Ik heb een dubbel gevoel ten opzichte van conclusies, altijd al gehad. Soms kun je er natuurlijk niet omheen, maar we proberen verrassend vaak een gevoel van voltooiing te forceren bij ervaringen en ideeën die onafgerond eigenlijk veel meer van hun kracht behouden. Ergens zijn die losse eindjes en verdwaalde lijntjes juist prachtig; puzzels waarvan stukjes ontbreken en vragen die alleen kunnen worden beantwoord met nieuwe vragen.
Vanuit dit opzicht is de beste epiloog er dus een die in feite een nieuwe proloog is; een afloop die zinspeelt op een nieuw begin. Ik heb altijd al bewondering gehad voor romans en films met deze eigenschap: het idee dat personages zich niet door die definitieve beperking laten tegengehouden, maar na de laatste bladzijde of aftiteling gewoon verder leven.
Crossing Border heeft me, meer dan de andere evenementen die ik dit jaar heb gedaan, aan het denken gezet over de toekomst. Er wordt momenteel heftig gediscussieerd over de levensduur van literatuur. Gaat de roman binnenkort met pensioen? Stevenen boeken af op hetzelfde lot als het cassettebandje, de cd, of de telefoon die gewoon een telefoon was, meer niet? Persoonlijk denk ik van niet. Crossing Border benadrukte maar weer eens dat fictie, net als muziek, nog steeds leeft en belangrijk is. Maar het benadrukte ook wat haar nou eigenlijk levend hóúdt, namelijk: de vertaling.
Wat de toekomst van fictie ook mag zijn, ze is afhankelijk van de toekomst van vertalen en zodoende van de toekomst van de vertaler zelf. Crossing Border is het enige evenement waar ik ben geweest dat evenveel aandacht besteedt aan de kunst van het vertalen (want het is inderdaad een kunst) als aan de kunst van het creëren. In een eerdere column had ik het al over verschil en diversiteit, en over de verschrikking van een homogene wereld. Fictie heeft, net als onze samenleving, een meervoud aan stemmen nodig om te kunnen gedijen. Om die meervoudigheid te behouden is ze afhankelijk van het werk van vertalers.
Toen ik de jonge vertalers tijdens het weekend hoorde praten, besefte ik plotseling hoeveel overeenkomsten er zijn tussen hun drijfveren en die van de gemiddelde jonge schrijver. Niemand begint hier immers aan voor het geld. Uiteindelijk zijn schrijven en vertalen allebei liefdewerk. Alleen is er voor de schrijver tenminste nog een vage belofte van erkenning. Mensen die je boek lezen zullen in ieder geval weten dat jíj degene bent die het heeft geschreven. Hoeveel mensen zullen echter een boekvertaler kunnen noemen? In hoeverre zijn mensen zich er bijvoorbeeld écht van bewust dat de Nederlandse versie van Idiopathy feitelijk een gezamenlijke tekst is, geschreven door twee mensen: door mij en Roos van de Wardt?
Alle vertalers op Crossing Border vertelden hoe moeilijk het is om vertaler te worden, en hoe moeilijk het is om vertaler te blijven (d.w.z.: rond te komen) als je het eenmaal bent. Ik begon me steeds meer zorgen te maken. Waar moeten we, gezien deze struikelblokken, ooit de toegewijde jonge vertalers vandaan halen die we overduidelijk nodig hebben. Want het ís een gigantische klus. Alleen al het bijbenen van moderne fictie vraagt om een klein leger vertalers, en daar bovenop komt dan nog de belangrijke taak van het wereldwijd aan de man brengen van onvertaalde klassiekers. Voor jonge schrijvers zijn er volop regelingen en mogelijkheden – iedereen verkeert in een constante staat van opwinding over de meest recente ‘nieuwe stem’. Maar als niemand die nieuwe stemmen vertaalt, zal iedere taal gebonden zijn aan de literatuur die ze zelf heeft voortgebracht, en dit kan uiteindelijk alleen maar leiden tot een opdrogende genenpoel van literaire vernieuwing.
Evenementen als Crossing Border zijn dus van wezenlijk belang voor de toekomst van literatuur. Sterker nog: er zouden er meer van moeten zijn. Meer gelegenheden waar schrijvers en vertalers elkaar kunnen leren kennen, meer gelegenheden voor een lezerspubliek om vertalers te horen praten over hun werk, en meer gelegenheden waar vertalers hun talenten kunnen tonen. Een aantal vertalers noemde het belang van onderscheidingen, niet alleen vanwege de hoognodige geldinjectie, maar ook vanwege de bijkomende aandacht voor jonge vertaaltalenten die een carrière proberen op te bouwen
Uiteindelijk zijn dit echter allemaal dingen die we van andere mensen verwachten. We kunnen wel zeggen dat er meer festivals, meer geld en meer boeken zouden moeten komen, maar de eigenlijke vraag is: wat kunnen we nú doen? Wat kunnen wij zélf doen om de levendige en diverse wereldwijde literaire cultuur te vormen waar we allemaal zo van houden? Het antwoord is, voor mij althans, dat we kunnen lezen. Door te luisteren naar mijn medeauteurs die tijdens het festival hun werk voorlazen, te zien hoe hun woorden naast hen in het Engels op schermen verschenen, werd ik verrast door de omvang van mijn eigen onwetendheid en wat een buitengewoon voorrecht het eigenlijk is om het werk te kunnen ervaren van mensen met wie ik geen taal deel. Dit benadrukte weer eens, mocht dat nog nodig zijn, dat lezen net zozeer een plicht is als schrijven, en dat het als schrijver mijn verantwoordelijkheid is om de beste lezer te zijn die ik kan zijn. Het is zo makkelijk om lekker binnen de grenzen van je eigen literaire cultuur te blijven. Toch zullen wij, de lezers, de grenzen van ons comfortabele wereldje over moeten gaan, en het zijn de vertalers die ons hierbij de weg zullen wijzen.