Na mijn laatste column belde mijn moeder om te zeggen dat het een grap was. Dat van dat koffertje. Een grap. Verder ben ik vertrokken uit Madrid en voor het eerst in twaalf jaar wakker geworden in Amsterdam. Toen ik wilde gaan ontbijten heb ik gegoogeld op best coffeeshops in Amsterdam. Een beginnersfout. De fietsers heb ik overleefd. Dat is niet niks, wanneer je rondloopt zonder uit te kijken omdat je blik blijft hangen bij ieder raam, huis na huis na huis.
Maar mijn voyeurisme (net als dat van jullie allemaal) is niets vergeleken bij de miljoenen dollars kostende glimp die miljoenen mensen vandaag hoopten op te vangen van komeet P67, dankzij robot Philae, die daar gisteren geland is: meer dan vijfhonderd miljoen kilometer hiervandaan. Ze zeggen dat hij drie keer stuiterde voor hij bleef steken achter een rots.
Wetenschappers zijn niet blij met die rots, want hij zorgt voor schaduw, waardoor de foto’s minder scherp zijn. Maar misschien voelt Philae zich wel prettiger zo. Als ik de rest van mijn dagen zou moeten slijten op vijfhonderd miljoen kilometer van de aarde, zou ik ook liever een beetje beschut zitten, in plaats van in die open vlakte, blootgesteld aan al dat sterrenstof. Vooral nu ik vandaag bij de Border Sessions heb geleerd dat het stof dat in de ruimte rondzweeft spiky and vicious is.
De Border Sessions is een tweedaags symposium met lezingen over technologie, voorafgaand aan het Crossing Borderfestival. Ik heb er drie van de vijftig kunnen bijwonen. Eentje over het nieuwe ruimtepak van de NASA. Een tweede over in-vitrovlees. En dan nog een over de hedendaagse renaissancemens (of zoiets).
Op een video zien we hoe een astronaut op de maan halsbrekende toeren uithaalt. Hij doet zijn best om overeind te blijven, stuitert in het rond en ziet er erg onhandig uit. Eindelijk legt de spreker uit: hij heeft iets laten vallen. Dat is alles. Hij heeft een tas laten vallen en is minutenlang bezig om die op te rapen. En dat voor een astronaut die lichamelijk in topconditie is. Drie keer raapt hij die tas op om hem vervolgens weer kwijt te raken. Beweeglijkheid, dat is waar het de ruimtepakken van de Apollo 16 aan ontbrak. Om dat te verbeteren worden nieuwe materialen ontwikkeld, veerkrachtiger en lichter. Minder gewicht, dat is het streven. Voor elke kilo die je de ruimte inschiet moet je er eerst twintig in een baan om de aarde brengen en bovendien vele duizenden dollars investeren. Elke uitgespaarde gram telt.
Maar voor het geval ruimtevaart je niet interesseert: dat in-vitrovlees. Het wordt al gemaakt. Op biefstuk lijkt het nog niet, maar het smaakt al meer naar beest dan naar tofu. En ook hier kost iedere gram een fortuin. De eerste hamburger vergde twee jaar en 250.000 euro. Gisteren presenteerde Koert van Mensvoort zijn ingenieuze The In Vitro Cook Book, met 45 gerechten die je vooralsnog niet kunt maken.
Van de renaissancesessie zijn me deze woorden van Auke Ferwerda bijgebleven: The only sensible outcome of data is insight. Mijn innerlijke oma vond het prachtig. Wat een verstandige jongen, zei ze. En ze zei ook: ‘Zou jij zo’n regel niet ook eens moeten instellen bij jouw werk?’
Nee. Ik weet niet. Ik hoop van niet. Of misschien toch? Het zou verlammend werken, als je alleen schrijft om iets aan het licht te brengen.
Er is geen Spaans woord voor insight. In het Nederlands is het inzicht. In-zicht, naar binnen kijken. Ja, dan misschien wel, oma, als je het zo bekijkt. Schrijven uit voyeurisme. Met als enige doel een stel ramen in den vreemde te schetsen voor de lezer, ramen zonder vitrage, zodat je wel naar binnen móét gluren.
De NASA-deskundige verzekerde ons dat we geen mensen de ruimte in sturen om te werken, maar om ons begrip van wat mogelijk is te verruimen. Dat kan zijn. Maar zijn we niet ook gewoon een stelletje roddelkousen? We willen gewoon een selfie van Philae. Iedereen wil naar binnen kijken, bespieden, vergelijken. We willen zien. Méér zien. We zouden het best kunnen laten tatoeëren: in-zicht gezocht.