.
De natuur is snel en onbevangen. Ze kan vrijwel alles aan, neemt de overblijfselen van grenslijnen van totalitaire staten in zich op en verandert ze weer in bos, waar je rustig een wandelingetje kunt maken en waar kinderen vrijuit moordenaartje kunnen spelen. De grenslijnen van het menselijk geheugen vergaan veel trager, het zal misschien wel generaties duren voordat ze volkomen zullen verdwijnen en voordat wij ons echt vrij zullen gaan bewegen binnen de culturele wereld van het huidige Europa.