Gisterenavond vond ik een briefje waarmee je ontbijt kunt bestellen op je kamer. Ik zette een kruisje bij ‘koffie’ en uit nieuwsgierigheid ook eentje bij ‘nieuws’. Klokslag zeven uur werd er een dienblad gebracht. Naast het eten lag een blaadje papier waarop het ‘nieuws’ was afgedrukt, aan de ene kant in het Engels en aan de andere kant in het Spaans. Dat A-viertje alleen al zou prima materiaal zijn voor het interview over vertalen dat vandaag op het programma staat, maar laat ik hier voorlopig alleen de meest opzienbarende kop citeren (of in elk geval, de minst deprimerende): ‘Philae heeft een boring verricht op de komeet maar heeft nog maar weinig energie.’
Dat Philae doodgaat is niet iets om depressief van te worden. Maar een beetje verdrietig is het wel. Ik stel voor dat we afscheid van haar nemen met een van de vele mooie nummers die ik gisterenavond gehoord heb.
Van Stu Larsen:
Darling I should’ve said goodbye
Before you even caught my eye
Now I can’t bear to see this die
Thirteen sad farewells my darling
Thirteen sad farewells
I will see you no more darling
You have used all your farewells
You have used all your farewells
Hm.
Hoe groot mijn liefde voor het geschreven woord ook is, het is ontgoochelend om dit zo zwart op wit te zien staan, zonder noten, spotlights of snaren, zonder dat ene dat gisteren zo voelbaar aanwezig was: ‘de macht van de muziek’, zou ik bijna zeggen, als daarbij niet alle bellen van mijn anti-clichéalarm begonnen te rinkelen.
Wat we zagen was pure présence. Concentratie en perfect beheerste ademsteun. Norma Jean Martine, Trampled by Turtles, Iron and Wine, Stu Larsen. Allemaal gaven ze zich helemaal op het podium. We waren getuige van iets wat je maar zelden ziet: dat kwetsbare proces waarbij muziek voor je ogen kristalliseert.
Die kwetsbaarheid is een voorwaarde, je kunt niets waardevols maken zonder je een beetje naakt te voelen. Zelf bestrijd ik dat gevoel met dekens en mutsen. Door me stevig in te pakken zorgt mijn innerlijke oma er op haar manier voor dat ik niet opgeef.
Maar een zanger kan zich niet bedekken. Of wel, maar met andere maskers, en als het mislukt ziet iedereen dat. Urenlang herschrijven is voor hem niet weggelegd, zijn ego moet flexibeler zijn.
Als schrijfster kan ik van zangers leren. Van hun precisie. Van hun stem als een oeroude octopus: met zijn tentakels kietelend in de nek van het publiek, of drukkend op hun borstbeen tot de tranen hen in de ogen springen.
Bij twee optredens moest ik huilen. Het ene was dat van Stu Larsen. Hij zingt als een brave koorknaap die op een dag de kerk uitliep, de wijde wereld in ging, nieuwe registers opentrok en zijn baard liet staan. Normaal zit ik er met dit soort dingen altijd naast, maar Google wijst uit dat mijn intuïtie dit keer juist was: religie en rugzak. Hij leeft nu on the road, zonder vaste verblijfplaats maar met steeds meer concerten. Zijn octopusstem dringt (net als die van Iron and Wine) door tot diep in je borst en kan je breken of verlichten zoals het hem uitkomt.
Ook de schrijver Akhil Sharma ontroerde me. Hij presenteerde zijn autobiografische roman Family Life, waaraan hij twaalf en een half jaar had gewerkt.
Was het de moeite waard geweest, werd hem gevraagd.
Hij antwoordde onomwonden: ‘Nee, o nee, natuurlijk niet.’
Ik begrijp zijn frustratie. Het ergste was niet het zoeken naar de juiste stem voor zijn verhaal en ook niet de hoeveelheid werk die in de prullenbak verdween (7000 pagina’s, zei hij). Het ergste was dat hij niet aan iets nieuws kon beginnen. Want zoeken en weggooien is normaal: dat is nu eenmaal wat we doen. Voor deze column van 600 woorden heb ik er 4000 geschrapt. Ik heb mensen weggelaten, anekdotes, plekken (en de mammoetkaak die in Den Haag te koop is en die ik er morgen echt hoop in te krijgen).
Als je schrijft hak je steenlagen weg tot je op een ader stuit die je besluit aan te boren. Je zet je muts op. Je spreekt jezelf moed in. Je gooit al het andere weg.
Die ader is je stem en daar draait het om in mijn vak: stem gezocht.